Blad 1 van 40 bladen Volgend blad    Laatste blad

Parenteel van Dirk I van BREDERODE
 
Datum:
16 december 2018
Sortering:
Per tak
Aantal personen:
12145
Foto's:
Ruim 1500

I
Dirk I van BREDERODE 1e Heer van Brederodedossierstukken, geboren circa 1180.

a POLITIEKE SITUATIE - Geschat mag worden dat DIRK XE "drossaet:Dirk I de" leefde van ca.1185 tot 1236. Mede met het oog op de eerstvolgende Heren van Brederode is het zinvol hier een overzicht te geven van de politieke situatie in en buiten Holland in het tijdvak van enige tientallen jaren voor en na 1200, ten tijde dat het geslacht Brederode zijn aanvang heeft.
 
 
= ALGEMEEN BEELD - De Hollandse gewesten, die in deze tijd qua omvang gevormd werden door de huidige provincies Noord- en Zuid-Holland alsmede Zeeland, stonden onder het bestuur van het uit de 9e eeuw daterende Hollandse gravenhuis.
De regerende graven hiervan waren op zich weer onderhorig aan de keizers van het heilige-rooms-Duitse-rijk, die als leenheren land aan de graven als leenmannen in leen uitgegeven hadden. Opgemerkt zij hierbij, dat aan deze leenverhoudingen in 1648 met de Vrede van Munster een definitief einde kwam.
De feitelijke situatie was evenwel dat de keizers weinig greep hadden op hun Hollandse leenmannen die hun zo ver weg gelegen en moeilijk begaanbare landstreken bestuurden en bovendien tegen hun oostelijke heren afgeschermd werden door de zeer op eigen zelfstandigheid gestelde Utrechtse, Gelderse, Friese en Brabantse gewesten.
Bovendien was de politieke toestand achter die verre oostgrens niet al te rustig: het heilige-roomse-Rijk was in feite niet anders dan te veel bijeengevoegde staatjes en steden, waarvan vele liever zichzelf bleven als heer in eigen huis, dan de idealen na te streven van een verenigd heilig rijk dat mystiek verbonden was met het zo verre Rome.
De verschillende takken van de keizerlijke dynastieën bestreden elkaars waardigheden en rechten, waarbij de vaak weinig gewaardeerde bemoeiingen van de paus een en ander niet vereenvoudigden.
 
= KEIZERSTRIJD IN DUITSLAND - In de 12e eeuw was in Duitsland een machtsstrijd gaande tussen het Huis van de Hohenstaufen en het Huis van de Welfen, de twee aldaar van belang zijnde vorstenhuizen. Deze strijd ontstond omdat door toedoen van de Welfen de kroon gezet werd op het hoofd van de politieke buitenstaander Lotharius III (1125-1137) uit het Saksische Huis, dit als prijs voor het huwelijk van zijn dochter met de Welfse kroonprins. Deze gang van zaken was zeer ten ongenoegen van de Hohenstaufense troonpretendenten, die dan ook na de dood van Lotharius III de kroon aan hun eigen prins Koenraad III gaven die hij van 1138 tot 1152 op wist te houden.
 
........................

Overleden 1236, zoon van Willem van TEYLINGEN heer van teylingen.
Gehuwd circa 1215 met Alverade van HEUSDEN, geboren circa 1195.
Overleden, dochter van Johan van HEUSDEN en Aleidis PERSIJN.
Uit dit huwelijk:
Agnies (zie IIb).
Dirk, geboren circa 1225.

DIRK van Brederode - Van de 2e zoon Dirk is alleen bekend dat hij drie maal in oorkonden wordt vermeld als ridder, nl. in de jaren 1251, 1268 en 1269.
 
= GEBOORTEJAAR / STERFJAAR - In genoemd jaar 1251 zal Dirk mede als ridder voldoende in aanzien gestegen zijn om naast zijn broer Willem vermeld te worden.
Zijn sterfjaar is niet redelijk te benaderen. Hij zou een tiental jaren na het jaar 1269 van zijn laatste vermelding overleden kunnen zijn. Dit geeft dan aan, dat hij in ca.1279 de leeftijd van ca.48 jaar bereikt zou kunnen hebben.
 
= VERMELDINGEN - Omdat Dirk alleen als getuige en ridder genoemd wordt bij hem niet persoonlijk betreffende zaken en er van of over hem geen andere stukken bewaard zijn gebleven, blijft zijn bestaan verder in duister gehuld. In een viertal oorkonden wordt Dirk tezamen met anderen of alleen als volgt vermeld:
 
- 3 februari 1251 - '... Theodericus de Brederode... milites ...'./ Dirk wordt als ridder samen met zijn oudere broer Willem vermeld als getuige op de 3e plaats bij de bevestiging door rooms-koning graaf Willem II van een arbitrale uitspraak betreffende het aan de abdij van Middelburg terugvallen van leengoederen.
- 24 oktober 1268 - '... dern Didericke van Brederode, ... ridders ...'. / DIRK wordt als ridder vermeld als laatste van een aantal getuigen bijeen regeling van graaf Floris Vmet Vrouwe Aleid van Avesnes (+ 1284) inzake de erfgoederen van haar man Jan I van Avesnes (+ 1257).
- 24 oktober 1268 - '... heren Dideric van Brederode, ridders, ...'. / DIRK wordt vermeld als getuige op de laatste plaats bij de overdracht door Floris V van woning en land aan diens neef Floris van Henegouwen (+ 1297).
- 4 juli 1269 - '... Theodoricus, dominus de Bredenrode ... milites ...'. / DIRK wordt als ridder mede vermeld als getuige op de 4e plaats bij de vidimering per 18.4.1311 van een regeling van graaf Floris V met Heer Albert van Voorne (+ 1287) inzake toekenning van beden in Zeeland bewesten en beoosten de Schelde.
 
Bron: Onvoltooide Roem, De eerste negen Heeren van Brederode, 1203-1473, Jan H. Verhoog, blz. 76
.
Overleden circa 1279.
Aleidis, geboren circa 1230.

Betreffende Aleydis zijn er enkele onzekerheden. Het is de vraag of Heer DIRK I drossaet inderdaad ook een dochter had en zo ja, of deze de naam Aleidis had, want Jan van Leiden noemt haar Catharina.
Verder zou zij gehuwd zijn met kastelein Gemand III (+ 1281) van het kasteel Keizersweerd ten noorden van Düsseldorf aan de Beneden-Rijn. Dit slot was tussen 11 en 22 december 1248 in handen gevallen van rooms-koning graaf Willem II van Holland bij diens veldtocht langs de Rijn, waarbij ook Aken door hem werd ingenomen. De oude bronnen zoals Melis Stoke, De Beke en De Clerc die eveneens de belegering van Keizersweerd vermelden, maken geen gewag van het huwelijk van Aleydis. Als enige auteur noemt Jan van Leiden in zijn kroniek Catharina wel: '... Catharinam neptem suam, ftliam Alfardi, illustris domini de Brederoeden ...', alsmede haar huwelijk met de kastelein, maar de vermelding van de gefingeerde Alfardus als haar vader maakt het bericht hoogst bedenkelijk.
Volgens de Procurator was haar naam niet Catharina maar Aleydis en heeft koning Willem II haar na de overgave van het kasteel ten huwelijk gegeven aan kastelein Gemand III van Keizersweerd, die een zoon was van de met ene Elise (+ ca.1248) gehuwde kastelein Gemand II van Hagenau (+ 1245/8).
Een zegel van Gemand III uit 1256 toont een éénhoofdige adelaar, met het randschrift: 'S.GERH ... UII WERDENSIS'. De oorkonde met zegel begint met de woorden: 'Nos Gerhardus, Burchgravius de Werde ...' enz.
Kasteelheer Gemand III was ten tijde van de verovering van het kasteel nog gehuwd met zijn eerste vrouw Elisa zoals blijkt uit de oorkonde van 7 januari 1249, waarbij rooms-koning Willem II na de overgave van het kasteel Keizersweerd de burggraaf Gemand III in zijn ambt bevestigde en begunstigde.
Derhalve kan pas na 1249 na het overlijden van Elisa door koning Willem II besloten zijn Aleydis aan zijn vazal in Keizersweerd uit te huwelijken. Gemand II, vader van kastelein Gemand III, schijnt tussen 1245 en 1248 overleden te zijn. Mogelijk is hij de Castellanus Ministeriaal Gernandus, Staufisch burggraaf, vermeld 1242-1243 (herkomst gegeven onbekend).
In de kerk in Keizersweerd is navolgende Latijnse inscriptie te lezen: 'Gernandus Sr. in 1245 Burggraaf van Kaiserswerth'.
In het Necrologium van het St.Adelbertklooster bij Keizersweerd, getiteld Memorienbuch des Canonichenstifts sancti Suidberti zu Kaiserswerth, staat vermeld (p.122): 'VI Kal Junii obiit Aleidis de Breiderode, uxor Gernandi burgravii Werdensis que ...'etc. (6 juni stierf Aleydis van Brederode, vrouw van Gemand burggraaf van Keizersweerd die ... enz.).
Aleydis schijnt de tweede vrouw van Gemand III te zijn geweest. Na haar overlijden hertrouwde Gemand III met Mechtildis van Broich, dochter van een zekere Dietrich I van Broich. In 1271 is kastelein/burg- graaf Gemand III uit zijn ambt gezet.
Al met al zou in deze gegevens verwarring mogelijk kunnen zijn met een zekere Aleydis, behorende tot een in de omgeving van Keulen wonend geslacht met de gelijkende naam Breiderode. Bovenstaande gegevens over de dochter Aleydis zijn merkwaardig, omdat de Procurator in zijn Egmondkroniek in 1322 vermeldt dat graaf Willem II de dochter van Dirk drossaet ten huwelijk geeft aan de kastelein van Keizersweerd.
In het bovenvermelde bericht uit de Analecta meldt Matthaeus dat deze dochter de nicht is van rooms-koning Willem II. Deze vermelding vindt in geen enkel stuk bevestiging. Het kan duiden op een nauwe relatie tussen de graaf en Brederode, die ten aanzien van Willem van Brederode, oudste broer van Aleydis, wordt onderstreept door de mededeling in oorkonden waarin Willem door graaf Willem II zijn beminde bloedverwant wordt genoemd.
Het blijkt evenwel niet mogelijk een constructie op te zetten waaruit een directe bloedverwantschap blijkt tussen graaf-koning Willem II en leden van het Huis Brederode, hoezeer dit ook de vermeende roem van een doorluchtig voorgeslacht voor latere Heren van Brederode zou kunnen opluisteren.
 
= GEBOORTEJAAR / STERFJAAR - Aleydis zou in ca.1252 gehuwd zijn met kastelein Gemand III van Keizersweerd. Zij kan toen ca.18 jaar oud geweest zijn wat als haar geboortejaar ca.1234 oplevert.
Omdat van Gemand III van Keizersweerd diens 3e huwelijk wordt vermeld, zal Aleydis na ca.10 jaar huwelijk omstreeks 1262 overleden kunnen zijn.
 
Bron: Onvoltooide Roem, De eerste negen Heeren van Brederode, 1203-1473, Jan H. Verhoog, blz. 76-77
.
Overleden circa 1262.
Gehuwd circa 1252 met Gernand III van KEIZERSWEERD.
Overleden voor 1271, zoon van Gernand II van HAGENAU en Elise.

IIa
Willem van BREDERODE

Willem van BREDERODE

Willem van BREDERODE 2e Heer van Brederodedossierstukken, geboren circa 1215.

a. POLITIEKE SITUATIE - Was Dirk I van Brederode als drossaet functioneel direct verbonden met de gang van zaken aan het grafelijk hof en was het derhalve zinvol een wat uitgebreid politiek decor achter hem te plaatsen, bij zijn zoon en erfopvolger WILLEM speelt dat een beduidend mindere rol.
Hij werd niet zoals zijn vader Dirk als het ware dagelijks geconfronteerd met de activiteiten van de graaf. Wel werd hij, als leenman horig aan zijn leenheer de graaf, geacht dienstbaar te zijn wanneer de graaf hem daartoe opriep, meestal met het doel ten strijde te trekken.
Na de verkiezing in 1247 van graaf Willem II tot rooms-koning toog deze naar de streken langs de Neder-Rijn boven Aken om dit onrustige gebied onder zijn gezag te brengen. Hij belegerde eerst de keizerpalts Keizersweerd en veroverde vandaar in 1248 de stad Aken.
Zijn voornemen de West-Friezen te onderwerpen alvorens zich in Rome tot keizer te laten kronen, werd hem noodlottig door zijn gewelddadige dood in 1256 bij Hoogwoud. Zijn opvolger was de 2-jarige zoon Floris V die tot zijn meerderjarigheid in 1266 onder voogdij werd geplaatst. Graaf Floris V huwde in 1270 de Vlaamse gravendochter Beatrix van Dampierre (┼ 1296). Als eerste taak zag hij de bedwinging van de opstandige West-Friezen en het terugvoeren van het stoffelijk overschot van zijn vermoorde vader graaf Willem II naar eigen grond.
De eerste tocht in 1272 strandde bij Alkmaar. De tweede tocht in 1282 gelukte omdat graaf Floris V met een vloot via de Zuiderzee naar West-Friesland voer en vanuit het zuidoosten het gebied binnendrong tot bij Hoogwoud, vanwaar hij het gebeente van zijn vader mee terugbracht. Het onder grafelijk gezag brengen van de West-Friezen gelukte tenslotte afdoende bij een derde en laatste veldtocht in 1288.
 
........................

Overleden 27 juni 1285, zoon van Dirk I van BREDERODE 1e Heer van Brederode (zie I) en Alverade van HEUSDEN.
Gehuwd (1) circa 1252 met
Hillegonde van VOORNE

Hillegonde van VOORNE

Hillegonde van VOORNE, geboren circa 1232.
Overleden 5 april 1302, begraven Velsen, dochter van Hendrik van VOORNE vermeld 1229-1259 en Catharina van CYSOING.
Relatie (2) met NN NN.
Overleden.
Uit het eerste huwelijk:
Alverade (zie IIIb).
Rikairde, geboren circa 1263.

Rikairde wordt op 1 mei 1303 vermeld als non in de abdij van Rijnsburg.
 
= GEBOORTEJAAR - Rikairde zou in ca.1293 ingetreden kunnen zijn op 30-jarige leeftijd, bemerkende dat zij ongehuwd zou blijven.
Haar geboortejaar is dan te schatten op ca.1263.

Overleden als non in Rijnsburg na 1303.
Theodericus van BREDERODE de SCOTEN (bastaard?).

In 1297 behoorde Dirk tot hen die kleding van de graaf droegen.
Uit hoofde van zijn dienstverband aan het grafelijk hof droeg Dirk de daarvoor gebruikelijke livrei die door de graaf bekostigd werd.

Uit de tweede relatie:
Willem (zie IIIe).

IIIa
Dirk II "de Goede" (de Goede) van BREDERODE 3e Heer van Brederodedossierstukken, geboren circa 1252.

a POLITIEKE SITUATIE - Het leven van Heer DIRK II van Brederode XE "Brederode:Dirk II van" valt voor een deel samen met de bewindsperioden van de laatste twee Hollandse graven Floris V XE "Holland:Floris V van" (1256-1296) en Jan I XE "Holland:Jan I van" (1296-1299) en van de eerste twee graven van het Henegouwse Huis, nl. Jan II van Avesnes XE "Avesnes:Jan II van" (1299-1304) en Willem III van Avesnes XE "Avesnes:Willem II van" (1304-1337).
Na twee niet geslaagde tochten van graaf Floris V XE "Holland:Floris V van" naar West-Friesland in 1272 en 1282 gelukte het bij de derde in 1288 de West-Friezen definitief onder zijn gezag te brengen.
Direct hierna was graaf Floris V XE "Holland:Floris V van" genoodzaakt zijn aandacht te richten op het gewest Zeeland. Hier waren problemen ontstaan door openlijk misnoegen van de Zeeuwse edelen jegens hem waarbij hij in 1290 bij Biervliet zelfs in gevangenschap raakte.
Herhaaldelijk bond hij de strijd aan tegen het opdringende Vlaanderen waarvoor hij, door ontevredenheid over de geringe Engelse steun, bij Frankrijk toenadering zocht. Deze verandering van politiek werd hem noodlottig want een strafmaatregel van de Engelse koning Edward I liep op 27 juni 1296 uit op de laffe moord bij Muiderberg. Om rust te brengen in het graafschap werd de nog jonge zoon Jan I XE "Holland:Jan I van" van Floris V XE "Holland:Floris V van" uit Engeland teruggehaald. Deze bleek alsnog te onervaren en te zwak en werd overvleugeld door Heer Wolfert I van Borselen XE "Borselen:Wolfert I van" .
Met het overlijden in 1299 van graaf Jan I van Holland XE "Holland:Jan I van" stierf na ruim 3 eeuwen het Hollandse gravenhuis uit en ging het graafschap over naar graaf Jan II van Avesnes XE "Jan II van" van Henegouwen XE "Henegouwen:Jan II van" , neef en erfgenaam van Floris V XE "Holland:Floris V van" .
Graaf Jan II kreeg in 1304 na veel strijd geheel Zeeland onder zijn gezag en overleed in ditzelfde jaar. Zijn opvolger was graaf Willem III de Goede XE "Goede:Willem III de" van Avesnes en Henegouwen die zijn invloed in Utrecht en Friesland wist uit te breiden. Hij consolideerde het graafschap en bouwde de organisatie ervan op tot een geordend administratief systeem.
 

Overleden Reims 16 december 1318, begraven aldaar, zoon van Willem van BREDERODE 2e Heer van Brederode (zie IIa) en Hillegonde van VOORNE.
Gehuwd circa 1288 met Maria van der LECKE, geboren circa 1272.
Overleden 1 april 1307, dochter van Hendrik II van der LECKE en Jutte van BORSELEN.
Uit dit huwelijk:
Willem (zie IVa).
Jutte (zie IVb).
Jutte (Margriet), geboren circa 1293.
Overleden.
Dochter, geboren circa 1295.

DOCHTER van Brederode - Een niet bij naam bekende dochter huwde met Heer Hendrik (Splinter) van Loenersloot (vermeld 1308-1329). Mogelijk heette zij Elisabeth.
 
= GEBOORTEJAAR - Haar geboortejaar is niet redelijk te schatten. Alleen inpassing in de overige schattingen van haar broers en zusters levert ca. 1295 op als mogelijk geboortejaar. Dit jaar valt in een vrij lange periode tussen 1293 als mogelijk geboortejaar van Margriet en ca.1298 als mogelijk geboortejaar van Jutte.
 
Loenersloot - Het kasteel van Loenersloot stond ten noordwesten van Loenen aan de Vecht. Met de oorspronkelijke donjon en enkele muren geeft het in goede staat verkerende complex, ondanks verbouwingen, nu een goede indruk van de vorm ervan in de 13e eeuw.
In 1225 wordt voor het eerst een Heer van Loenersloot vermeld. In 1258 droeg Dirk Splinter van Loenersloot (+ ca. l265) het bezit op aan graaf Otto II van Gelre (+ 1271), die het als erfelijk leen teruggaf. Eind 14e eeuw gedroeg de slotheer Splinter van Loenersloot zich als een roofridder.
Zijn kasteel aan de Vecht werd in 1378 door bisschop Arnoud II van Horne van Utrecht (+ 1389) belegerd en tenslotte ingenomen. Heer Splinter werd veroordeeld tot schadevergoeding, maar herkreeg in 1386 zijn goederen.
Splinter's dochter, gehuwd met Willem van IJzendoorn, verkocht in ca. 1445 Loenersloot aan Boudewijn van Swieten (+ 1452), gehuwd met erfdochter Johanna van Arckel van Leyenburg (+ ca. l450 / dochter van Arnoud van A.v.L.).

Overleden.
Relatie met Hendrik (Splinter) van LOENERSLOOT.
Catharina (zie IVc).
Dirk, geboren circa 1307.

Dirk, de derde en jongste zoon van DIRK, huwde met Maria, dochter van de Heer van Buren. Hij was ridder en stierf kinderloos in 1346. Omdat hij wegens zijn oudere broer uitgesloten was, werd hij geen Heer van Brederode.
 
= GEBOORTEJAAR Dirk - Zijn geboortejaar is redelijk nauwkeurig te schatten door het gegeven dat zijn oudste broer Willem voortijdig in 1316 reeds tijdens het leven van zijn vader DIRK II overleed.
Zijn jongste broer is Hendrik die met inbegrip van een voogdij van 6 jaren van 1318 tot en met 1325 zijn vader in 1318 is opgevolgd. Bij de benadering van het geboortejaar van Hendrik blijkt dat deze in ca. 1305 geboren moet zijn. Omdat Dirk geen opvolger als Brederode-Heer was, moet hij ná Hendrik als laatste en 3e zoon geboren zijn hetgeen niet anders kan dan in ca. 1307. In verband hiermee mag verondersteld worden dat zijn moeder Maria van der Lecke op 1 april 1307 in het kraambed van hem is overleden.
 
= GEBOORTEJAAR Maria van Buren - Betreffende zijn vrouw Maria van Buren is geen enkel relevant gegeven beschikbaar. Haar geboortejaar is te benaderen door terugtelling met ca. 16 jaar vanaf het hieronder geschatte huwelijksjaar 1325, wat het jaar 1309 oplevert.
 
= HUWELIJKSJAAR - Door bijtelling van 18 jaren bij het geboortejaar ca. 1307 van Dirk is zijn huwelijksjaar te schatten op ca. 1325.
 
= KINDERLOOS - Het huwelijk van Dirk en Maria was kinderloos, hetgeen niet wil zeggen dat hun huwelijk zeer kort heeft geduurd. Dirk overleed in 1346 op ca. 39-jarige leeftijd zodat het huwelijk ruim 23 jaren (ca. 1325 tot 1346) geduurd kan hebben. Het gegeven dat het huwelijk kinderloos was, kan er ook op duiden dat het huwelijk kort heeft geduurd omdat mogelijk Maria spoedig na de huwelijkssluiting jong overleed ofwel dat de huwelijkssluiting later plaats vond kort voor het overlijden in 1346 van Dirk of eventueel van Maria kort vóór dit jaar.
 
= MARIA VAN BUREN? - Vanaf Jan van Leiden in 1482/86 tot en met Scholtens in 1911 maken alle bronnen melding van het huwelijk van Dirk van Brederode en Maria van Buren, zij het met uitzondering van Van Spaen in 1812. De schrijvers hebben allen het bericht overgenomen van Jan van Leiden en de tekst ervan naar eigen inzicht geredigeerd. Zonder motivering zwijgen Obreen in 1926 en Dek in 1959 over Maria.
 
De vermeldingen over Maria en Dirk in de voornaamste bronnen zijn de navolgende:
- 1482 Jan van Leiden: 'Secundogenitus eius fuit Theodericus miles inclitus, qui accepit in uxorem Mariam fdiam domini de Bueren' (vertaling: Zijn als tweede geboren zoon was Dirk, een vermaard ridder, die tot vrouw nam Maria, dochter van de Heer van Buren).
- 1486 Jan van Leiden: 'Diderick de Ridder voergenoemt die nam te wive Mariam des Heeren dochter van Bueren'.
- 1587 P.Cz. Boekenberg: 'Theodoricus Theodorici quarti filius natv ivnior. Egit in matrimonio Domini Buereni filiae' (Dirk de jongste zoon van Dirk IV. Nam tot vrouw de dochter van de Heer van Buren).
- 1620 Wouter van Gouthoeven: 'Diere van Breederoede syn broeder sterf sonder oir An. 1346 hadde getrout Jouff. Maria, sheeren dochter van Buyren'.
- 1656 Paulus Voet: 'Diederick de jonger sone van Diederick den goedertier enen, Willems Broeder, die getrouwt hadde Maria de Dochter van Bueren'.
- 1685 Simon van Leeuwen: 'Dirk van Brederode, hadde getrout des Heeren dochter van Buren, dog stierf sonder kinderen anno 1346'.
- 1812Baron van Spaen: 'Dirk, die 1346 kinderloos stierf;'.
- 1911Scholtens in 'Nw. Ned. Biogr. Woordenboek': 'Brederode, Dirk van, overl. begin 14e eeuw, tweede zoon van Dirk van B. en van Maria, dochter van Hendrik van Polanen en van der Lecke. Hij is gehuwd met Maria van Bueren. Dit huwelijk is waarschijnlijk kinderloos gebleven'.
- 1926Obreen: 'Dirc, kinderloos gestorven in 1346'.
- 1959Dek: 'Dirk van Brederode, stierf kinderloos in 1346'.
 
Deze vermeldingen bevatten de navolgende elementen: - Dirk van Brederode is de tweede (= onjuist, lees 3e) en jongste zoon van DIRK II de Goede en Maria van Polanen en van der Lecke. / - Dirk is broer van Willem (+ 1316).
/ - Dirk is ridder. / - Dirk huwde juffr. (= Jonkvrouwe) Maria, dochter van de Heer van Buren. / - Dirk stierf in 1346.
/ - Het huwelijk van Dirk en Maria was kinderloos. Deze vermeldingen leveren geen nieuwe gezichtspunten op.
 
= GESLACHT VAN BUREN - De afkomst van Maria van Buren is onduidelijk. Zij wordt vermeld als dochter van de Heer van Buren, maar een naam van deze laatste wordt niet genoemd.
Buren wordt het eerst in een oorkonde uit 772 vermeld als 'Buria' en lag in de gouw Teisterbant. Bij het uiteenvallen van deze gouw zal Buren een zelfstandig gebied zijn geworden met vanaf medio 12e eeuw de edelvrije Heren van de Heerlijkheid Buren. Ondanks een aantal onzekerheden is onder voorbehoud navolgende genealogie van het geslacht van Buren samen te stellen:
= I / LAMBERTUSI van Buren, als oudst genoemde de le Heer van Buren. Hij had twee zonen: OTTO I die volgt (zie II) en ALARD I. Waarschijnlijk door het huwelijk van ALARD I kwam de Heerlijkheid Beusichem aan het geslacht van Buren dat het tenminste tot 1318 bezeten heeft.
= II / (zoon van voorgaande) OTTO Ivan Buren, de 2e Heer van Buren en Beusichem. Op 23 oktober 1268 is hij getuige voor Heer Hendrik I van der Lecke bij een pachtzaak tegenover het kapittel van St.Marie in Utrecht. Hij ontving van graaf Otto II van Gelre (+ 1271) de plaats Zoelmond.
In de strijd tussen Brabant en Gelre werd hij door hertog Jan I van Brabant (+1294) bij het beleg van Tiel gevangengenomen. Hij erkent op 2 oktober 1299 zijn
schuld aan graaf Jan I van Holland en noemt hiervoor zijn borgen. Hij had tenminste twee zonen.
= III / Zijn oudste zoon ALARDII van Buren volgde hem op als de 3e Heer van Buren en Beusichem. Op 17 juni 1297 erkent hij een boeteschuld aan graaf Jan I
van Holland.
= IV / Onbekende zoon van ALARD II.
= V / (kleinzoon van ALARD II) OTTO II van Buren, de 4e Heer van Buren en van Beusichem. Met zijn zoon ALARD III (zie VI) droeg hij in 1298 het kasteel Buren
als open huis op aan graaf Reinoud I van Gelre (+ 1326) en ontving dit als leen terug.
= VI / (zoon van voorgaande) ALARD III van Buren, de 5e Heer van Buren, overleden ca. 1300. Hij kreeg twee zonen: OTTO III die volgt (zie VII) en LAMBERTUS II,
die zijn in 1326 overleden oudere broer Otto III opvolgde als 7e Heer van Buren. Heer ALARD IV, zoon van Lambertus II, volgt (zie VIII).
= VII / (zoon van voorgaande) OTTO III van Buren, de 6e Heer van Buren, overleden in 1326 in Brabant. Hij doet in 1315 bij hertog Jan III van Brabant (+ 1355) zijn beklag over niet nagekomen voorwaarden tussen zijn vader en grootvader en de hertog. Hij herovert in 1317 de stad Tiel die ten dele door hem geplunderd en verwoest werd. Met Heer Jan III van Arkel (+ 1324) ondernam hij een strooptocht in de Bommelerwaard.
Zijn zoon JAN van Buren huwde met Catharina van Polanen, geboren na 1360, dochter van Philips I van Polanen (+ 1375) en kleindochter van Catharina van Brederode (+ 1372). OTTO III werd in 1326 opgevolgd door zijn jongere broer LAMBERTUS II van Buren als de 7e Heer van Buren. Hij hield sedert 1329 Buren in leen van hertog Jan III van Brabant.
= VIII / (zoon van Lambertus) ALARD TV van Buren, de 8e Heer van Buren en Beusichem, ridder, overleden in 1367.
Hij huwde met Mabelia (van Caets?) van Beusichem, erfdochter van Hubrecht II van Beusichem (+ 1318), waardoor de Heerlijkheid Beusichem weer aan de Heerlijkheid Buren kwam. Hun zoon ALARD V volgt (zie IX).
= IX / (zoon van voorgaande) ALARD V van Buren volgde 14 augustus 1367 op als de Heer van Buren en Beusichem en overleed in 1409. Op 14 augustus 1367 beleende hertog Eduard van Gelre (+ 1371) hem met Buren.
Hij huwde met Elisabeth van Bronkhorst, overleden ca. 1403, dochter van Gijsbert van Bronkhorst (+ 1356) en Catharina van Leefdael (+ 1361). Zij kregen twee zonen: GIJSBRECHT die volgt (zie X) en OTTO IV van Buren de Voogd.
Als aanhanger van de Bronkhorsten was ALARD V langdurig partij in de strijd tussen de Bronkhorsten en de Heeckerens. Hij voerde vele rechtsregels in waarbij in 1373 het Landrecht van Buren en Beusichem. Door zijn diplomatie veroverde Buren zich een gestabiliseerde plaats tussen de omringende rechtsgebieden.
= X / (zoon van voorgaande) GIJSBRECHT van Buren overleed in 1398 nog bij het leven van zijn vader. Hij huwde le met Catharina van Loon-Heinsbergen, uit welk huwelijk de zonen WILLEM die volgt (zie XI), JAN de proost in Aken en ALARD van Buren.
Hij huwde 2e met Ermgardt van der Lippe, uit welk huwelijk de twee zonen Gijsbrecht van Buren, geboren in 1422 en kanunnik in Keulen en Luik, en Alard van Buren, kanunnik in Luik en de dochter Elsa van Buren, geboren in 1429 en van 1451-1459 abdis van Thorn.
= XI / (zoon van voorgaande) WILLEM van Buren, geboren ca. 1400, volgde zijn grootvader ALARD V op als de 10e Heer van Buren en Beusichem. Hij stond tot zijn meerderjarigheid in 1415 onder het regentschap van zijn oom OTTO IV de Voogd. Hij mengde zich na de dood in 1423 van bisschop Frederik III van Blankenheim in de Utrechtse bisschopstwisten.
Hij bond de strijd aan tegen hertog Arnold van Egmond van Gelre (+ 1473) in de Gelderse opvolgingsoorlog. In 1430 werd Buren door hertog Arnold aanvankelijk ingenomen en kreeg hij in 1435 de stad en landen voorgoed in zijn bezit. WILLEM werd in 1430 verbannen en streed in ballingschap in het leger van hertog Adolf van Berg in de befaamde St.Hubertusslag. Hij overleed als balling in 1461. In 1446 werd Buren door hertog Arnold van Gelre verpand aan Heer Gerard I van Culenborch (+ 1394).
In 1472 schonk hertog Arnold de Heerlijkheid Buren aan zijn neef Frederik van Egmond van IJsselstein (+ 1521) als vergoeding van oorlogskosten en voor verleende diensten. Hij werd de eerste graaf van Buren na het verheffen hiervan in 1492 door keizer Maximiliaan I (+ 1519) tot graafschap.
Het bezit kwam in 1551 door het huwelijk van de erfdochter Anna van Buren van Egmond (+ 1558) met prins Willem I aan het geslacht Oranje-Nassau.
 
= VADER van MARIA van BUREN - Als vader van Maria kan mogelijk bedoeld zijn Heer Otto III van Buren, overleden in 1326, zoon van Otto II van Buren en oudere broer van Lambertus II van Buren. Door het huwelijk na ca. 1380 van Jan van Buren, zoon van Otto III, met Catharina van Polanen werd de verbinding tussen de geslachten Buren en Polanen/Brederode voortgezet.
Dit huwelijk vond plaats na het huwelijk van Dirk en Maria. Mogelijk was Maria van Buren een oudere zuster van Jan van Buren. Een en ander is moeizaam in elkaar te passen. Over Maria zijn verder geen gegevens beschikbaar.
 
= MARIA in DUITSLAND? - De hypothese dat een in de 14e eeuw in Duitsland voorkomende Maria dochter geweest zou zijn van Willem van Brederode (+ 1316) en Elsebee van Kleef (+ 1361) is te vaag voor een eventuele inpassing in de Brederode-genealogie. Zij zou gehuwd geweest zou zijn met een Heer Bertold X van Büren uit Duitsland en vandaar de naam van Buren hebben.
Deze veronderstelling is ongeloofwaardig tegenover de mededelingen van bovengenoemde kroniekschrijvers. Een artikel hierover, geschreven in 1974 door drs. J.F. Jacobs, heeft navolgende inhoud:
 
- In 1928 schreef Wilhelm Schüssler (in: 'Festschrift zur Vierhundertjahrfeier des Alten Gymnasiums zu Bremen 1528-1928, p.297-319) in een opstel over de kwartierstaat van Vrouwe Jutta von Schönberg (vermeld van 1429-1480) over de moeilijkheid om de afkomst van de daarin onder nummer 13 voorkomende Vrouwe Maria van Buren te definiëren. Haar persoonlijk zegel komt niet voor in het grote Westfaalse Zegelboek.
De auteur Schüssler tracht een oplossing te vinden door er op te wijzen dat medio 15e eeuw de naam Maria zeer zelden voorkomt bij geslachten in Westfalen, Nedersaxen en Hessen en meent dat deze naam heenwijst naar Rijnse of Nederlandse families. Uit het feit dat onder de in de genoemde kwartierstaat vermelde kinderen van Maria de namen Wilhelm, Heinrich en Dietrich hebben, welke namen ook in de Brederode-genealogie voorkomen, meent Schüssler met te veel vrijmoedigheid te mogen afleiden dat genoemde Maria van Buren een dochter zou kunnen zijn van genoemde Willem en Elsebee. Hij geeft wel toe dat er behalve de namen geen enkel houvast voorhanden is om deze veronderstelling te ondersteunen en dat vooralsnog de afkomst van Maria een open vraag blijft. Deze gedachtengang van Wilhelm Schüssler beoordelende, kan niet anders opgemerkt worden dan dat deze met alle goede wil op geen enkele manier serieus genomen kan worden.
Er is letterlijk geen enkel aanknopingspunt te vinden waarom aan Willem en Elsebee een dochter met de naam Maria van Buren toegedacht zou kunnen worden. Deze gedachtengang dient daarom als niet bruikbaar terzijde te worden gelegd. In 1975 haakt bovengenoemde drs. Jacobs op deze zaak in door te wijzen op een uit 1908 daterende beschrijving van een zegel, voorkomende in de Inventaris van de niet-staatsarchieven van de Provincie Westfalen (deel II, band 2 Kreis Warendorf, p.115).
Het zegel, dat onder de naam Maria van Buren voorkomt, betreft dus een geheel andere Maria dan de hierboven vermelde waarvan geen zegel bekend is. Door drs. Jacobs is een afbeelding van het zegel bijgevoegd waarvan de beschrijving in letterlijke vertaling luidt: Twee, schilden houdende, draken, rechts leeuw met toernooikraag (= barensteel), links Büren. Het vrij sterk beschadigde zegel met dit wapen behoort aan een oorkonde van 19 januari 1345 (Archief Vrijheer van Elverfeldt genaamd van Beverfoerde- Werries, in Huis Lobur in Oostbeieren, afdeling III/archief Byink, oorkonde nr.8). De barensteel op het zegelwapen heeft duidelijk waarneembaar 5 hangers.
Een dergelijk wapen komt ook voor op het uitzonderlijke ruiterzegel uit 1274 van Willem de 2e Heer van Brederode. Dit zegel is evenwel dermate beschadigd dat niet dan met enige fantasie en voorveronderstelling een barensteel met 5 hangers valt te onderscheiden.
In een sinds 1948 gevoerde discussie over de toeschrijving van het wapen werden afwisselend Brederode en Bronkhorst genoemd, totdat het algemeen gevoelen neigde naar een voorkeur voor Brederode. Zonder enige motivering stelt de auteur Jacobs, dat het aannemelijk is dat Maria, die in de stukken wordt vermeld als vrouw van Bertold X van Büren, een dochter was van Willem en Elsebee. Waarom dit aannemelijk is, motiveert drs. Jacobs niet.
Hij merkt nog op, dat Maria wat jaartallen betreft, in het gezin van Willem en Elsebee past, omdat zij in de oorkonden vermeld wordt van 1342 tot 1385 en omdat haar zoon Bertold XII von Büren (+ 1409/1412) het eerst vermeld wordt in 1344 en dientengevolge volgens drs. Jacobs geboren kan zijn in of kort voor 1332.
Deze veronderstellingen zijn evenwel te weinig onderbouwd en te wankel om daaraan enige waarde toe te kennen.
 
= WAPEN van MARIA - In het voorgaand wordt als vaststaand aangenomen, dat de bij het wapen genoemde Maria dezelfde is als de Maria die men in de Duitse archieven heeft aangetroffen. Het bewijs hiervoor wordt niet geleverd.
Het wapen pleit sterk voor de Hollandse Maria, al geeft heraldisch gezien de barensteel met 5 hangers wel te denken. Alleen Teylingen had vóór 1300 het aantal van 5 hangers. Na 1300 kwamen 5 hangers niet voor in Brederode-wapens, waarom het onderhavige Duitse wapen al nauwelijks serieus te nemen is.
Overigens zou het gevonden wapen geheel met de Maria van Brederode van Buren kunnen passen. Omdat het schild uit twee helften bestaat en het wapen kennelijk een persoonlijk wapen van Maria is, kan zij dit zijn gaan voeren na het overlijden in 1346 van haar man, van wie zij universeel erfgename was. Zo gezien, kan de vondst in Duitsland van het wapen van Maria van Buren een interessant zij het wankel aspect betekenen.
Al met al is er vooralsnog geen reden aan te voeren waarom Maria van Buren uit de Brederoderegisters geschrapt zou moeten worden.
 
Bron: Onvoltooide Roem, De eerste negen Heeren van Brederode, 1203-1473, Jan H. Verhoog, blz. 162-166
.
Overleden 1346.
Gehuwd circa 1325 met Maria van BUREN, geboren circa 1309.
Overleden.

IVa
Willem van BREDERODEdossierstukken, geboren circa 1290.
Overleden voor 1316, zoon van Dirk II "de Goede" (de Goede) van BREDERODE 3e Heer van Brederode (zie IIIa) en Maria van der LECKE.
Gehuwd (1) circa 1306 met Elsebee van KLEEF, geboren circa 1290.
Overleden 21 maart 1361, begraven Hörde, dochter van Dirk Loef II van KLEEF.
Relatie (2).
Uit het eerste huwelijk:
Uit de tweede relatie:
bastaardzoon Jan, geboren circa 1315.
Overleden na 1331.

Va
Dirk III van BREDERODE 5e Heer van Brederodedossierstukken, geboren circa 1308.
Overleden 11 november 1377, begraven Haarlem, zoon van Willem van BREDERODE (zie IVa) en Elsebee van KLEEF.
Gehuwd (1) circa 1334 met Beatrix van VALKENBURG, geboren circa 1318.
Overleden 1354, begraven Rijnsburg, dochter van Reinoud I van VALKENBURG heer van Valkenburg, Montjoie, Sittard, Susteren en Burgenbach en Maria van BAUTERSHEM.
Relatie (2).
Uit het eerste huwelijk:
Walraven (zie VIb).
Dirk, geboren circa 1340.

Dirk was ridder. Hij overleed kinderloos in 1387.
In 1869 schreef Van Brederode dat deze Dirk kinderloos is gestorven. Dit kan hem ingegeven zijn om de mogelijkheid af te grendelen dat er naast de zijtakken, die alle van Walravens bastaardzoon Dirk Walraven afstammen, nog een andere zijtak zou kunnen bestaan.
 
NB De onderscheidene bronnen zijn niet eenstemmig betreffende het al of niet kinderloos overlijden van de derde zoon Dirk.
Van de oude bronnen vermeldt alleen Boekenberg in 1537 het kinderloos overlijden waarin hij door Voet in 1656, Van der Aa in 1854, Van Brederode in 1869 en tenslotte door Dek in 1959 wordt nagevolgd.
 
= GEBOORTEJAAR - Het geboortejaar van Dirk kan benaderd worden uit zijn eerste optreden in 1356. Hij zal toen de leeftijd van tenminste 14 jaar bereikt hebben en derhalve geboren zijn in ca. 1340/42.
 
= DIRK IN BRABANT - In 1356 nam Dirk, tezamen met zijn vader Dirk, deel aan de oorlog tussen Brabant en Vlaanderen.
 
Dirk en Vlaanderen - Er is enige relatie aan te wijzen tussen Dirk van Brederode en graaf Lodewijk II van Male van Vlaanderen (+ 1384).
Dirks oudste broer Heer Reinoud I was graaf van Gennep en heeft uitgebreid steun verleend aan Machteld van Gelre bij haar erfstrijd om Gelre. Haar vader Reinoud III van Gelre (+ 1371) was een zwager van graaf Lodewijk II van Male van Vlaanderen (+ 1384).
Beide vrouwen waren resp. de zusters Maria en Margaretha, dochters van Jan III van Brabant (+ 1355). De grootmoeder van Dirk was een zuster van hertog Reinoud I van Gelre (+ 1326).
Het is denkbaar dat men elkaar heeft ontmoet of dat deze relatie een reden was om diensten te vragen of aan te bieden.
Er is geen aanwijsbare familierelatie tussen Brederode en de hertogen van Brabant.
 
= DIRK IN VLAANDEREN - Dirk heeft in 1379 een wapenfeit op zijn naam gebracht in de binnenlandse twisten in Vlaanderen in de tweede helft van de 14e eeuw. Ridder zijnde, was hij waarschijnlijk met eigen manschappen opgeroepen door hertog Albrecht van Beieren, die met een strijdmacht de Vlaamse graaf Lodewijk II van Male te hulp kwam in diens strijd tegen de Gelderse legerbenden.
Nu bijna het gehele graafschap in de macht van de Gentenaren was, achtten zij zich sterk genoeg voor een aanval op de vesting Dendermonde (ten oosten van Gent), waarover graaf Lodewijk II van Male zelf het bevel voerde.
 
Op een morgen in oktober 1379 vielen de Gentse belegeraars, die deels per schip naar Dendermonde vervoerd waren, onder aanvoering van Raso van Liedekerke zo onverwacht op de stad Dendermonde aan, dat de aanval gelukt zou zijn, ware het niet dat Dirk van Brederode met moed en inzicht had ingegrepen.
Hij had met een kleine onder zijn gezag staande groep de wacht op de wallen betrokken. Hij wist bij de bestorming van de stadsmuur door de vijand daar ter plaatse zijn mannen zodanig te bezielen dat zij tegen de overmachtige aanvallers lang genoeg konden standhouden totdat graaf Lodewijk II met zijn gehele garnizoen te hulp schoot.
Na een langdurig en bloedig gevecht werden de belegeraars met zware verliezen afgeslagen. Dendermonde was gered want de vijand trok af naar de kampementen bij Oudenaarde.
 
Twisten in Vlaanderen - Toen na de slag van Poitiers in 1357 een periode van stilstand in de Honderdjarige oorlog tussen Engeland en Frankrijk volgde, kwamen de Vlaamse steden door de sterk oplevende handel tot grote bloei.
Helaas ontstonden weer ernstige binnenlandse onlusten tussen naijverige machtige handwerkersgilden onderling en dito tussen de grootste handelssteden Gent en Brugge. Vooral Gent liet zich gelden zodat de situatie uitliep op een vrijwel open oorlogstoestand die zich ook richtte tegen het openbare gezag van de Vlaamse graaf Lodewijk II van Male.
Bij de vaak verwoestende veldtochten van de Gentenaren gelukte het hen een groot deel van het omliggende land onder hun gezag te brengen. De steden Oudenaarde, Aalst en Dendermonde behoorden hier niet bij.
Na twee jaar eindigde deze burgeroorlog, waarmee de naam Artevelde verbonden is, met het verjagen van graaf Lodewijk II uit Vlaanderen en met de overwinning op Brugge ten koste van duizenden doden en verbrande steden.
Vijf dagen lang waren voerlieden en schippers bezig de in Brugge geroofde oorlogsbuit naar Gent te vervoeren.
 
Bron: Jan H. Verhoog; Onvoltooide Roem. De eerste negen Heeren van Brederode 1203-1473, blz. 263-264
.
Overleden 1387.
Willem heer van Waalwijkdossierstukken, geboren circa 1346.
Overleden 1389.
Uit de tweede relatie:
Dirk van VALKENBURG (bastaardzoon?).

Dirk van Valkenburg - In de eerste helft van de 14e eeuw leefde er een Dirk van Valkenburg (Valkenburg in Zuid-Holland) die blijkens zijn wapen een bastaard van Brederode was. Hij werd op 17 november 1347 'vrij' verklaard, dus niet meer in 'dienstmansverband' staande met de graaf.
Zijn vrouw Agatha bezat als grafelijk leen een jaarrente van 10 pond op 'Aernts hoeve van Berkenrode' in 's Gravenzande. Hun zoon Willem Dirkszn. van Valkenburg kreeg op 19 april 1356 verlof deze jaarrente te verkopen uitgezonderd de lijftocht (vruchtgebruik en weduwerente) die zijn moeder Agatha daarop had. Na haar dood is deze lijftocht op 24 december 1377 aan hertog Albrecht teruggevallen.
Willem Dirkszn. van Valkenburg noemt Arend van Berkenrode zijn oom. Hij of zijn vrouw moeten dus deze rente op de Berkenrodehoeve bij een boedelscheiding verkregen hebben. Agatha hertrouwde met Jan van Hillegom.
Genoemde Willem Dirkszn. van Valkenburg bezat'... die husinge, hofstede en Ikant daertoe behorende, gelegen in onsen (graaf Jan van Bloys/+ 1381) heerlijkheid van Beverwijk, in 't Vrijtgers...'. Deze Willem droeg op 26 november 1365 zijn leengoed in verkoop over aan zijn bloedverwant Heer Floris III van Adrichem, baljuw en rentmeester van graaf Jan van Bloys (+ 1381).
Dit leengoed was reeds gedurende enige generaties als erfpacht in bezit van Willem van Valkenburg en zijn voorouders. Het werd door graaf Jan van Bloys omgezet in een onversterfelijk leen waardoor het Willem mogelijk werd het als persoonlijk bezit te verkopen.
Ter plaatse van genoemde 'husinge' in Heemskerk is in het derde kwart van de 14e eeuw het thans nog bestaande kasteel Adrichem gebouwd.
 
Bron: Jan H. Verhoog; Onvoltooide Roem. De eerste negen Heeren van Brederode 1203-1473, blz. 266.


VIa
Reinoud I van BREDERODE 6e Heer van Brederodedossierstukken, geboren circa 1336.
Overleden 1390, zoon van Dirk III van BREDERODE 5e Heer van Brederode (zie Va) en Beatrix van VALKENBURG.
Gehuwd circa 1366 met Jolanda van GENNEP vrouwe van Gennep vrouwe van Eem, geboren circa 1348.
Overleden 29 maart 1413, dochter van Jan II van GENNEP en Johanna BOTH van der EEM.
Uit dit huwelijk:
Dirk, geboren circa 1368.

Dirk was als oudste zoon de rechtmatige erfgenaam en opvolger als Heer van Brederode. Dirk zag af van zijn eerstgeboorterecht.
Hij '... versmade die werlt mit al haer weelden, sich daer van afsonderende...' en trad volgens gebruik in die tijd in 1389 als reddiet (alles achterlatende) en wel als lacicus-redditus of eenvoudige lekebroeder in het bekende kartuizerklooster Monnikhuizen bij Arnhem.
 
= GEBOORTEJAAR - Dirk nam in 1389 het uitermate belangrijk besluit om in het klooster te gaan. Men mag aannemen dat hij stellig zwaarwegende persoonlijke motieven had voor zijn belangrijke beslissing en daarvoor zeker ca. 20 jaar oud was. Zijn geboortejaar te stellen is op ca. 1368.
 
= BEGIFTIGING - Op 10 augustus 1387 wordt vermeld, dat aan Dirk door hertog Willem I van Gulik en Gelre jaarlijks 150 oude schilden wordt toegezegd in ruil voor door zijn vader REINOUD verleende tolvrijdom in Gennep.
 
= ERFRECHTEN - In plaats van Dirk volgde zijn broer Jan in 1390 op als Heer van Brederode. Dirk was in tegenstelling tot zijn 3 broers Jan, Walraven en Willem geen deelgenoot in de erfenisregeling van zijn moeder Jolanda.
Dat hij door zijn keus voor het klooster verviel van zijn erfrechten, blijkt uit de beschikking uit 1394 van zijn moeder Jolanda van Gennep waarin niet zijn naam, maar wel van zijn 3 broers wordt genoemd.
Toch werden hij en zijn klooster na het overlijden in 1413 van zijn moeder niet vergeten. Zijn oom en tante Heer Johan van Loon, Heinsbergen en Lewenberg (+ 1438) en diens vrouw Margaretha van Gennep, zuster van zijn moeder, schonken op 9 december 1413 aan het kartuizerklooster in Zeelhem, waar Dirk in 1389 was ingetreden, een voeder (één wagenvracht) uitgezochte wijn van hun wijnbouw in Hunff in het land van Lewenberg.
 
Klooster Monnikhuizen - Dit bekende Arnhemse klooster, ook 'Domus Gelri' genoemd, behoorde tot de kartuizer Rijnprovincie. Het werd in 1342 gesticht door graaf Reinoud II van Gelre 'de Zwarte' (+ 1343), naar men zegt als verzoening voor het door hem vergoten bloed tijdens de veldslag in 1328 bij Hasselt tegen Luik. Op zoek naar een geschikte plaats zou hij een oude man hebben ontmoet die hem aanwees waar men in de nacht geestelijke liederen kon horen zingen. Hij liet daar het klooster bouwen en begiftigde het rijk uit zijn bezittingen.
Het was het eerste Nederlandse kartuizerklooster met een dubbel aantal van 24 monniken, (conventus duples).
De Gelderse hertogen voelden zich steeds nauw met dit klooster verbonden en vertoefden er veel. In de kerk ervan werden in 1371 zowel hertog Eduard van Gelre als hertog Reinoud IV van Gelre, deze met schild en wapen als laatste mannelijke nakomeling van zijn geslacht, bijgezet alsook in 1400 hertogin Catharina van Gelre van Beieren.
Het Germanisches Nationalmuseum in Neurenberg bezit een drieluik uit ca.1500 waarop behalve het kartuizerklooster in Geertruidenberg ook het klooster Monnikhuizen is afgebeeld. Naar men meent, is de steen op de Stenen Tafel in Arnhem afkomstig van het op deze plaats gebouwde klooster.
 
Kartuizerorde = STICHTING - De orde werd gesticht door Bruno, geboren ca.1030 in Keulen. Hij studeerde aan de kathedraalschool in Reims waarvan hij in 1056 tot lector werd benoemd. Hij was eerst kanunnik in Reims en daarna in 1080 in Keulen. Hij was welgesteld en beschikte over eigen huis en bedienden.
Van een benoeming in 1080 tot bisschop zag hij af en verkoos zijn verdere leven in eenzaamheid en gebed door te brengen. Met een tweetal volgelingen sloot hij zich omstreeks 1082 aan bij een aantal kluizenaars in het klooster van Molesnes.
Wegens toename van het aantal kloosterbewoners verkoos hij met een groep navolgers zich op een nieuwe plaats te vestigen die hem door de bisschop van Grenoble werd aangewezen nabij deze Franse stad. Het was een onherbergzaam gebied met de naam Chartreuse waaruit de naam kartuizer/cartusianus ontstond.
De monniken voegden hun afzonderlijke kluizenaarshuisjes samen tot de Grande Chartreuse dat tot middelpunt van de orde zou uitgroeien. De orde was in feite een reactie op de toenemende welvaart, die niet alleen aan de steden en de hogere standen ten deel viel, maar ook was doorgedrongen in de grote kloosters zoals die van Cluny bij Parijs.
 
= UITBREIDING - Na de eerste vestigingen in de Provence en Bourgondie verspreidde de orde zich over geheel Frankrijk en in geringere mate over Engeland en Duitsland. Na 1250 vestigde de orde zich in zuidelijk Duitsland waarna omstreeks 1300 de uitbreiding van daaruit overging naar midden-Duitsland, midden-Italië en in 1288 naar Valenciennes in de zuidelijke Nederlanden.
Het eerste kartuizerklooster in Holland werd in 1336 gesticht bij Geertruidenberg door Willem van Duvenvoorde (+ 1353), die door zijn huwelijk met Heilwich van Vianen (+ 1351) deel ging uitmaken van het geslacht Vianen.
In 1342 kwam het bekende klooster Monnikhuizen bij Arnhem tot stand, in 1392 het klooster Nieuwlicht bij Utrecht.
 
= ORDE-REGELS - De regels van de stichter Bruno die men eerst volgde, werden in ca.1125 vastgelegd en in 1271 met wijzigingen als basis aangenomen. Na een eeuw volgde een herziening als Nova Statuta, die anderhalve eeuw gehandhaafd bleef en dus bij Dirks verblijf in het klooster van kracht was. Een eindversie verscheen in 1581.
De kloosters waren gegroepeerd in provincies met Chartreuse als middelpunt. Per klooster was een prior het hoofd, met een procurator en een vicaris. De monniken droegen een witte pij van ruwe prikkelende stof. Zij dienden te kunnen lezen en schrijven en ontvingen hiertoe onderricht en schrijfbenodigdheden. De kartuizers hechtten sterk aan bezit, studie, verspreiding van boeken en het maken van manuscripten. Dat Jan van Brederode zich met Franse devotieteksten bezig hield, is redelijk waarschijnlijk.
Behoudens beperkte ontheffing op zondag gold een streng spreekverbod, waarvoor trouwens nauwelijks tijd overbleef.
Behalve de vet- en vleesloze maaltijden waren wekelijks 3 vastendagen. Van september tot Pasen was er één dag- maaltijd, in de heilige weken van slechts water en brood.
 
= KLOOSTERSTICHTING - Men vestigde een klooster bij voorkeur in een afgelegen streek. Op een ommuurd terrein woonde elke monnik in een huisje. Zij beschikten over meer ruimte dan lekebroeders met één woonruimte. Verder waren er een kerk, dienstgebouwen en een keuken.
Er werd geen zware buitenarbeid gedaan. Alle aandacht was gericht op het bezig zijn binnenshuis.
De bouw van een kartuizerklooster kostte door de losse huisjes meer dan één groot kloostergebouw met celkamers.
Een kartuizerklooster meestal gesticht door enkele personen tezamen, tenzij een stichter voldoende eigen kapitaal had zoals bij het klooster in Geertruidenberg.
Gebruikelijk was een klooster met 12 kluizenaarshuisjes, een dubbel-klooster telde 24 huisjes zoals bij Arnhem.
Als reden voor het stichten van een klooster golden in het algemeen devotie-overwegingen, memorie-motieven of het doen van boete voor bijv. een zware mentale schuld.
 
= REDDIET - Kloosterlingen die omwille van hun gezondheid of om andere redenen het leven als monnik te zwaar vonden, konden kiezen voor de mildere vorm van reddiet. De reddieten, waarvan het aantal zo klein mogelijk gehouden werd, stonden in beperkte mate onder de algemene gelofteregels, maar waren niet gebonden aan een voortdurend verblijf in de kloostercel of binnen dé kloostermuren.
Als een soort kloosterknecht of oblaat droeg de reddiet een eenvoudige pij en nam met lichte arbeid deel aan verzorgende taken. Men onderscheidde clerici-redditi en lacii-redditi. De clerici-redditi volgden ten dele het strenge monnikenleven. Als koormonniken werkten zij mee aan de koordiensten en aten meestal in de refter. Ze hielden beperkte vastenregels aan. Ze hadden geen stem in het kapittel en konden geen priester worden of een ambt bekleden.
De clericus-redditus, wiens dag minder gevuld was met devotieplichten, besteedde zijn overige tijd aan algemene geestelijke arbeid zoals studie, koorzang, schrijven en de materiële verzorging van het religieuze gebeuren.
Voor wie de taken van de clerici-redditi nog te zwaar waren, kon lacicus-redditus ofwel lekebroeder worden. Naast het volgen van de meest eenvoudige kloosterregels werd door de lekebroeder in hoofdzaak lichte handenarbeid verricht. De lacicus-redditus stond in rang lager dan de clericus-redditus.
 
Bron: Jan H. Verhoog; Onvoltooide Roem. De eerste negen Heeren van Brederode 1203-1473, blz. 299-300.

Overleden in het kartuizerklooster bij Diest 1415, begraven aldaar.
Jan 7e Heer van Brederodedossierstukken, geboren circa 1372.
Overleden gesneuveld bij Azincourt in Frankrijk 25 oktober 1415.
Gehuwd circa 1390 met Johanna van ABCOUDE erfdochter van Abcoude.
Overleden Wijk bij Duurstede 10 januari 1411, dochter van Willem van ABCOUDE heer van Abcoude, Gaesbeeck en Wijk bij Duurstede en Maria van WALCOURT.
Willem, geboren 1380.
Overleden Frankrijk 1451.
Gehuwd 1403 met Margaretha van MERWEDE erfdochter van Merwede en Stein.
Overleden Frankrijk 1451, dochter van Daniël VII van MERWEDE heer van Merwede, Stein, Poelwijk en Leerambacht en Margaretha van HEIJNEN.

VIIa
Walraven I van BREDERODE 8e Heer van Brederode, geboren circa 1376.
Overleden gesneuveld Gorinchem 1 december 1417, begraven Vianen, zoon van Reinoud I van BREDERODE 6e Heer van Brederode (zie VIa) en Jolanda van GENNEP vrouwe van Gennep vrouwe van Eem.
Gehuwd huw. voorwaarden 11 augustus 1414 met Johanna van VIANEN erfdochter van Vianen, Ameide en Herlaer, geboren circa 1380.
Overleden Vianen 18 april 1418, begraven aldaar, dochter van Hendrik van VIANEN heer van Vianen, Ameide en Herlaer en Heilwich van HERLAER erfdochter van Ameide vrouwe van Herlaer.
Uit dit huwelijk:
Gijsbrecht (zie VIIIb).
Walravine (zie VIIIc).

VIIIa
Reinoud II van BREDERODE 9e Heer van Brederodedossierstukken, geboren Vianen circa 1415.
Overleden aldaar 16 oktober 1473, begraven aldaar, zoon van Walraven I van BREDERODE 8e Heer van Brederode (zie VIIa) en Johanna van VIANEN erfdochter van Vianen, Ameide en Herlaer.
Gehuwd (1) huw. voorwaarden 18 november 1445 met Yolande van LALAINGdossierstukken, geboren Henegouwen circa 1427.
Overleden 15 augustus 1497, begraven Vianen, dochter van Willem van LALAING en Jeanne de CRÉQUY van BUGNICOURT.
Relatie (2).
Uit het eerste huwelijk:
Josina, geboren Vianen circa 1447.

JOSINA van Brederode - De oudste dochter jonkvrouw Josina trad in de tweede helft van het jaar 1478 als non in het klooster Jeruzalem' bij Utrecht.
Nadat in juni van dat jaar uitspraak gedaan was over het weinig goede bewind van Reinier van Broekhuizen over Vianen en daarna Vrouwe weduwe Yolande zich mismoedig in haar woning te Utrecht had teruggetrokken, werd besloten tot het intreden van jonkvrouw Josina in het klooster.
Josina is in genoemd klooster overleden.
 
= GEBOORTE- EN STERFJAAR - Als eerstgeborene kan Josina in ca.1447 geboren zijn, binnen 2 jaar na het huwelijk van haar ouders op 18 november 1445.
Bij haar intrede in het klooster had zij kennelijk zonder huwelijkskansen de leeftijd van ca. 30 jaar bereikt. Haar sterfjaar is onbekend.
 
Bron: Jan H. Verhoog; Onvoltooide Roem. De eerste negen Heeren van Brederode 1203-1473, blz. 486.

Overleden in het Jeruzalemklooster bij Utrecht.
Johanna, geboren Vianen circa 1451.

JOHANNA van Brederode - De tweede dochter was Johanna. Op initiatief van het hof van Bourgondië was Vrouwe Yolande in het voorjaar van 1477 met haar kinderen naar Gent gereisd met het doel hen voor te stellen aan hertogin Maria van Bourgondië (+ 1482).
Als gevolg van dit bezoek werd jonkvrouw Johanna, zij het wellicht niet direct, aangesteld als overste kamenier bij hertogin Margaretha van York. Na verloop van lange tijd ging het hoofse leven Johanna uiteindelijk tegenstaan. Zij verliet de wereld met al haar geneugten en trad (ca. 1495?) als non in het clarissenklooster in Gent.
Zij overleed aldaar in 1500.
 
GEBOORTEJAAR - Johanna kan in ca. 1451 geboren zijn. Bij het bezoek aan hertogin Margaretha van Bourgondië in 1477 was zij derhalve ca. 26 jaar oud, zonder evenals haar zuster Josina een huwelijk aan te gaan.
De tamelijk hoge leeftijd van 26 jaar bij haar plaatsing aan het Bourgondische hof en de mededeling dat zij lange tijd deze functie heeft vervuld, kunnen de reden zijn dat zij wellicht spoedig na haar komst op het hof werd aangesteld in de toezichthoudende en regelende functie van hoofd van de kameniersters.
Bij haar overlijden kan zij ca. 49 jaar oud zijn geweest.
 
Bron: Jan H. Verhoog; Onvoltooide Roem. De eerste negen Heeren van Brederode 1203-1473, blz. 486)
.
Overleden als non in het Clarissenklooster bij Gent.
Walravina (zie IXa).
Anna, geboren Vianen circa 1460.

ANNA van Brederode - De vierde dochter was jonkvrouw Anna, ook Johanna genoemd. Zij is na 1478 jong overleden.
Haar moeder Yolande nam haar in 1477 als jong meisje van ca. 17 jaar mee naar het kasteel in Santpoort, deels als gezelschap en deels als hulp.
 
= GEBOORTEJAAR - Anna kan niet later dan in ca. 1460 geboren zijn, 2 jaar voor haar in 1462 geboren broer Walraven II. Het is niet zinvol haar geboortejaar veel vroeger te stellen, omdat zij vermeld wordt als jong gestorven. Toen zij met haar moeder Yolande in 1477 meeging naar Santpoort zal zij ca. 17 jaar zijn geweest, derhalve niet zo jeugdig als Jan van Leiden doet vermoeden. Zij overleed jong na 1478 op ca. 18 jarige leeftijd.
 
Bron: Jan H. Verhoog; Onvoltooide Roem. De eerste negen Heeren van Brederode 1203-1473, blz. 487
.
Overleden Santpoort na 1478.
Frans, geboren Vianen 4 februari 1465.

FRANS van Brederode - Jonker Frans werd als tweede zoon geboren op de dag na Sint Blasiusdag van 4 februari 1465. Frans is in 1478 op 13-jarige leeftijd evenals zijn oudere broer Walraven aan de Hogeschool te Leuven als student in allerlei 'ridderlijke' wetenschappen ofwel 'letteroefeningen' ingeschreven. Hij heeft de colleges ongeveer 10 jaar gevolgd, totdat hij in 1488 de universiteit verliet.
 
Universiteit in Leuven = STICHTING - In de 15e eeuw nam het stichten van universiteiten meer en meer toe en verkreeg een systematisch karakter.
Iedere souverein of regionale vorst en elk stadsbestuur wilde een eigen universiteit hebben, want dat droeg bij aan het aanzien van souverein en land of stad en had ook economisch een belangrijke uitstraling.
In de eerste helft van de Middeleeuwen werden de armen van de universiteiten geweerd en bij voorkeur de adel toegelaten. De universiteiten namen het leefpatroon van de adel over, met praal en kostbare tradities.
In begin 15e eeuw veranderde dit, wat ook de reden was dat Leuven als vestigingsplaats werd gekozen in de plaats van Brussel, dat een in die tijd beruchte studentensamenleving niet binnen haar muren wilde hebben.
Leuven was omstreeks 1400 de officiële hoofdstad van Brabant, tot Brussel deze ereplaats innam.
In de Nederlanden was men eerst aangewezen op de universiteiten in Parijs, Orleans en Bologna voor de studie van rechten en behalve Parijs ook Genêve en Rome voor theologie. Op verzoek van de burgers van Leuven en op aanraden van graaf Engelbert I van Vian- den, Nassau en Brabant (+ 1442) kreeg de onbekwame hertog Jan IV van Brabant (+ 1427), tweede echtgenoot van gravin Jacoba van Beieren (+ 1436), op 9 december 1425 van paus Martinus V (+ 1431) verlof een universiteit in Leuven te stichten, toen een stad van 20.000 zielen.
De stichtingsoorkonde dateert van 7 november 1426. Na deze eerste universiteit in de Nederlanden volgde Leiden in 1575 als tweede, gesticht door prins Willem I (+ 1584).

Leuven begon met de faculteiten Kunsten, Rechten en Geneeskunde met totaal 12 professoren. In 1432 volgde Godgeleerdheid als vierde faculteit.= PAUS ADRIAAN - Het is niet onwaarschijnlijk, dat de gebroeders Walraven en Frans van Brederode aan de Leuvense universiteit college gelopen hebben bij de latere enige Nederlandse paus Adriaan VI (+ 1525), die aldaar als hoogleraar werkzaam was.
Adriaan Floriszoon, geboren op 2 maart 1459 in Utrecht, volgde één van de 9 Latijnse scholen in Leuven, voor hij als 17-jarige op 1 juni 1476 werd ingeschreven in de faculteit des Artes. Dit was een volledige 2-jarige cursus met 7 vakken ter voorbereiding op de hogere studies in de rechten, theologie etc. Van 1478 - 1490 was Adriaan docent in het Falconiscollege voor filosofie, dialectica en ethica, terwijl hij gelijkertijd theologie studeerde waarin hij in 1491 de graad van doctor behaalde.
Volgens Jan van Leiden werden de broers Walraven II en Frans tegelijk in 1478 in Leuven ingeschreven, in hetzelfde jaar derhalve waarin Adriaan zijn docentschap vervulde. Ook Walraven en Frans zullen aan de 2-jarige voorbereidingscursus hebben moeten deelnemen zodat zij, wellicht incidenteel, onder het gehoor van hoogleraar Adriaan gezeten kunnen hebben. Na ongeveer 2 jaar, ca. 1481, hebben zij een keuze moeten maken voor een hoofdfaculteit, die waarschijnlijk wel de rechten geweest zal zijn. In 1488 verliet Frans de universiteit in verband met de zgn. Jonker Fransenoorlog.
Walraven was reeds eerder dan zijn broer Frans, waarschijnlijk incidenteel, naar Vianen teruggekeerd wegens familietwisten alsook de aanvaarding van zijn bewind aldaar in medio 1478.
Adriaan, inmiddels kardinaal, werd in 1522 gekozen als paus met de naam Hadrianus VI en overleed wegens algemene zwakte en ziekte in 1523 in Rome.
Hij was een groot geleerde en vanaf 1507 vele jaren opvoeder en leermeester van keizer Karei V (+ 1559).
Tijdens zijn pontificaat trachtte hij hervormingen in de kerk door te voeren, maar zijn vroegtijdig overlijden verhinderde een goede doorwerking van zijn gedachten.
 
= GRAFMONUMENT - Zijn voor een paus passend groot en fraai grafmonument in de kerk van Santa Maria del! Anima in Rome werd door toegewijde zorg van een vriend opgericht.
Het bevindt zich tegenover het vanwege de symmetrie veel te grote, zeer fraaie grafmonument van de in 1575 op 20-jarige leeftijd in Rome gestorven Kleefse student en erfopvolger Karel Frederik van Kleef.
Deze erfprins was een ver verwant familielid van Elsebee van Kleef (+ 1361), de vrouw van Willem van Brederode (+ 1316).
 
Frans werd op 3 april 1488 aangezocht als 'opperste kapitein' van de Hoeken op te treden in het verzet tegen hertog Maximiliaan I.
De hierna optredende opstand werd naar hem de Jonker Fransenoorlog genoemd. In november 1488 overmeesterde hij vanuit Sluis de stad Rotterdam. Na tal van gevechten werd hij op 23 juli 1490 bij Brouwershaven zwaar gewond en gevangengenomen.
Frans overleed op 11 augustus 1490 op 24-jarige leeftijd als gevangene in de Putoxtoren in Dordrecht. Hij was ongehuwd.
(Zie voor de Jonker Fransenoorlog hieronder).
Op 22 februari 1488 zegelt Frans ten behoeve van zijn broer Walraven, bij gelegenheid van diens huwelijk met Margaretha van Borselen (+ 1492), een schuldbekentenis.
Deze betreft een door de Ogers verstrekte lening tegen een jaarrente van 50 Rijnse gulden met de goederen en domeinen van Walraven in de Heerlijkheid Callensoog als onderpand. Helaas is het zegel van Frans nagenoeg verdwenen.
De hem betreffende tekst in de oorkonde is als volgt: '... Ende zoe ick, Fransschoys, brueder tot Brederoede dit aldus geern tot willen van den edelen mijnen lieven brueder, heer tot Brederoede voirscreven, mede overgegeven ende belieft hebben, soe heb ick mijnen segel hier mede aengehangen bij den zegel van mijnen lieven edelen brueder voirscreven. ...'.
 
Bron: Jan H. Verhoog; Onvoltooide Roem. De eerste negen Heeren van Brederode 1203-1473, blz. 488-490.
 
Jonker Fransenoorlog
 
Inleiding Jonker Frans, zoon van REINOUD, werd in 1488 op 23-jarige leeftijd verzocht als aanvoerder op te treden van de naar Sluis in Zeeuws-Vlaanderen gevluchte Hoeken. Hij staakte daartoe zijn studie aan de universiteit in Leuven en leidde vanaf 1488 de vergeefse laatste Hoekse opstand tegen de Kabeljauwen en het Habsburgse gezag. Hij sneuvelde in 1490. Met deze verloren strijd kwam in 1492 een einde aan de 150 jaren geduurd hebbende Hoekse en kabeljauwse twisten.
In deze vierjarige Jonker Fransenoorlog was FRANS als leidende figuur actief met zijn halfbroers Walraven/R en Hendrik/R, bastaardzonen van REINOUD en zijn drie halfneven Joris/G, Walraven/G en Anthonie/G, bastaardzonen van zijn oom Gijsbrecht de domproost, jongere broer van zijn vader Reinoud.
 
NB Ten aanzien van WALRAVEN bestaat enige onzekerheid, omdat hij wellicht dezelfde is als de Walraven die nog in 1507 en 1513 voorkomt. De terechtgestelde Walraven zou Hendrik kunnen zijn, een bastaardzoon van Gijsbrecht van Brederode. Voet noemt Walraven en Hendrik.
In navolgend verslag is de navolgende naamvaststelling aangenomen: Walraven II is de oudste zoon van Reinoud; de halfbroers Walraven/R en Hendrik/R zijn bastaardzonen van Reinoud; de halfbroers Joris/G, Walraven/G en Anthonie/G zijn bastaardzonen van Gijsbrecht; Reinier van Broekhuizen is een zoon van Walravine, de enige zuster van Reinoud.
 
In 1724 is een zeer uitgebreide beschrijving van de Jonker Fransenoorlog verschenen van de hand van Kornelis van Alkemade, die op zijn beurt gebruik maakte van een door de priester Willem van der Sluys van de St. Laurenskerk in Rotterdam als ooggetuige gelijktijdig genoteerd verslag. Dit originele verslag is helaas verloren gegaan.
Van Alkemade heeft, zoals hij zelf opmerkt, dit verslag naar eigen goeddunken aangevuld en bewerkt. Met reden mag getwijfeld worden aan de volledige waarheidsgetrouwheid van een en ander.
Genoemde beschrijving onder de titel 'Rotterdamse Heldendaden onder de stadvoogdij van den jongen Heer Frans van Brederode; genaamt Jonker Fransen Oorlog' wordt hieronder in hoofdzaak gevolgd voor zover een en ander in relatie staat tot bovenvermelde Brederodes.
 
Citaat over Frans van Brederode: '... Maar Frans was van een ander karakter. Met zijn donkere oogen zag hij zijne moeder aan. 'Moeder', sprak hij, 'als ik groot ben, zal ik u helpen; ik zal voor u vechten, en het bloed van mijnen vader wreken'. Zijne moeder sloot hem in hare armen en hervatte: 'nu, mijn kind, word maar eerst een braaf en dapper ridder, dan zult gij wel aan uwe vijanden toonen, dat het bloed der Hoekschen onverbasterd door uwe aderen vloeit...'.
 
Aanleiding - Na het sneuvelen op 5 januari 1477 van hertog Karel de Stoute laaiden de Hoekse en Kabeljauwse twisten in verhevigde mate op. De Hoeken zagen in het wegvallen van een sterke figuur als landsheer hertog Karel en het aantreden van de onervaren jonge hertogin Maria van Bourgondië nieuwe kansen om tot actie over te gaan.
In vele steden werden de Kabeljauwse besturen met of zonder geweld vervangen door een Hoekse magistraat. Een poging in Rotterdam in 1479 van stadhouder Wolfert VI van Borselen (+ 1487) om beide partijen tot elkaar te brengen, mislukte geheel en zelfs werd hij door de Hoeken met geweld uit de stad verdreven en moest hij uitwijken naar Zeeland.
De ongeregeldheden liepen tenslotte uit op een voortdurende confrontatie van het in hoofdzaak Hoekse Utrecht met het in hoofdzaak Kabeljauwse Holland dat onder bescherming stond van stadhouder Johan III van Egmond van Holland.
In het najaar van 1483 werden de Hoeken definitief uit Utrecht verdreven. Zij zochten grotendeels hun toevlucht in de stad Sluis in Zeeuws-Vlaanderen, waar slotvoogd Filips van Kleef weerstand bleef bieden tegen aartshertog Maximiliaan I van Oostenrijk, die hem in de rijksban had gedaan.
Om des te sterker tegen Maximiliaan te kunnen optreden, bood Filips van Kleef in Sluis een schuilplaats aan de Hoekse edelen en hun aanhangers die sinds hun verdrijving uit Utrecht zwervende waren.
Niet van zins lijdzaam te blijven, zochten de vele in en rond Sluis samengestroomde groepen Hoeken naar mogelijkheden tot verzet.
 
Filips van Kleef - Graaf Filips van Kleef werd geboren in 1456 bij Tornhout als zoon van graaf Adolf van Kleef van Ravenstein (+ 1492) en diens 1e vrouw Beatrix van Portugal (+ 1462). Hij huwde in 1485 met Francisca van Luxemburg (+ 1523), een dochter van graaf Peter van Saint Pol.
Filips van Kleef was graaf van der Mark en Heer van o.a. de Heerlijkheden Enghien, Breskenszand en Ravenstein met Herpen.
Op aanraden van de oude hertog Johan I van Kleef van der Mark had hertogin Maria van Bourgondië bijna haar hand gegeven aan de nog jonge Filips van Kleef. Zij kenden elkaar reeds een aantal jaren, omdat beiden naar gebruik aan het Franse hof waren opgevoed.
Hertogin Maria overleed na een ongeval in 1482. Zij werd opgevolgd door haar enige en nog jonge zoon hertog Filips de Schone. Tot zijn meerderjarigheid werd het regentschap werd waargenomen door zijn vader aartshertog Maximiliaan I.
Bij diens verblijf in 1481-1483 in Holland was Filips van Kleef door hem aangesteld als stadhouder in de zuidelijke Nederlanden en als hoofd van een regeringsraad van hoge edelen.
In de Nederlanden was gedurig veel verzet tegen de Bourgondische overheersing, vooral in Vlaanderen waar de grote steden Gent en Brugge zonder ophouden streden voor eigen zelfstandigheid. Zelfs was Maximiliaan bij een bezoek aan Brugge daar gevangengezet. Na het sluiten van een verdrag in mei 1488 kwam hij vrij, zij het tegen drie gijzelaars. Hierbij was zijn beste veldoverste Filips van Kleef die in Gent werd vastgehouden.
Deze liet evenwel weten dat hij zich tegenover Maximiliaan zou stellen indien deze het verdrag zou schenden. Maximiliaan I schond inderdaad het verdrag.
Zijn troepen sloegen bij hun terugtocht naar Duitsland direct in Vlaanderen aan het plunderen, wat door Filips van Kleef als een ernstige eedbreuk werd beschouwd.
Hij organiseerde gewapend verzet tegen het leger van Maximiliaan, die hij met hulp van de Fransen tot voorbij de universiteitsstad Leuven naar het oosten achterna joeg.
Later bezette hij tezamen met Franse legergroepen een groot gedeelte van de Vlaamse kust en veroverde hij de stad Sluis.
Jarenlang voerde graaf Filips, die inmiddels door Maximiliaan I in de rijksban was gedaan, actie tegen de vreemde overheersing en voor vrijheid van de Vlaamse gewesten. Tenslotte moest hij in 1492 in hertog Albrecht van Saksen (+ 1500) zijn meerdere erkennen.
Als slotvoogd van Sluis moest hij deze stad met het kasteel als laatste bolwerk tegen vrije aftocht opgeven. Filips nam dienst in het Franse leger. Later werd hij veldheer en slotvoogd in Italië.
Een bijkomend gevolg van zijn gewapende tegenstand was, dat hij in 1491 op het kapittel van het Gulden Vlies in Mechelen door Maximiliaan I werd gepasseerd. Wel vond in 1478 bij het aantreden als hertog van de meerderjarig geworden Filips de Schone verzoening plaats tussen Maximiliaan en de opstandige Filips. In 1494 werd hij door Maximiliaan aan de Friezen voorgesteld naast hertog Albrecht als een mogelijke potestaat.
Na de dood van de Utrechtse bisschop David in 1496 was hij voor de anti-Bourgondische partij candidaat voor de opengevallen bisschopszetel, maar hij verloor tegen¬over de Bourgondisch gezinde Frederik van Baden.
Hij was een leermeester van de jonge keizer Karel V (+ 1559) en schreef voor hem in 1519 een verhandeling over oorlogsvoering.
Filips van Kleef, '... Gods vriend en der wereld vijand ...', stierf op 28 januari 1528. Zijn titel van Heer van Ravenstein (N.Brabant) verviel aan hertog Johan III van Kleef, Gulik en Berg (+ 1539).
Filips bezat een voor die tijd grote boekencollectie, waarbij ca.160 handschriften. Hij heeft enkele fraaie gebedenboeken voor zich laten vervaardigen.
Sluis - Na vele jaren van binnenlandse gewapende onenigheden in Vlaanderen werd tenslotte na een 3-jarige oorlog die 200.000 levens had gekost, in januari 1386 de Vrede van Doornik gesloten.
Met de bedoeling de rust in Vlaanderen te waarborgen, liet hertog Filips de Stoute van Bourgondië (+ 1404) over geheel Vlaanderen sterke steunpunten inrichten.
Reeds een jaar eerder had hij opdracht gegeven de uit 1385 daterende burcht in Sluis uit te bouwen tot een uitzonderlijk groot en sterk kasteel naar het model van de Bastille in Parijs. Het kasteel stond aan de oostelijke oever van het Zwin.
Aan de overkant liet hij een geheel nieuw vestingwerk bouwen dat de naam van Toren van Bourgondië kreeg. De hertog had voor deze doeleinden zijn Heerlijkheid van Béthune ingeruild tegen de Heerlijkheid Sluis van Heer Willem van Namen.
De burgerij van Sluis werkte ijverig mee aan de spectaculaire versterking van Sluis, die een doorn in het oog was van de ook aan het Zwin gelegen stad Brugge.
Sluis had in de Zwinmonding ruime gelegenheid voor ligging van schepen, wat in de Jonker Fransenoorlog meermalen goed van pas kwam.
Als laatste Hoekse stad in de Nederlanden werd Sluis in 1492 door hertog Albrecht II van Saksen na twee maanden beleg ingenomen.
Van zeezijde werd de stad ingesloten door een vloot van 47 Hollandse en 12 Engelse schepen.
De val op 12 oktober 1492 van de dapper door de stadsvoogd Filips van Kleef verdedigde stad werd bespoedigd door het uitbreken van brand met hierop volgende explosies van de kruitopslag.
Filips van Kleef en de Hoekse aanvoerder Heer Jan van Naaldwijk (+ 1492) met hun aanhangers verkregen vrije aftocht en begaven zich in eerste instantie en noodgedwongen naar Frankrijk.
Het grote kasteel werd in 1794 door de Fransen onder generaal Moreau door buskruit
Plannen - Een aantal leden van het Hoekse aanvoerende geslacht Brederode bevond zich einde 1487 in Sluis, nl. de halfbroers Walraven/R en Hendrik/R, bastaardzonen van Reinoud, en de halfbroers Joris/G de slotvoogd van Batestein in Vianen, Walraven/G en Anthonie/G, bastaardzonen van Gijsbrecht de domproost en broer van Reinoud, alsmede Reinier van Broekhuizen.
Onder de Hoekse edelen die zich tezamen in de Jonker Fransenoorlog verbonden tot de strijd, waren Jan IV de laatste Heer van Heemstede, Floris van Heermael, Jan van Jaarsveld, Heer Johan III van Montfoort en Aquoi (huwde 2e Charlotte van Brederode/1529, nicht van Frans), Zweder van Montfoort (van Dorenweerd?), Jan van Naaldwijk (+ 1492), Gerard van Nievelt, Heer Gerrit VI van Poelgeest (+ 1518), Cornelis van Treslong en Jan van Vliet.
Na onderling overleg met andere Hoekse aanvoerders kwam men in februari 1488 tot het besluit hoe dan ook tot daden over te gaan. Men wendde zich tot Filips van Kleef, de vermogende en invloedrijke slotvoogd van Sluis en overlegde met hem hoe met de beste kans van slagen tot actie zou kunnen worden overgaan. Al snel kwam men tot het besluit in ieder geval een aanvoerder aan te stellen, die algemeen erkend zou worden en aan wiens gezag men zich zou willen onderwerpen. Als eerste zou in aanmerking kunnen komen Walraven II, zoon van Reinoud en Yolande van Brederode en de 8e Heer van Brederode.
Deze had evenwel kort tevoren vrede gesloten met aartshertog Maximiliaan I die hem bovendien in 1486 in Aken bij diens kroning tot rooms-koning tot ridder had geslagen (Zie p.5). Hij kon derhalve niet worden aangezocht als leider van tegen de nieuwe rooms-koning gerichte acties.
Eenparig achtte men daarom diens jongere broer als meest geschikt persoon, de 23-jarige jonker FRANS van Brederode, die ca.10 jaar tevoren in 1478 in Leuven als student aan de universiteit aldaar was ingeschreven en ook daar woonde.
Hij was '... na syn jaren van goeder verstande ende genegen tot doorluchtygen staet...', m.a.w. men was zich kennelijk wel bewust van zijn adellijke afkomst en van mening dat deze omstandigheid in de komende strijd zonder twijfel van nut zou zijn. Ook FRANS was niet ongenegen dit te laten blijken.
Er werd een delegatie samengesteld om hem te bezoeken en de vraag voor te leggen of hij zijn studie zou willen afbreken en leiding geven aan een nieuw Hoeks initiatief. De delegatie bestond uit Jan van Naaldwijk, Zweder van Montfoort en Walraven/R, halfbroer van FRANS, later aangevuld met nog enkele edelen. Niet dan na veel tegenwerpingen stemde FRANS op 3 april 1488 toe en ging via Antwerpen met hen mee naar Zeeland. Na enkele maanden waarschijnlijk in oktober 1488 in Sluis aangekomen, werd hij met gejuich ontvangen als redder in de nood.
FRANS werd vrijwel direct aangesteld als 'opperste Kapitein'. Hij motiveerde zijn optreden door te zeggen, dat hij als 'stadhouder generaal' alleen de wapens opnam ten dienste van de destijds onder de voogdij van diens vader Maximiliaan I van Oostenrijk staande jonge hertog Filips de Schoone, om deze te beschermen tegen de Hollanders en de rooms-koning. Bovendien wilde hij niets liever dan zich op de Kabeljauwen wreken omdat deze zijn vader zo schandelijk hadden behandeld.
 
Kaapvaart - Nu door de Hoekse leiders in Sluis een begin was gemaakt met het opzetten van nieuwe plannen, stroomden van alle kanten, in hoofdzaak uit Holland alsook uit Vlaanderen, mannen naar Sluis die zich bij de hergroepering wilden aansluiten. De politieke toestand in Holland dat onder stadhouder Jan III van Egmond geheel in Kabeljauwse handen was, noodzaakte velen zich vrijwillig of gedwongen in ballingschap te begeven. Hun aantal in de stad Sluis nam dermate toe, dat het niet meer mogelijk bleek alles in goede banen te leiden zodat een chaos dreigde te ontstaan.
Door de leiders FRANS en Jan van Naaldwijk werd besloten tot daadwerkelijke aanvallen over te gaan in de vorm van kaapvaart op de Hollandse en Zeeuwse wateren met ten dele eerst buitgemaakte schepen, waarvoor een groot aantal manschappen ingezet kon worden. Behalve het effect van een boycot van de door Kabeljauwen bestuurde Hollandse gewesten was de kaapvaart een noodzakelijk kwaad geworden vanwege de opbrengst ervan, die aangewend kon worden voor de instandhouding van de samengebrachte Hoekse groeperingen. Voor deze kaapvaart werden door FRANS kaperbrieven uitgereikt.
Het gelukte reeds in de eerste zomer een groot aantal vaak goed beladen schepen aan te houden en op te brengen naar Sluis, waar deze rijke buit op welkome en aanzienlijke wijze bijdroeg aan de inkomsten van de Hoeken. FRANS bemachtigde o.a. een aantal Leidse met wol en schapenvellen beladen schepen hetgeen voor de lakenstad Leiden een groot nadeel betekende.
Toch was deze gang van zaken weinig naar de zin van FRANS omdat de kaapvaart hem tegen de borst stuitte en hij niet als zeerover te boek wilde staan. Bovendien zou het op deze manier nimmer gelukken enige vaste voet in Holland te krijgen, wat minstens nodig was om het Kabeljauwse bewind omver te werpen. Hij besloot een einde te maken aan de wilde scheepskapingen en een georganiseerd aanvalsplan voor een inval in Holland op te stellen en uit te voeren.

Aanval op Rotterdam - FRANS deed een goed uitgeruste vloot samenstellen. Zijn bedoeling was hiermee een aanval uit te voeren op het vaste land van zuidelijk Holland en zo mogelijk in het bijzonder op Rotterdam, toen een stad met slechts ruim 3000 inwoners.
Op 20 november 1488 vertrok vanaf de stad Sluis de 48 schepen omvattende vloot, bemand met ca. 2000 Hollanders en Vlamingen. De vloot voer via het Zwin en de Westerschelde verder bij vloed tussen Walcheren en Zuid-Beveland noordwaarts door een ongebruikelijke waterweg die later het Jonker Fransengat genoemd werd, door de Bornisse tussen Voorne en Putten naar de Maas en tot iets voorbij Schiedam.
Door de bijzonder vroeg ingevallen winter was de Maas door de zware ijsgang helaas nauwelijks bevaarbaar, zodat de Hoeken met hun vloot niet verder vorderde dan tot Schoonderloo tussen Delfshaven en Rotterdam waar men in de nacht aankwam.
FRANS besloot de vloot hier te laten liggen en zette een leger van 800 man aan wal dat hij in twee groepen verdeelde, een groep onder bevel van hemzelf met Jan van Naaldwijk, Cornelis van Treslong en Jan van Vliet en een groep onder bevel van Steven van Nieveld en Hendrik en Willem Willemszn.
Voordat de aanval op de stad ingezet zou gaan worden, sprak hij zijn mannen toe. Hij legde hen uit dat het bezit van Rotterdam uitermate belangrijk was en dat er zonder twijfel in deze grote handelsstad een rijke buit te halen zou zijn. Voor het geval dat de aanval op een mislukking zou uitlopen, zou met de gereedliggende vloot naar Sluis teruggekeerd kunnen worden.
Als aanvalsplan legde FRANS uit, dat de bestorming van de stad over de dichtgevroren grachten ingezet zou worden. De tegenvaller van de ijsgang op de rivier werd zodoende goed gemaakt met de meevaller van de bevroren grachten, waardoor immers nu niet over dikke muren geklommen behoefde te worden om in de stad te kunnen komen.
Een eerste kleine legergroep van 150 man werd gevormd die onder bevel van Cornelis van Treslong in de nacht van 20 op 21 november optrok langs de Schiedamse dijk (thans kade Leuvenhaven) en over het ijs naar de zuidwesthoek van de stad.
Omdat de versterkingen verwaarloosd waren, bereikten de mannen gemakkelijk de stadsmuur bij de ruïne van het kasteel Bulgersteyn aan de monding van de Rotte, en kwamen via de bevroren gracht over de muur achter de Schiedamse poort.
Zij openden de poortdeuren waarna het aan de buitenkant wachtende aanvalsleger ongehinderd kon binnentrekken. De sluimerende poortwachters waren inmiddels overmeesterd.
Het bij Delfshaven achtergebleven legerdeel dat onder direct bevel stond van FRANS en Walraven/R, werd nu ontboden en tezamen trokken de twee legers snel de stad in. Toen de legergroep van FRANS bij het versterkte blokhuis kwam, dacht hij ook dit bij verrassing te kunnen innemen, maar deze opzet mislukte. De wacht bespeurde onraad en sloeg alarm, waarop de Hoeken gedwongen werden een gevecht aan te gaan met de in het blokhuis gelegerde manschappen. Omdat deze gering in aantal bleken, werden zij al spoedig door de veel grotere Hoekse legergroep overmeesterd en gevangengenomen.
De tweede legergroep bezette in dezelfde tijd zonder moeite de spuisluis, de grote markt en het stadhuis, zodat in één nacht de hele stad vrijwel zonder strijd in handen van het Hoekse leger was gevallen. FRANS liet ter versterking ook de nog op de vloot achtergebleven mannen in de stad komen waarmee nu het gehele leger van 2000 man in de stad was. De Kabeljauwse stadsbestuurders en hun aanhangers werden gevangengezet of verbannen. Heer Willem van Reimerswaal, baljuw van Rotterdam en Schieland, bevreesd geworden door de Hoekse dreiging, wist met zijn gezin in het geheim de stad te ontvluchten en nam de wijk naar Zeeland.
De in de havens afgemeerde en vastgevroren Keulse, Brabantse en Engelse schepen werden met lading en al verbeurdverklaard en inbeslaggenomen. De inwoners van de stad en hun eigendommen werden met rust gelaten omdat het om de stad op zich ging en de aanval niet bedoeld was door plundering buit binnen te halen.
FRANS stelde allereerst orde op de regering van de stad. Hij werd erkend als stadsvoogd en had als zodanig het bestuur van de stad in handen en de mogelijkheid de burgers werk op te dragen ter versterking van de stadsverdediging. Door gezamenlijke inspanning werden schansen en bolwerken opgeworpen wat door de strenge koude een zwaar werk bleek te zijn. Desondanks kwam het binnen 5 weken op 2 januari 1489 zo ver gereed dat daarop geschut geplaatst kon worden.

Aanval op Schiedam en Schoonhoven - Het succes van de Brederodes met de verovering van Rotterdam deed vele Hoeken, maar ook lieden van laag allooi en profiteurs uit geheel Holland naar deze stad trekken, die door de grote toevloed al spoedig overbevolkt dreigde te worden.
 
= SCHIEDAM - Een legergroep onder bevel van Cornelis van Treslong werd op 4 december 1488 ingezet voor een uitval naar Schiedam dat dank zij een hinderlaag veroverd werd. Een groot aantal Hoeken had zich in een boomgaard verscholen en viel de Schiedammers onverhoeds in de rug aan, waarna deze hals over kop naar de stad vluchtten.
Bij deze uitval naar Schiedam sneuvelden 6 Schiedammers en werden 12 gevangenen alsmede een grote buit door de Hoeken in triomf meegevoerd naar Rotterdam.
 
= SCHOONHOVEN - Intussen wist baljuw Fredeik van Zevender van Schoonhoven die door de Kabeljauwen vandaar verjaagd was en op 6 december in Rotterdam was aangekomen, FRANS te bewegen een grote vloot van 42 ten dele uit Sluis afkomstige schepen met totaal 1000 soldaten uit te rusten voor een aanval op Schoonhoven. Onder het opperbevel van Jan van Naaldwijk werd het bevel over dit leger groepsgewijs gevoerd door de gebroeders Walraven/G en Anthonie/G.
De strikt geheim gehouden tocht waarvan alleen de bevelhebbers met het doel bekend waren, werd op 7 december bij mistig weer uitgevoerd. Over de Lek werd naar Schoonhoven gevaren waar nabij het kasteel Liesveld in de duisternis van de avond aan wal werd gegaan, terwijl een deel de stad in roeiboten benaderde. Ondanks de zorgvuldige voorbereidingen mislukte de overval. De inwoners verzetten zich in een tien uren durende strijd uit alle macht tegen de aanvallers, die tenslotte met verlies van 250 doden en gewonden en van een aantal schepen de strijd moesten opgeven.
De stedelingen staken overal grote vuren aan om ook in de reeds ingevallen nacht de aanvallers te kunnen vervolgen. Hierbij vielen vele Hoekse schepen met buit en veel bestormingsgereedschap in hun handen, ook omdat een aantal schepen in de modderige ondiepten aan de oever was vastgelopen.
De volgende morgen om 9 uur keerden de resterende 750 mannen teleurgesteld terug in Sluis waar zij vriendelijk werden ontvangen en verzorgd.

Gewapende uitvallen - Onder leiding van jonker Frans trachtten de Hoeken vooral om belangrijke steunpunten in de omgeving van Rotterdam in handen te krijgen om een dreigend isolement van Rotterdam te voorkomen.
 
= DELFSHAVEN - Ondanks de nederlaag bij Schoonhoven bleven de Hoeken doorgaan met het uitvoeren van aanvallen op rond Rotterdam liggende plaatsen en kastelen, zoals op 18 december 1488 Delfshaven, Schoonderloo, Maasland en Schiedam.
In het toen welvarende Delfshaven vielen veel schepen en huizen ten prooi aan plundering, verwoesting en brand. De haven met sluizen, spuien en hoofden werd grondig vernield. Het gevolg was dat de welvaart voor lange tijd verloren raakte eer de totale schade van 12.000 kronen was hersteld en de schulden waren ingehaald.
Op de terugweg werd ook het plaatsje Schoonderloo door de troepen van FRANS platgebrand.
 
= WOERDEN - De meest belangrijke verovering was die op 27 december van het kasteel van Montfoort in Woerden, uitgevoerd onder aanvoering van Jan III van Montfoort.
Dit onder beheer van Arend van IJsselstein staande slot had slechts één wachter en werd gebruikt als voorraad-arsenaal en centraal punt voor de acties in midden Holland. Vanuit dit slot ondernamen de Hoeken aanvallen tot aan Hoorn toe.
Ondanks deze veroveringen bleef FRANS uiterst waakzaam. Hij vernam dat andere steden zich tegen hem begonnen te keren en versterkingen aantrokken.
Verder bereikte hem het bericht, dat volgens slotvoogd Filips van Kleef uit Sluis aartshertog Maximiliaan I in aantocht was. Deze was naar Holland gekomen en had besloten in ieder geval de steden Rotterdam en Montfoort met het kasteel aldaar desnoods met geweld in zijn bezit te stellen.
 
I= IJSSELMONDE - Zelf ondernam FRANS met 300 man op 24 schepen vanuit Rotterdam een strooptocht over de Maas naar het kasteel IJsselmonde dat hij met het gelijknamige dorp op 6 januari 1489 veroverde.
Vandaar kon men de via de Maas, Lek en IJssel naar Gouda en Schoonhoven langsvarende schepen aanhouden en overmeesteren, wat voor die steden veel schade en ongerief betekende.
 
= KRIJGSRAAD - Op 7 januari, in de avond dat de vloot was teruggekeerd van een aanval op het dorp Maasland, bracht Zweder van Montfoort het bericht dat hertog Maximiliaan I van Oostenrijk op deze dag in Schoonhoven was aangekomen en het plan had alle Hoeken door strijd uit te schakelen.
FRANS hield een langdurig krijgsberaad met de zijnen waarin besloten werd zich met alle middelen tot het uiterste te verzetten. Rotterdam werd verder versterkt en van zo veel mogelijk proviand voorzien. Verder werd door een groep van 400 ruiters onder bevel van FRANS op 8 januari uitgebreide plundertochten ondernomen naar Hillegaardsberg, Benthuizen, Zegwaard en Zoetermeer en een groot aantal omliggende kleinere plaatsen om zijn tegenstanders voor te zijn met het binnenhalen van buit. Inmiddels vernam hij dat aartshertog Maximiliaan I, die regent was voor zijn 10-jarige zoon Filips de Schone, op deze dag in Haarlem was aangekomen.

Maximiliaan I in Holland - Op zijn eerste rondreis als graaf van Holland had Maximiliaan op 18 januari 1489 in Leiden aan de daar vergaderde Staten aangekondigd dat vóór alles Rotterdam heroverd diende te worden. Hij schreef hiertoe in hoofdzaak de Kabeljauwse steden aan met een oproep tot een algemene heervaart naar Delft. Het was zijn bedoeling in deze stad een leger samen te stellen en van hieruit een aanval te beramen op Rotterdam. Ook een heervaart naar Montfoort lag in de bedoeling. De stad Haarlem mocht wegens haar benarde omstandigheden de plicht tot heervaart met een ronde som afkopen.
Een deel der steden kreeg tot taak de rivieren in zuidelijk Holland te beveiligen, de andere steden brachten hun gewapende burgers bijeen in Schiedam.
 
= HULP UIT UTRECHT - FRANS onderkende de bedenkelijke toestand en vaardigde zijn halfbroer Walraven/R af naar Utrecht, waar zij bij de hun bevriende relaties moesten trachten hulp aan manschappen en materiaal te verkrijgen voor de dreigende aanval vanuit Delft. Bij zijn terugkomst nam Walraven/R vanuit Montfoort zijn halfbroer Hendrik/R en zijn halfneef Joris/G mee naar Rotterdam. Inmiddels was Maximiliaan in Delft aangekomen waar hij op 1 februari alle rechten en goederen van de Rotterdammers verbeurdverklaarde.
 
= JORIS GEVANGENGENOMEN - Desondanks ging FRANS door met zijn strooptochten. Bij een gewaagde uitval naar Delfshaven op 1 februari met 150 man in 4 roeiboten sneuvelden door een hinderlaag 60 van zijn mannen. Zij vielen onverhoeds in een valkuil, die over de gehele breedte van de weg was gegraven en met lakken, riet en stenen afgedekt.
Bij een hierna op 6 februari volgende wraaktocht met 300 man op 9 roeischepen onder bevel van Joris/G en Daniël Lepeltak voer men op 6 februari over de Maas tot bij de welvarende dorpen Rhoon en Portugaal en het grafelijk jachthuis Valkenstein, waarbij zonder pardon geplunderd, gemoord en gebrand werd.
De bewoners van de overvallen dorpen en van het platteland werden gedwongen de geroofde buit zelf met eigen paard en wagen door de modderige diepe wegen naar de schepen van de Hoeken te brengen. Onderweg werden schuren en boerderijen in brand gestoken. Dit zag men vanuit het aan de overkant van de rivier liggende Schiedam, vanwaar men met manschappen uit de stad onder bevel van de hoofdman Wijtenhorst de geplaagde bewoners te hulp kwam door de Maas over te steken en de Hoekse benden te verjagen.
Vrijwel alle Hoekse strijders sneuvelden of werden gevangengenomen. Ook Daniël Lepeltak en Joris/G die met nog 50 man in een modderkreek vastgelopen, werden door de Schiedammers gevangen meegevoerd.
 
= FRANS ALS STADSVOOGD - De buit en het van de gevangenen verkregen losgeld brachten tezamen zoveel op, dal FRANS zich als stadsvoogd een vorstelijke levenswijze kon veroorloven en ook zijn aanhangers zich niet onbetuigd lieten in het opmaken van de vaak rijke buit.'... Trompette, claroenen, herpen, luyten vele. Rethorike, musyke, alrehande melodye, quamen altijt over syne tafel spelen. Daer hy sat in coninclyke ghesmye (= kledij) ...'.
FRANS gedroeg zich ook als een ware bevelhebber. Hij verstrekte zgn. 'sauvegarden' of vrijgeleides aan de inwonenden van kloosters in de omgeving van Rotterdam, d.w.z. brieven waarin hij zijn troepen verbood deze instellingen te plunderen of te verbranden. Deze brieven voorzag hij van een persoonlijk lakzegel waarop een zwijnshoofd voorkwam boven twee te midden van vuurvonken kruislings liggende takken, met het opschrift 'ARDENT DEFIR', een wapenembleem van Brederode dat hem goed van toepassing leek.
Uit Schiedam, waar onlusten waren ontstaan door de inkwartiering van manschappen van aartshertog Maximiliaan, liepen 3 bevelvoerders over naar FRANS in Rotterdam en kwamen met hem overeen Schiedam in zijn handen te spelen. Met een list keerden de 3 mannen weer in Schiedam terug waar men doende was een grote legermacht bijeen te brengen.
 
= BRIEF AAN KAPITTEL VAN UTRECHT - FRANS schreef zelfs een brief aan de deken en het kapittel van de Domkerk in Utrecht. Hierin verzocht hij aan de kapittelheren van Utrecht om de oude bisschop David van Bourgondië in rechte te vervolgen vanwege hetgeen deze aan de gebroeders REINOUD en Gijsbrecht van Brederode had aangedaan. Het kapittel was niet onder de indruk van dit schrijven en reageerde er niet op.
 
Belegering van Rotterdam - In februari 1489 besloot de naar Dordrecht vertrokken aartshertog Maximiliaan I over te gaan tot een belegering van Rotterdam. Met manschappen uit de Hollandse steden Haarlem, Leiden, Amsterdam, Naarden, Muiden, Weesp en Den Haag stelde hij in Schiedam een groot voetleger van bijna 17.400 man samen, alsmede 2200 ruiters en een groep in Dordrecht gelegen uitheems krijgsvolk.
Het leger stond onder bevel van stadhouder Heer Jan III van Egmond, Heer van Purmerend, baljuw Willem van Boshuizen van Rijnland en voormalig slotvoogd van Woerden en de Zeeuwse Kabeljauwse hoofdleider Heer Maarten van Polhain, Baarland en Ter Nisse. Met dit leger sloot hij op 9 februari de stad aan landzijde af zodat niemand meer in of uit kon. Ook aan de havenzijde was de stad door 4 grote oorlogsschepen met burgers uit Dordrecht, Den Briel, Vlaardingen en Gouda afgesloten.
Na enige tijd moesten deze echter uitwijken voor het ijlings opgestelde geschut van de Hoeken in de belegerde stad. Frederik van Zevender achtte het raadzaam zijn slot IJsselmonde te ontruimen en legerde zich met zijn manschappen en goederen in Rotterdam.
FRANS voorzag een mogelijk beleg van Rotterdam en had uit omliggende dorpen veel proviand in de stad gebracht. Hij liet de verdedigingswerken versterken, zette rondom dubbele wachten uit en kondigde de staat van beleg af.
 
= UITVAL NAAR SCHIEDAM - Ondanks de omsingeling gelukte het FRANS op 8 februari en 9 februari enkele kleine uitvallen naar Schiedam en Overschie uit te voeren. Bij Schiedam nam hij op 11 februari een vendel ruiters van Maximiliaan gevangen die hem na scherp verhoor vertelden, dat de Schiedammers zeker niet op de hand van de Kabeljauwen waren en die hem toezegden na goede afspraken de stad in zijn handen te kunnen overleveren.
Behalve veel ingekomen Hollandse poorters lagen in Schiedam ook Kleefse huurlingen in bezetting waarmee FRANS in het geheim in verbinding stond. In de stad heerste onenigheid tussen de burgers en de gewapende huurlingen die door de 3 naar de Hoeken overgelopen en in de stad weer teruggekeerde ruiters zoveel mogelijk werd aangewakkerd.
Bij een uitval op 13 februari naar Delfshaven raakten de Hoeken bij Oudeschie in felle strijd met 400 voetknechten, die door de Rotterdammers verloren werd. Toen in Schiedam het aanvalsleger van Maximiliaan was samengesteld, stuurde men een potsenmaker naar FRANS in Rotterdam om hem het bericht te brengen dat het nu een geschikte tijd zou zijn voor een aanval op Schiedam. Na krijgsberaad besloot FRANS met 800 man onder bevel van de halfbroers Walraven/G en Anthonie/G in de avond van 14 februari via Delfshaven naar Schiedam op te trekken. Naderbij gekomen, hoorde men hevig schieten in de stad. Hierdoor verontrust en ontmoedigd, keerde men onverrichterzake en ontmoedigd in de nacht in Rotterdam terug. Later bleek helaas, dat door een misverstand het gevecht in de stad een uur te vroeg was begonnen zodat alles verkeerd ging.
Het was zelfs gelukt de twee gevangenen Hoekse bevelhebbers Joris/G en Daniël Lepeltak te bevrijden. Helaas werden zij op hun vlucht over de Maas door een vijandelijk wachtschip aangetroffen en in de nacht door Kabeljauwse Schiedammers langs een omweg naar Delft gevangen weggevoerd. FRANS wilde trachten hen beiden met een leger van 700 man onder bevel van Walraven/G en Anthonie/G uit Delft te ontzetten.
Dit plan lekte uit waardoor het leger op 15 februari in de val liep. Het wist na hevige gevechten aan de Schie bij Delft te ontkomen aan het 900 man sterke leger van de in Delft verblijvende stadhouder dat onder bevel stond van Willem van Boshuizen. Hoewel de Hoeken de vijand op de vlucht wisten te drijven, had men geen kansen gezien om het gestelde doel te bereiken.
Korte tijd hierna trad FRANS in geheime onderhandeling met enkele burgers uit Gouda die hadden getracht hem te overtuigen de stad over te leveren. Stadhouder Johan III van Egmond ontdekte dit en verijdelde de plannen, waarbij hij ter afstraffing 5 burgers liet onthoofden.

Veldtochten in de omgeving - In het belegerde Rotterdam begonnen de voedselvoorraden zorgwekkend te slinken. Het was meer dan nodig die aan te vullen vanuit de omgeving waar voldoende voedsel te vinden was. Een boodschapper uit Gouda, die op 27 februari was overgekomen met een verzoek aan FRANS tot overgave van Rotterdam, werd zonder meer teruggezonden.
 
= UITVAL NAAR HET WESTLAND - Op 6 maart 1489 vroeg in de morgen pleegde men met 1000 man een uitval via Oudeschie naar het Westland waar in soms bloedige gevechten met plunderen en brandschatten het land tot aan Delft en Den Haag toe werd geteisterd. Ondanks de sterke bezetting gelukte het aan FRANS de plaats Oudeschie in handen te krijgen.
 
= DEN HAAG - In Den Haag waar geen versterkte muren en wallen waren, werd op 8 maart op het slot Werve bij Rijswijk met FRANS een afkoopsom van maandelijks 2200 Rijnse gulden overeengekomen voor de duur dat hij in Rotterdam zetelde. Het verdrag werd getekend door de halfbroers Walraven/G en Anthonie/G van Brederode.
' Ook kloosters en derg. genoten tegen veel geld vrijwaring van roof, zoals de abdis van het klooster in Rijnsburg een vrijwaringsbrief kreeg:de goede, eerwaardige vrouwe in Gode, vrouwe van Rijnsburg mitsgaders hare onderzaten, vrijheid en veiligheid toe, ingaande 2 Mei tot Allerheiligenmisse toekomende van het jaar onzes Heeren 1489 ...'. FRANS verleende ook vrijwaringsbrieven in Delfland en Rijnland.
Na de regeling van het Haagse verdrag keerden de met buit en geld overladen Hoeken op 8 maart in Rotterdam terug, waarna op dezelfde dag in de omgeving van Vlaardingen, Maasland en Schiedam al brandschattend werd huisgehouden.
 
= ONDERHANDELINGEN IN KAPELLE - Na vele klachten bij de stadhouder over de onhoudbare toestand door de rooftochten, trachtte deze schriftelijk met FRANS tot overeenstemming te komen.
Na 5 dagen onderhandelen van 24-29 maart in Kapelle met de vertegenwoordigers van de stadhouder kwam men niet tot een vergelijk. Dit was ook het geval met Delft waar het ging over de vrijlating van de Hoekse gevangenen. Pas na het aanbieden van veel losgeld gaf FRANS op 30 maart een aantal Delftenaren de vrijheid terug. Bij de onderhandelingen in Kapelle bleef FRANS weigeren in te gaan op een voorstel tot een verdrag met de stadhouder, ook omdat deze niet wilde ingaan op de door FRANS in overmoed te hoog gestelde eisen.
Ook het voorstel van Den Haag om de opgelegde schatting met één bedrag af te kopen, wees FRANS van de hand Op 1 april betaalde Den Haag hem de tweede termijn van de afkoopsom. Inmiddels was Maximiliaan I naar Brabant vertrokken.

Geertruidenberg - Met de bedoeling een open verbinding vanuit Rotterdam met Brabant te verkrijgen, werd op 31 maart 1489 met 800 man onder bevel van Jan van Naaldwijk, Jan van Kroonenburg en Frederik van Zevender de stad Geertruidenberg ingenomen door het met bijlen en scheepsmasten openrammen van de stadspoort en het daarna bezetten van het stadhuis en de kerk.
Na enkele plundertochten in West-Brabant vanuit Geertruidenberg na midden april kwam op 25 april een einde hieraan door tussenkomst van de drost van Breda en het betalen van een afkoopsom van 2000 schilden ten laste van de burgers van Breda. Het gerucht dat uit het Duitse Saksen een groot leger in aantocht was, gaf FRANS aanleiding Geertruidenberg op 28 april te verlaten. Beladen met geld en roof keerde men in Rotterdam terug.
 
= GOUWE / VLAANDEREN - Onder aanvoering van Reinier van Broekhuizen gelukte het op 14 april de Gouwer sluizen tussen Alphen en Zwammerdam te vernielen wat veel ongerief voor het vervoer te water teweeg bracht.
Op 6 mei werd met een leger van 900 man de omgeving van Vlaardingen en het land van Voorne en Putten leeggeroofd vanwaar men na drie dagen in Rotterdam terugkeerde. Hierbij was het niet gelukt Vlaardingen in handen te krijgen.
 
= BESTAND VAN WOERDEN - De toestand in Woerden en Montfoort werd nijpend. Door tussenkomst van de stadhouder kwam op 11 mei in Bodegraven een bestand van drie maanden tot stand.
Door gebrek aan voldoende aanvoer was de voedselnood in Rotterdam hoog gestegen. FRANS weigerde de levensmiddelen onder de burgers te verdelen, omdat hij die alleen beschikbaar wilde stellen aan hen die daadwerkelijk aan de strijd deelnamen.

Strijd op de Lek en elders - Op 3 mei 1489 verliet FRANS met een leger van 900 man in de late avond de stad voor een verrassingsaanval op Schiedam. Na in de nacht bij Overschie de Schie te zijn overgestoken, maakte men zich strijdvaardig voor een stormaanval op de stadspoorten.
Enkele Schiedamse ruiters ontdekten de toeleg en sloegen alarm, waarna de stadswallen met extra manschappen werden bezet en een groep soldaten door de Kethelpoort de Rotterdamse aanvallers tegemoet trok.
De Schiedammers konden niet tegen het grotere Rotterdamse leger op en moesten na vergeefse strijd vele gesneuvelden en 80 gevangenen achterlaten. Zij weken terug naar Schiedam, hierbij achtervolgd door de mannen van FRANS die bij de Schiedamse poort door de burgerschutterij werd tegengehouden zodat het hem niet gelukte de stad te overmeesteren.
 
= AANVAL OP ROTTERDAM - Op 2 juni waagde stadhouder Jan III van Egmond met een grote vloot vanuit Schiedam een verrassingsaanval op Rotterdam. Bij de stad werd hij door de schepen van FRANS zo krachtig ontvangen dat hij na een bloedig gevecht met zijn vloot naar Schiedam moest vluchten.
 
= VOEDSELTOCHTEN - Het werd voor de Hoeken steeds moeilijker voldoende leeftocht voor de burgerij van Rotterdam en voor eigen manschappen aan te voeren. Voor het verkrijgen van voedsel besloot FRANS een vloot uit te rusten van ca.30 meest grote en 12 kleinere schepen met totaal 1400 man aan boord. Het bevel werd gevoerd door Jan van Naaldwijk, Frederik van Zevender, Jan van Kroonenburg en anderen. De vloot vertrok op 3 juni uit de haven van Rotterdam en voer in de richting van de Lek.
Het plan kwam evenwel de stadhouder ter ore. Met een overmacht aan schepen en manschappen bracht hij op 5 juni '... Sint Bonifaasdag ... de sonne begonst haarselven te laten sien op den 5 Juny in den morgen, als deze 2 groote vlooten met hare schepen malcanderen byquamen ...' de bij Streefkerk in de Alblasserwaard voor anker liggende Hoekse vloot een smadelijke nederlaag toe. Van de 1400 Hoeken weken 350 man onder Jan van Naaldwijk met veel moeite over land naar Montfoort uit, 400 man keerden in Rotterdam terug.
De Kabeljauwen brachten hun gevangenen en de veroverde schepen in zegepraal naar Dordrecht waar zij op 6 juni een dankdag hielden. In de zuidmuur van de kerktoren werd een gedenksteen gemetseld met het opschrift: 'Era Christi 1489 Juni 4 vicit Dort in Lecca. Halleluja.'
 
= GOUDA - MOORDRECHT - LEIDEN '96 Ook enkele groots opgezette veldtochten met totaal 1200 man op 7-8 mei naar Gouda, op 17-18 mei naar Moordrecht met het doel leeftocht uit het kasteel van Woerden op te halen en op 11-13 juni naar Leiden werden door de 2400 man sterke troepen van de stadhouder afgeslagen.
Hierbij werd op 14 juni het nabij de stad Leiden gelegen kasteel van de Hoek Gerrit van Poelgeest met de grond gelijkgemaakt. De aanvoerders Jan van Naaldwijk en Frederik van Zevender raakten gevangen en een hoeveelheid van 100 last voor Rotterdam bestemd graan ging verloren. De Hoeken leden grote verliezen want er keerden slechts 300 man terug in Rotterdam.
De verliezen in deze dagen waren zo groot, dat FRANS zich op 19 juni genoodzaakt zag de Hoekse bezetting uit Overschie, dat eerst in brand werd gestoken, naar Rotterdam terug te halen. Intussen gelukte het Frederik van Zevender uit zijn gevangenschap te ontsnappen. Hoewel Rotterdam was ingesloten door een leger van ruim 8000 man, gelukte het de benden van FRANS toch van tijd tot tijd uit te breken voor strooptochten in de omgeving.
 
Overgave van Rotterdam - Niet alleen binnen Rotterdam, ook in geheel Holland werd de algemene toestand door de plundertochten en de slechte voedselsituatie steeds zorgelijker.
 
= ONDERHANDELINGEN - De naar Dordrecht weggevoerde gevangengenomen aanvoerder Jan van Naaldwijk was op 19 juni door de Kabeljauwen tegen betaling van een klein bedrag als losgeld ontslagen onder voorwaarde dat hij zou trachten FRANS tot opgeven te bewegen. Hij werd hierbij door de gemachtigden van de grote steden gesteund. Zij ondervonden bij hun handel veel schade van de oorlog en hadden hierover op 21 juni 1489 bij de stadhouder hun beklag gedaan.
 
Op hun aandringen werd op 23 juni door de Kabeljauwse aanvoerder Maarten van Polhain aan de burgerij van Rotterdam een brief voorgelegd waarin stond, dat men in feite in opstand was tegen het wettige gezag en dat kwijtschelding van straf gegeven zou worden als men zich wilde voegen onder het openbare landsgezag.
De burgers haastten zich de brief aan FRANS ter hand te stellen. Hij liet de brief in het openbaar voorlezen waarop '... alle de borgeren ende ingesetenen voor syn logement gekomen in den morgenstont ende versochten seer ootmoedelicken dat hij met den stalmeester van den prinse wilde accorderen, want anders soo mosten syluyden van honger sterven en vergaen ...'. Hij gaf toe dat de toestand in de stad niet langer houdbaar was en dat er niets anders overbleef dan te gaan onderhandelen.
 
= VERDRAG VAN KAPELLE - Op 24 juni werd het verdrag afgekondigd dat op 23 juni na wederzijdse besprekingen in Kapelle tot stand was gekomen, met als inhoud dat FRANS de stad zou overleveren tegen vrije aftocht van hemzelf en zijn mannen, dat alle gevangenen vrijgelaten zouden worden, dat hij het geroofde geld mocht behouden maar al zijn wapens moest achterlaten en dat het een ieder vrij stond met FRANS mee te gaan.
 
De avond van deze dag werd door vriend en vijand tezamen in vreugde en vergevingsgezindheid vrolijk doorgebracht. De bezetting van Rotterdam door de Hoeken had 6 maanden geduurd.

Aftocht - Op 25 juni 1489 trok stadhouder Johan III van Egmond met 600 man Rotterdam binnen. Hij liet 18 grote schepen gereedmaken ten behoeve van de aftocht van FRANS en de zijnen. FRANS gaf op 26 juni de sleutels van de stad over in handen van de hoofdman Maarten van Polhain die op deze dag in de stad was aangekomen.
Zelf ging '... de heer FRANS van Breedenroode van Rotterdam te schepe op den 26 Juny in den jare 1489 ten clocke 3 uyren na de middach met eenen noortoostelijcken wint de Maas uyt, voorby den Briel ende soo voort de zeekant langhs na de stede van Sluys in Vlaanderen ...' waar hij op 30 juni aankwam en met open armen werd ontvangen. Zijn leger bestond toen uit 350 ruiters zonder paarden, 700 man te voet en 12 aanvoerders waaronder zijn halfbroer Walraven/R de drost van Hagestein en zijn beide neven Walraven/G en Anthonie/G, Dirk van Hodenpijl en Jan van Tetrode. Twee dagen na hun aankomst in Sluis voegden zich enkele Hoekse voormannen bij hen waarbij de op losgeld vrijgelaten hoofdaanvoerder Jan van Naaldwijk.
Verder werden door de Kabeljauwen alle Hoeken uit Holland verdreven die meestal naar Sluis togen. Hendrik/R keerde naar Utrecht terug, Reinier van Broekhuizen vertrok naar zijn woonplaats in Gelre.
In Delft werden in juli enkele aanvoerders door Maarten van Polhain namens de stadhouder door onthoofding terechtgesteld, waaronder Daniël Lepeltak, de gewezen procureur-generaal Andries Lepeltak, Gerrit Rooftas alsmede de Rotterdamse baljuw Joris/G, wiens hoofd naar Schoonhoven werd gezonden en aldaar op een staak boven de poort tentoongesteld.
Enkele laatste verzetshaarden van de Hoeken op het slot in Woerden en in de stad Montfoort die buiten het overgaveverdrag van Rotterdam waren gebleven, werden door hertog Albrecht van Saksen na 4 maanden bloedige strijd op 1 januari 1490 gebroken.

Vlootgevechten - Na de val van Rotterdam hadden de Hoeken uit Rotterdam en van elders, waarbij vele edelen, zich weer in Sluis verzameld.
De zeeroverij die men met toestemming van FRANS steeds was blijven bedrijven, werd uitgebreid voortgezet. Het was in feite nog de enige bron van inkomsten voor de Hoeken voor het kunnen uitvoeren van door hen te ondernemen acties.
FRANS die zich een ervaren aanvoerder getoond had, nam inmiddels voor zich de titel aan van Algemeen Stadhouder van Holland, Zeeland en Friesland in dienst van de jonge Filips de Schone
 
= GOEREE EN OVERFLAKKEE - FRANS liet in Sluis een vloot van 38 schepen uitrusten met totaal 1200 man waarmee hij op 2 juli 1490 uitvoer met als doel enkele plaatsen in Zeeland te veroveren. Onder zijn opperbevel stond een aantal aanzienlijken en edelen waarbij zijn halfbroer Walraven/R en zijn halfneven Walraven/G en Anthonie/G. De vloot voer naar de eilanden Overflakkee, Schouwen en Duiveland waar in de dorpen en op het platteland danig werd huisgehouden.
Hierna ging FRANS naar de stad Goedereede waar geen garnizoen lag en die evenals de Heerlijkheid Voorne tegen geld vrijwaringsbrieven had verkregen. Hij eiste in naam van de jonge graaf Filips de Schone de stad op, wat men weigerde. Met zware beschietingen bestormde hij de stad. Na 7 uur strijd bliezen de Hoeken met veel verlies de aftocht. Via een rooftocht in het land van Strijen kwam de vloot op 9 juli voor Dordrecht, waar op 12 juli Stadhouder Jan III van Egmond aankwam. Op 19 juli keerde de vloot naar Schouwen terug.
 
= BROUWERSHAVENSE GAT - Stadhouder Jan van Egmond liet in Dordrecht een leger van 3000 in hoofdzaak uit Zeeland afkomstige edelen met hun manschappen en een vloot van 86 schepen samenstellen waarover hijzelf het opperbevel op zich nam. De vloot voer op 21 juli naar Schouwen waar het op 23 juli in het Brouwershavense Gat tot een bloedige slag kwam met de veel kleinere vloot van FRANS.
De eerste zes uren bleef de strijd onbeslist. In de avond raakten 16 van de 38 Hoekse schepen bij Serooskerke aan de grond en waren de mannen genoodzaakt de strijd aan wal voort te zetten, want de stadhouder die de stranding zag, had daar ook manschappen aan wal gezet.
 
= JONKER FRANS GEVANGENGENOMEN - Bij deze gevechten raakte FRANS gewond aan het hoofd en kreeg hij een kogel in zijn been, maar hij wilde niet opgeven. Liever dan in de handen van de Kabeljauwen te vallen, sprong hij gewond en al te water om op deze wijze al zwemmend te ontkomen.
Hij werd evenwel door enkele boten achterhaald, aan boord gebracht en aan land gekomen vervolgens gevangen weggedragen. Ook de halfbroers Walraven/G en Anthonie/G werden gewond gevangengenomen.
Toen de Hoeken dit bemerkten, werden zij dermate ontmoedigd dat zij op de vlucht sloegen. Hierbij werden velen van hen in de achtervolging gedood.
De vloot onder bevel van Jan van Naaldwijk en Walraven/R moest het eveneens opgeven en wist uit het Brouwershavense Gat via Zierikzee naar het zuiden uit te wijken, waarna het gehavende leger op 28 juli met 9 schepen en 380 man in Sluis terugkeerde.
Totaal waren er 340 Hoeken gesneuveld. De aanzienlijke buit en de gevangenen, waarvan FRANS de belangrijkste was, werden door zijn vijanden in triomf naar Dordrecht gevoerd.
De stad Zierikzee werd voor het doorlaten van de Hoekse vloot later zwaar gestraft.
 
= OVERLIJDEN FRANS - In Dordrecht werd FRANS opgesloten in een dievencel van de Boudijn Putoxtoren. Hij beweek op 11 augustus 1490 'daags na Sint Laurensdag' op de leeftijd van 24 jaar aan zijn verwondingen. FRANS werd zonder enige eer en familie of vrienden in de Augustijner kloosterkerk begraven, '... ten Augustijnen slechtelijck sonder stoet beaerd ...', alwaar voor hem een grafmonument werd opgericht.
De overige gevangenen werden deels in Dordrecht berecht, deels in Leiden en andere steden waar zij vandaan kwamen. De halfbroers Walraven/G de drost van Hagestein en Anthonie/G werden met ongeveer 12 gevangenen in Dordrecht op 16 augustus de dag na Maria Hemelvaart, met het zwaard terechtgesteld.
 
 
Intussen was het uiteindelijk aan hertog Albrecht van Saksen gelukt het kasteel in Woerden te veroveren

Laatste acties - De plaats van Frans, die aan zijn wonden bezweken was, werd als aanvoerder van de Hoeken in Sluis overgenomen door Jan van Naaldwijk.
 
= ROOFTOCHTEN - Hij rustte eveneens een vloot uit waarmee hij in juni 1491 langs de Noordzeekust via Zandvoort naar het noorden voer tot aan Friesland toe, onderweg enkele kleine vissersplaatsen plunderende waarbij op 12 juni 1491 Wijk aan Zee in de as werd gelegd.
In het Marsdiep bracht hij grote schade toe aan daar in- en uitvarende handelsschepen. In Sneek bleef zijn vloot liggen vanwaar hij met behulp van 300 Friese Schieringers naar Stavoren wilde om vandaar Holland aan te vallen. Later zag hij van dit plan af en zond het krijgsvolk naar huis.
Om een eind te maken aan de Hoekse acties, viel stadhouder Jan III van Egmond met een vloot met 3000 man de Hoeken in Friesland aan, maar hij moest na hevige strijd de aftocht blazen.
Het gelukte de Hoeken om de eilanden Texel en Wieringen door list te bezetten vanwaar zij het West-Friese platteland bestookten. Ook hielden zij de over de Zuiderzee varende handelsschepen tegen, waardoor in noordelijk Holland een groot voedselgebrek ontstond. Mede hierdoor brak er grote ontevredenheid uit onder de bevolking die uitliep op het Kaas-en broodoproer (Zie k.6). Er waren '... eenige murmuracien onder tgemeen volck van Hollant ende Vrieslant, ende noch meer gescapen was te coemene, indien daerinne niet wiselick voirsien en worde, mits dat zij neeringeloes stille zittende zijn sonder huer broet te winnene ende coepmascepe te doen, waeromme die voirszegde gemeente begeren pays te makene mit heren Philips van Cleve ...'.
Tenslotte ontbond Jan van Naaldwijk zijn gevechtsgroepen en keerde hij met stille trom terug naar Sluis.
 
= VAL VAN SLUIS - Uiteindelijk besloot hertog Albrecht van Saksen namens aartshertog Maximiliaan I een definitief einde te maken aan alle Hoekse aanvallen en de stad Sluis te belegeren.
Na heldhaftige verdediging onder Filips van Kleef viel na twee maanden beleg de stad op 18 oktober 1492 en werden de Hoeken daaruit verbannen tegen toezegging van een groot bedrag aan losgeld. De betaling hiervan is evenwel niet doorgegaan. Hierna ging het leger van hertog Albrecht overzee naar noordelijk Holland en bedwong de Kaas- en broodopstand met grof geweld.
Filips van Kleef trok met een groot deel van zijn bezettingsleger in vrije aftocht vanuit Sluis naar Frankrijk waar hij en zijn manschappen als welkome krachten in het Franse leger werden opgenomen. Als laatste Hoekse aanvoerder is Jan van Naaldwijk als banneling in 1497 in Parijs gestorven.
Zo kwam er een einde aan 150 jaar Hoekse en Kabeljauwse twisten, die in 1350 waren begonnen en gedurende anderhalve eeuw grote schade hadden berokkend aan stad en land. Maar groter was het leed en verdriet dat talloos velen in deze jaren en nog lang hierna hadden te ondergaan. Na een tweede regentschap van keizer Maximiliaan I werden de Nederlanden in 1515 een onderdeel van het rijk van keizer Karel V van Habsburg (+ 1559).
 
= BEOORDELING - De beoordeling van Jonker FRANS door tijdgenoten en latere schrijvers liep ver uiteen. 'Jonker FRANS, van hoge geboorte zijnde - jonge bloem - jonge vrijbuiter - jeugdige held - roofridder nyet een stel louche aanhangers - roervink der rebellen - edelmoedige of enige feodale held - in moed en beleid zijn leeftijd ver vooruit'.
 
In de kroniek van de Jonker Fransenoorlog door Van Alkemade wordt FRANS uitermate hoog geprezen :
 
'... Een zeer edel Jongeling van teere jaren en opvoeding werd uit zyn school getroont, en tot algemeen Opperhoofd en veldheer der Hoeksen aangenomen.
Deze heeft blyken gegeven aan de geheele wereld, dat voorzigtigheid, manhaftigheid, standvastigheid, en gestrengheid, magtig zyn geweest de strydige hartstochten van een losse ongebonden jeugd te breidelen, en de gewoonlyke uitwerkingen van onbedagte jongheid te beteugelen.
Door deze hoedanigheden, gepaart met een doorlugtige geboorte, is die Jonge Heer by zyne geëerd en bemind geweest als een algemeene Vader, en by de vyanden als een oorlogs bliksem gevreest geworden.
Zyn Hoog bevelhebberschap en Stadvoogdy hebben leerstukken verschaft voor ervarene Krygshelden en tot navolglyke voorbeelden gestrekt.
Dus, van de schoolbank, gereezen, stond hy voor 't hoofd zyner benden, en gaf oorlogs lessen aan de dappere Krygsmannen. '.

Gedichten - Over de Jonker Fransenoorlog bestaan 3 anonieme omstreeks 1490 geschreven gedichten die in 1825 in bezit waren van J. Koning in Leiden.
Hij publiceerde de gedichten in 1825 in 'Nieuwe Werken van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leyden', deel I, 2e stuk p.147-182, onder de titel: 'De Nederlaag van Frans van Brederode, enz.' (Handschrift in Gemeentearchief Rotterdam, hs.GA-1534). De gedichten hebben enige historische, nauwelijks letterkundige waarde.
 
Het eindoordeel in dit uit Kabeljauwse hoek komende dichtwerk over FRANS is niet onverdeeld gunstig:
 
Al heeft Jonker FRANS de pot geschuijmt,
Binnen Rotterdam, hi is met scanden geruimt,
Beter is 't dan hi die stede had angesteken,
In 't ende sal hi wel worden gepluijmt,
Sijn overdaed wort noch in sijn scottel gekruijmt,
 
Dies hem die cruijmen wel 't hart mochten breken,
Na werck volcht loon. 't Zijn d' oude treken; Want hoe men 't punt of hoe dat men 't paelt,
't Gelach moet in 't eijnde al sijn betaalt.
 
En de regel: 'Dus meende hi te worden een grave int lant' beticht FRANS ervan te streven naar de Hollandse gravenkroon, wat de Brederodes overigens eeuwenlang als een loffelijke eigenschap koesterden.
 
Bron Jan H. Verhoog, Onvoltooide Roem, De eerste negen Heeren van Brederode, 1203-1473, blz. 499-512.

Overleden Dordrecht 11 augustus 1490 op 25-jarige leeftijd, begraven aldaar.
Yolanda, geboren Vianen circa 1467.

YOLANDA van Brederode - De vijfde dochter was jonkvrouw Yolanda. Zij werd kanunnikesse in Mons/Bergen in Henegouwen.
Zij was canonissa, d.w.z. zij leefde als non in een klooster volgens de canones of leefregels daarvan.
 
= GEBOORTEJAAR - Yolanda kan als laatste kind in of kort na 1467 geboren zijn, 2 jaar na haar broer Frans omdat hun moeder dan zeker reeds ca. 40 jaar oud was. Haar sterfjaar is onbekend.
 
Bron: Jan H. Verhoog; Onvoltooide Roem. De eerste negen Heeren van Brederode 1203-1473, blz. 490.

Overleden.
Uit de tweede relatie:
Hendrik bastaardzoon.

HENDRIK bastaard van Brederode - Hendrik werd eveneens in 1470 door bisschop David gevangengenomen en na 5 dagen losgelaten.
Het is niet duidelijk wat er van hem is geworden. Hij wordt wellicht verward met zijn neef Hendrik, bastaardzoon van domproost Gijsbrecht van Brederode en die in de Jonker Fransenoorlog in 1490 om het leven kwam. In latere genealogische werken wordt hij ten onrechte niet vermeld.
 
Bron: Jan H. Verhoog; Onvoltooide Roem. De eerste negen Heeren van Brederode 1203-1473, blz. 498
.
Johanna bastaarddochter, non in Beverwijk.
Jonge Johan bastaardzoon.

Johan was in 1470 aanvankelijk klerk en studeerde voor priester waarom hij in tegenstelling tot zijn broers na de gevangenneming door bisschop David werd losgelaten. Hij werd pastoor in Tienhoven bij Ameide.

Joost bastaardzoon heer van Reewijk.

JOOST bastaard van Brederode - In tegenstelling tot zijn vier broers werd hij in 1470 niet door bisschop David gevangen gezet '... want hij doe noch seer jong was...'. Hij werd Heer van Reewijk bij Boskoop en houtvester van Brederode in Kennemerland. Joost huwde met Maria Dever van Minden, Vrouwe van Diepenburch in Maasland geboren omstreeks 1500, dochter van Joost van Dever van Minden (+ 1526) en Aleyd van Mathenesse, beiden begraven in het dominicanenklooster in Haarlem.
Het huwelijk van Joost en Maria was kinderloos. Joost overleed op 28 mei 1551. Zijn schoonzuster Elisabeth (+ 1568) huwde op 5 juni 1512 met Joost van Brederode van Hove (+ 1531), de Jeruzalemvaarder. Hun huwelijk was kinderloos. Joost en Maria woonden veelal in Haarlem.
Maria, sinds 28 mei 1551 weduwe, maakte aldaar op 4 december 1557 haar testament waarin zij haar zuster Elisabeth die hertrouwd was met Warnaert van der Does tot erfgename benoemde. Van deze erfgoederen was het leengoed Reewijk uitgezonderd dat Maria vermaakte aan haar neef Joost van Mathenesse, resp. aan diens broer Jan. Het vruchtgebruik van Reewijk kwam levenslang aan Elisabeth. Dit erfgoed werd hem betwist door Elisabeth en Warnaert waaruit een langdurig proces volgde, met in 1568 een slotuitspraak door het Hof van Holland.
Maria overleed in 1563 en werd begraven in het graf van haar ouders in het dominicanenklooster in Haarlem, waar in de 16e eeuw volgens gebruik vele inwoners van Haarlem begraven werden.
 
Huis Diepenburch - Ridder Claes van Diepenburch (+ 1440) was rentmeester van Kennemerland, raadslid van hertog Albrecht van Beieren en sinds 1 oktober 1426 baljuw en schout van Den Haag. Hij werd in 1386 beleend met het Huis te Diepenburch in Maasland in het ambacht van De Lies (3 km zuidoost van Naaldwijk). Het goed bevatte een woning met boerderij en 25 morgen land.
Dit bezit was in 1440 als erfleen overgegaan van Claes van Diepenburch aan diens neef Gheryt de Bruyn (+ na 1445). Deze deed in 1441 nog bij zijn leven het goed
over aan zijn dochter Willemyn (+ 1453), moeder van genoemde Joost van Dever van Mynden (+ 1526). Het goed ging bij het overlijden van zijn moeder in 1457 over op Joost Dever Gerytsz. (+ 1463).
 
Bron: Jan H. Verhoog; Onvoltooide Roem. De eerste negen Heeren van Brederode 1203-1473, blz. 498.

Overleden 28 mei 1551.
Relatie met Maria DEVER van MINDEN vrouwe van Diepenburch in Maasland, geboren circa 1500.
Overleden 1563, begraven in het graf van haar ouders in het dominicanenklooster Haarlem 1563, dochter van Joost DEVER van MINDEN en Aleyd van MATHENESSE.
Walraven bastaardzoon.

WALRAVEN bastaardzoon van Brederode - Walraven speelde een belangrijke rol in de Hoekse gelederen. Hij overviel in 1457 bij De Bilt de Haarlemse burgemeester en enkele anderen.
In 1465 werd hij drossaard van Hagestein en ontving hij het schoutambt aan de Vaart, van welke ambten zijn vader te zijnen behoeve afstand deed. In 1470 werd hij met zijn broers, vader en oom op bevel van bisschop David gevangengenomen en barbaars gemarteld. Hij wist uit de gevangenis te ontvluchten naar Vianen.
In 1475 verzette hij zich tegen de voogdij van zijn stiefmoeder hetgeen leidde tot een opstand, waarvoor zijn halfbroer Heer Walraven II hem op 19 augustus 1477 vergiffenis schonk. Walraven verdedigde in 1481 de Lekpoort in Vianen tegen Utrechtse aanvallers. (Zie hieronder).
In 1488 behoorde hij tot de commissie van drie, die naar zijn halfbroer Frans in Leuven toog en vocht daarna mee in de Jonker Fransenoorlog (Zie Frans van Brederode).
Hij huwde met Geertruida van Alphen. Hij komt na 1490 niet meer in de stukken voor. Hij schijnt kinderloos gestorven te zijn.
 
= STRIJD IN VIANEN / 1482 - Na de dood van hertog Karel van Bourgondië in 1477 zagen de Hoeken in Holland kansen zich opnieuw tegenover de Kabeljauwen te laten gelden wat in Holland en Utrecht tot een oorlogstoestand leidde.
Na verovering door de Hoeken van de stad Leiden in 1481 en het weer verliezen daarvan hadden zij zich in Utrecht teruggetrokken om vandaar Holland te bestoken. Na een bloedige grensoorlog gelukte het de Habsburgse regent Maximiliaan I in 1483 Utrecht te veroveren. In deze Stichtse oorlog sprong Jan van Schaffelaar in 1482 van de toren in Barneveld. De Hoeken weken uit naar het versterkte Sluis in Vlaanderen vanwaar in 1488 zich de Jonker Fransenoorlog ontwikkelde (Zie Frans van Brederode).
Vanuit Utrecht werd een gewapende poging gedaan Vianen in bezit te krijgen met het doel daarin gevluchte en veroordeelde Utrechtenaren gevangen te nemen. De kroniek van Jan van Leiden bevat hiervan een omstandig verslag. In deze strijd, waarin de Lekpoort van Vianen als laatste bolwerk verdedigd werd, speelden Walraven de bastaard van Brederode en zijn neef Reinier van Broekhuizen een belangrijke rol.
 
= UTRECHTSE VLUCHTELINGEN - In 1482 ontbrandde een hevige strijd tussen Holland en Utrecht. Een aantal uit de stad Utrecht verdreven burgers vluchtten naar de stad Vianen, maar zij ondervonden dat zij daar niet welkom waren. Bovendien nam het stadsbestuur van Utrecht het Vianen zeer kwalijk dat onderdak werd geboden aan door Utrecht uitgewezen ballingen en dat Vianen hiervan voordeel zou trekken. Hierom zocht Utrecht gelegenheid Vianen af te straffen.
In die tijd woonde in Vianen een zekere Gijsbert van Baes die door Heer Walraven II van Brederode aangesteld was als dijkgraaf in het Land van Vianen. Gijsbert was evenwel op de hand van Utrecht wat mede bleek uit het feit, dat hij proviand en andere benodigdheden bezorgde op het blokhuis 'Gildenborch'. Dit was een door de Utrechtse gilden in eind 14e eeuw gebouwde verdedigingstoren op de buitendijk bij Vreeswijk aan de Vaart van Utrecht naar de Lek. Daarin waren Utrechtse manschappen gelegerd die vanuit het blokhuis uitvallen deden ten nadele van de Hollanders.
De Hollandse stadhouder Joost van Lalaing had bij geruchte vernomen van de plannen ten aanzien van Vianen en hiervan Brederode op de hoogte gebracht. De slotvoogd Joris ontbood Gijsbert van Baes op Batestein, die daar alle aantijgingen ontkende met de woorden '... Heer drossaet, houddy my voor sulcken man, dat ic myns joncheren stat verraden soude; dat is my leet...'. Toen hem door de drossaard Joris van Brederode en met hem de gehele raad van Vianen indringend duidelijk werd gemaakt dat Vianen zich neutraal wilde houden en dat zijn handelingen niet toelaatbaar waren, viel dat bij Gijsbert niet in goede aarde.
Hij ging naar burggraaf Jan III van Montfoort in Utrecht en zegde hem toe Vianen te kunnen overleveren op voorwaarde dat de Utrechters hem met ruiters en manschappen zouden bijstaan. De Utrechters, die van hem begrepen dat men vanuit de vesting Vianen des te beter de Hollanders zou kunnen aanvallen, stemden direct met zijn voorstel in.
 
= VIANEN OVERVALLEN - Gijsbert keerde terug en wachtte een goede kans af om de manschappen van Utrecht de stad Vianen binnen te loodsen. Vanuit Utrecht was inmiddels bericht naar Vianen gezonden, dat onder bevel van de ritmeester ridder Vincent van Swanenburg, één van hun voornaamste aanvoerders, een afdeling van 300 ruiters in het geheim optrok naar Vianen en zich legeren zou in het blokhuis de Gildenborg nabij Vreeswijk.
Gijsbert van Baes die als nachtwaker dienst deed, had zodanige maatregelen getroffen dat de invallers zonder al te veel moeite in de stad zouden kunnen komen. Die gelegenheid deed zich voor toen hij in de vastentijd op 17 maart 1482 in de nacht na de zondag Laetare (= 3e zondag voor Pasen) als wachtwaker dienst had bij de Oostpoort (Voet noemt ten onrechte de Landpoort). Hij had met een aantal handlangers afgesproken dat zij hem zouden helpen. Sommigen van hen vermomden zich als vrouw of als bedelaar. Toen ,... Gysbert van Baes mit dit geselscap op die poort was, doe dede hy die cappeteyn opt blochuys awn die Vaert, geheten Loef Berchmaker, een teycken met vier, als hy besproken hadde...'.
Toen men in het blokhuis het lichtsein zag, stak het legertje de Lek over naar de oostkant van Vianen en liep men in het duister naar de Oostpoort (later Verraderspoort genoemd).
 
= VIANEN BEZET - Met ladders en andere hulpmiddelen klom men eerst over de muur en daarna ook door de van binnen uit geforceerde stadspoort om in de stad te komen. De schout Aelbert van Teylingen, zwager van Gijsbert van Baes, die toen de leiding over de nachtwachten had, kwam op het gerucht bij de Oostpoort af maar kreeg daar van Gijsbert te horen dat hij beter kon verdwijnen.
De schout begreep direct wat er aan de hand was en sloeg alarm. Hierop kwam een aantal burgers naar buiten, niet wetende dat er verraad in het spel was. Zij namen de wapens op en stelden zich te weer. Enkelen van hen moesten dat met de dood bekopen omdat de overvallers met hun ruiters verre in de meerderheid waren.
Eenmaal vaste voet in de stad verkregen hebbende, marcheerden de Utrechtse mannen met slaande trom en gestoken trompetten door de Voorstraat naar het raadhuis dat zij evenals daarna de Laadpoort in bezit namen.
 
= BATESTEIN BEZET - Vervolgens trok men op naar het kasteel Batestein met bij zich Jacob van Swieten, een Viaanse poorter die gereedschap had meegenomen waarmee hij de slotpoort in de muur van het kasteel wist open te maken. Inmiddels waren uit Utrecht nog meer ruiters in Vianen aangekomen dan er al in de stad waren.
Na het openbreken van de poort van Batestein, dat onder bevel stond van de slotvoogd Joris van Brederode, toog men door de Voorstraat naar de Lekpoort met de bedoeling ook deze te bezetten, maar hier ondervonden zij heftige tegenstand. Walraven de bastaard van Brederode weigerde de poort over te geven en trachtte de aanvallers met geweld terug te drijven. Deze trokken zich inderdaad terug op het nabij gelegen terrein van Batestein en eisten het kasteel op tegen behoud door de bewoners van lijf en goed.
De ballingen op het kasteel, die destijds uit Utrecht waren verdreven, zouden evenwel gevangengenomen worden. Slotvoogd Joris van Brederode kwam na rijp beraad tot het besluit het kasteel niet direct over te geven, maar zo mogelijk eerst gewapende tegenstand te bieden. Ritmeester Vincent van Swanenburg viel toen met een grote overmacht op Batestein aan en kreeg dit stormenderhand vrijwel direct in zijn bezit. Zijn mannen roofden daaruit het goud en zilver, waardevolle documenten en allerhande soort goederen.
In het kasteel werden Arnt Pietersen, Jacob in de Clock en de oude bastaard Jan van Rennes gevangengenomen in de kamer die op het zomerhuis uitkomt. Bij deze actie sneuvelden ongeveer 12 mannen. Slotvoogd Joris en enkele van zijn mannen wisten uit te wijken naar de grote Simpeltoren. Ook deze werd door Vincent opgeëist. Omdat Joris onvoldoende bewapend was om de toren te verdedigen en hij ook niet op ontzetting van buiten behoefde te rekenen, besloot hij zich eveneens op genade over te geven waarna hij vrije aftocht kreeg.
 
= BATESTEIN BEROOFD - Joris met zijn mannen en alle in het kasteel aanwezige ballingen moesten hun erewoord geven geen actie te zullen ondernemen. Hun namen werden opgeschreven waarna zij eveneens vrij mochten vertrekken. Zij moesten hun wapens en harnassen achterlaten, alsook al het geld en de gouden en zilveren voorwerpen en allerlei andere goederen, die zij gepoogd hadden van de plundering te redden en reeds bij elkaar op een hoop hadden gegooid.
Toen zij vanaf het kasteel naar de stad gingen, namen ritmeester Vincent en zijn ruiters alles mee wat los en vast zat, zodat er tenslotte geen stoel overbleef om op te zitten.
 
= OVERGAVE LEKPOORT - Hierna gingen Vincent en zijn mannen opnieuw naar de Lekpoort om die nogmaals van Walraven de bastaard op te eisen.
Deze vernam dat het kasteel inmiddels was ingenomen en dat alleen de Lekpoort nog niet in handen van de overvallers was. Hij gaf nu ook tegen behoud van lijf en goed de Lekpoort over, waarna hij en zijn mannen op erewoord mochten vertrekken.
 
Lekpoort - Van de 3 stadspoorten, de Oostpoort die ook Geentgenspoort, Verra(d)erspoort of Culemborgse poort werd genoemd, de Landpoort aan de zuidzijde van de stad nabij de kerk en de Lekpoort of Waterpoort aan de noordzijde is alleen de laatstgenoemde nog aanwezig.
Vianen aan de Lek lag op een strategisch punt tussen de stad Utrecht in het noorden en midden Brabant in het zuiden.
De voornaamste handelsroute te water van Utrecht naar het zuiden bestond uit de Vaartse Rijn van Utrecht naar Jutphaas die in 1148 was gegraven. In 1288 werd deze waterweg onder de naam Nieuwe Vaart verlengd tot aan de Lek bij Vreeswijk, dat recht tegenover Vianen ligt.
Naast en langs deze vaart werd een landweg aangelegd die bij Vreeswijk door een overzetveer verbinding had met Vianen.
Vanaf de rivier kwam men via de buitendijkse Poort- waard bij de Lekpoort, waarna men over de brede Voorstraat de stad doorkruiste en door de Landpoort de naar het zuiden voerende route bereikte.
Het is duidelijk dat de Lekpoort een sleutelpositie innam, waarvan het bezit in ongeregelde tijden of bij oorlog van groot belang was.
Daarom werd door Walraven en de zijnen alles in het werk gesteld om zich in ieder geval van het bezit van de poort verzekerd te houden.
In maart 1840 werd het eeuwen oude Lekveer vervangen door een schipbrug. In 1935 werd westelijk van de stad een vaste brug gebouwd en het laatste veer opgeheven.
Ter ontlasting van deze brug, die berucht werd door de dagelijkse filemeldingen, werd in 1986 ten oosten van de stad een tweede vaste brug gebouwd in de route van Arnhem en Utrecht naar Breda.
 
= LOSGELDEN - Kort hierna moesten allen die hun erewoord gegeven hadden vier Rijnse gulden als losgeld betalen en even later dienden zij aan Vincent van Swanenburg een pond groot af te dragen, waarop hij hen kwijtschelding van hun eed en volledige vrijheid verleende.
Buiten dit dwong Vincent een aantal poorters hem een hoeveelheid goederen en een bedrag van 5500 Rijnse gulden af te staan waarmee een deel van de achterstallige soldij van de soldaten werd betaald, waarop de rust weer enigszins in de stad terugkeerde. Overigens heeft Vincent dit bedrag pas later door toedoen van Heer Walraven II ontvangen. Deze verbleef tijdens genoemde gebeurtenissen met graaf Jacob I van Home in de nabij gelegen stad Woudrichem en trof na zijn terugkomst over Culemborg naar Vianen een regeling voor de betaling (Zie hieronder).
In overleg met de vroedschap en het gerecht bepaalde Walraven in 1483 vervolgens, dat het zonder zijn vergunning verboden was met of zonder goederen de Lek bij Vianen over te steken naar Vreeswijk.
 
= GIJSBERT IN ONGENADE - Enige tijd hierna kwamen ritmeester Vincent en enigen van het Hof van Brederode op straat de dijkgraaf Gijsbert van Baes tegen. Zij keerden zich van hem af en wilden niets met hem te maken hebben en men deed zoals men zich tegenover verraders pleegt te gedragen.
Hierop vertrok Gijsbert, bemerkende dat hij geen gehoor meer kreeg, naar Utrecht en bleef daar. Hij werd kwartiermeester en misdroeg zich enige maanden later ernstig bij de plundering van het huis van een kanunnik.
De stad Utrecht was aan Vincent van Swanenburg nog een groot bedrag aan soldijgelden schuldig want hij had in lange tijd geen geld ontvangen. Hierom achtte hij het verstandig niet eerder uit Vianen weg te gaan dan tot wanneer men hem had uitbetaald. Dat duurde totaal vier maanden in welke tijd hij menige uitval deed naar de Hollandse troepen in de omgeving.
De Hollanders op hun beurt stuurden groepen gewapende ruiters naar Vianen om Vincent uit de stad te verdrijven.
Door al deze schermutselingen heeft het Land van Vianen veel schade geleden.
 
= VREDE - In 1484 werd de vrede getekend tussen Holland en Utrecht en kwam een einde aan de gespannen toestand rond Vianen, waar men binnen niet al te lange tijd de ondervonden schade te boven kwam.
 
= UITKOOP VAN VINCENT VAN SWANENBURG / 1483 - De aanvoerder Vincent van Swanenburg wilde niet uit Vianen weggaan voordat hij het hem van Utrecht toekomende geldbedrag voor de soldijbetaling ontvangen zou hebben. Toen dat wat lang begon te duren, riep hij Walraven de bastaard van Brederode, Dirk van Alphen en Gerrit van de Molen bij zich. Hij maakte hen duidelijk dat hij nu het geld zou willen hebben en dat hij de stad Vianen niet aan een ander zou overgeven dan aan jonker Walraven van Brederode.
Hij verzocht hen naar jonker Walraven toe te gaan en met hem de zaak op te nemen en ook met bevriende personen te overleggen op welke wijze de betaling geregeld zou kunnen worden.
Als dreigement voegde hij eraan toe dat hij, als er geen oplossing voor gevonden kon worden, zich zou wenden tot bisschop David van Utrecht of tot Heer Frederik van Egmond en IJsselstein (+ 1521). Deze beiden konden het geld wel beschikbaar stellen, maar dan zou hij Vianen aan hen moeten overgeven wat hij liever niet deed, zoals hij zei.
 
= REGELING LOSGELD - De drie genoemde personen overlegden de zaak met elkaar en bespraken deze in het geheim ook met Joost Adriaenssen, Sweer Henricksen en Rutger Woutersen. Besloten werd onmiddelijk Frederick van der Sevender af te vaardigen naar jonker Walraven om diens mening te horen en te vragen wat er gedaan zou moeten worden.
Na terugkomst zei Frederik van Egmond dat Walraven enkele vrienden bereid gevonden had hem 3500 Rijnse gulden te lenen wat als onvoldoende werd beoordeeld. Hierop gingen zij naar Vincent van Swanenburg en kwamen met hem zelf een bedrag van 6650 Rijnse gulden overeen. Na overleg met het stadsbestuur werden jonker Belle en Willem de secretaris als betrouwbare bemiddelaars aangezocht aan wie ieder 3500 Rijnse gulden ter hand gesteld zou worden. Het bleek moeilijk de betaling binnen de tijd van acht dagen te regelen.
 
= BEMIDDELING - Inmiddels waren een zestal poorters uit Vianen naar graaf Jacob I van Horne in Woudrichem gegaan waar ook jonker Walraven verbleef. Zij verzochten hen vriendelijk beiden naar Culemborg te willen komen voor overleg aldaar met een aantal Viaanse burgers en landslieden. De graaf en de jonker bewilligden hierin en vertrokken met een aantal personen uit Woudrichem naar Culemborg.
Daarna reisde de graaf van Horne door naar Vianen om als bemiddelaar in deze zaak te spreken met het stadsbestuur. Het resultaat hiervan was, dat het overeengekomen bedrag aan Vincent van Swanenburg werd uitbetaald, waarna deze de sleutels van de poort aan het stadsbestuur teruggaf.
Enkele burgers vonden dit een te vredige afloop en liepen naar de poort en riepen '... Wy sullen nu dit geselscap wel haest quyt worden, waarna sy mit pylen van der poerten schoten, mer sy en raeckten niemant ...'.
Vincent is op 19 juli 1483 onder de hoede van de graaf van Horne te paard uit Vianen vertrokken.
 
= WALRAVEN II TERUG IN VIANEN - Bij Everdingen troffen zij jonker Walraven aan met bij zich de slotvoogd Joris van Brederode de bastaard en veel volk uit Vianen, Ameide en Woudrichem. Er ontstond enige onrust omdat een aantal personen van mening was, dat het beter geweest zou zijn Vincent van Swanenburg aan te vallen in plaats van hem geld te geven, maar de graaf van Horne ging tussen de twistende groepen rijden om Heer Vincent te beschermen.
Vervolgens bracht hij Vincent naar jonker Walraven toe. Vincent uitte veel verontschuldigingen en zei dat hij ter wille van de stad Utrecht niet anders had kunnen handelen en dat hij dit gedaan had op aanraden van burggraaf Johan III van Montfoort en van Jan de Koning, die beiden burgemeester van Utrecht waren. Tenslotte vroeg Vincent aan Walraven hem zijn daden te willen vergeven waarop hij naar Culemborg wegreed.
Als laatsten reden Walraven en de zijnen terug naar Vianen waar zij tegen de avond aankwamen. Zij werden bij de Lekpoort feestelijk opgewacht door de geestelijkheid met kruisen en vanen en door de Viaanse burgers die zich daar hadden verzameld. Zij heetten hun geliefde Heer van Brederode hartelijk welkom en begeleidden hem door de Voorstraat naar de kerk waarin zij tezamen God dank brachten dat zij weer met elkander verenigd waren.
 
Bron: Jan H. Verhoog; Onvoltooide Roem. De eerste negen Heeren van Brederode 1203-1473, blz. 490-494.

Overleden na 1490.
Relatie met Geertruida van ALPHEN.

IXa
Walravina van BREDERODE, geboren Vianen circa 1455.

WALRAVINA van Brederode - De derde dochter was jonkvrouw Walravina. Zij werd in 1476 hofdame van Maria van Bourgondië, de enige dochter van hertog Karel de Stoute .
 
= GEBOORTEJAAR - Walravina zal omstreeks het jaar 1455 geboren kunnen zijn en op ca. 21 jarige leeftijd hofdame zijn geworden.
Zij huwde in 1481 en kan dan ca. 26 jaar oud zijn geweest. Bij haar overlijden in 1500 kan haar leeftijd ca. 45 jaar zijn geweest.
 
HUWELIJK - Walravina huwde in 1481 met ridder Johan van Gaveren, een Brabants edelman, Heer van Ross en van St. Aechtenrode / St. Aegt en Roede in het land van Luik.
 
Gaveren - Dit Vlaams adellijk geslacht, genoemd naar de Heerlijkheid Gaveren aan de Schelde, speelde in de Middeleeuwen een belangrijke rol in Vlaanderen.
Gaveren kwam in 1300 aan de graven van Laval en in 1533 aan de graven van Egmond. Het geslacht stierf in 1832 uit. Het in de 18e eeuw gesloopte kasteel Gaveren was belangrijk bij de beheersing van het Scheldegebied tijdens de strijd van de stad Gent in de 14e eeuw.
Nadat hertog Filips de Goede het kasteel Gaveren had ingenomen, poogden de Gentenaren het te heroveren, wat hen niet gelukte.
Zij werden op 23 juli 1453 door hertog Filips op het nabij gelegen slagveld definitief verslagen.
Ze waren te laat gekomen om de vrijwel in zijn geheel opgehangen of gewurgde kasteelbezetting van dit lot te redden.
 
= OVERLIJDEN - Walravina overleed in 1500 in Haarlem en werd in de Sint Bavokerk aldaar begraven, waar haar grafzerk het nummer 259 heeft.
 
KINDEREN - Uit het huwelijk van Walravina en Johan werden twee dochters geboren waarvan de oudste, Maria van Gaveren, huwde met Louis baron van Barlaymont, Heer van Flayon, Haultepen, Lempt enz.
Haar in de Franse taal geschreven testament is gedateerd op 1559, met een afschrift in 1586.
 
= WAPEN IN KOORBANK - In de koorbanken van de St. Bavokerk in Haarlem kerk bevindt zich haar wapen als nr. 9 vanaf het oosten aan de noordzijde van het koor.
Dit vrouwelijk ruitvormig en in 4 kwartieren gedeeld wapen is beschreven als volgt Gedeeld: I, roode leeuw, in goud, blaauw geklaauwd en getongd: BREDERODE, zonder lambel; II, gevierendeeld, 1, 4, roode leeuw, blaauw geklaauwd en getongd, in goud: HOLLAND; 2, 3, roode leeuw, geklaauwd, getongd en gekroond van goud, in zilver: VALKENBURG.
Het geheele ruitvormige schild en zoo ook de schildhelft BREDERODE zijn smal-uitgeschulpt-omboord van zwart. Om het schild ziet men 2 brandende zwijnskoppen en 2 knoestige stokken te midden van het vuur; vlammen omringen het geheel.
Wapen van Walravia van Brederode, gehuwd met Jan van Gaveren, Heer van St. Aagtenrode, dochter van Reinoud II en Jolande van Lalaing, wier vader, Willem van Lalaing, Stadhouder van Holland was. Zij overleed te Haarlem in 1500'.
Uiteraard ontbreekt op deze uitgelezen locatie de zo veelvuldig omstreden barensteel. Het is onduidelijk om welke reden het wapen van Walravina op de koorbanken is aangebracht.
 
Bron: Jan H. Verhoog; Onvoltooide Roem. De eerste negen Heeren van Brederode 1203-1473, blz. 487
.
Overleden Haarlem 1500, begraven aldaar, dochter van Reinoud II van BREDERODE 9e Heer van Brederode (zie VIIIa) en Yolande van LALAING.
Gehuwd 1481 met Johan van GAVEREN heer van Ross en Sint Aagtenroede.
Uit dit huwelijk:
Maria.
Relatie met Louis van BARLAYMONT.

IXb
Walraven II van BREDERODE 10e Heer van Brederode, heer van Vianen en Ameiden, burggraaf van Utrech, geboren Vianen 8 januari 1462.
Overleden februari 1531, begraven aldaar, zoon van Reinoud II van BREDERODE 9e Heer van Brederode (zie VIIIa) en Yolande van LALAING.
Gehuwd (1) Vianen 1492 met Margaretha van BORSELEN vrouwe van Cloetinge en Ridderkerk, geboren circa 1472.
Overleden Brussel 1507, dochter van Wolfert VI van BORSELEN heer van Vere.
Gehuwd (2) op 46-jarige leeftijd huw. voorwaarden 11 mei 1508 met Anna van NIEUWENAAR.
Overleden 1535, dochter van Willem van NIEUWENAAR.
Relatie (3).
Uit het eerste huwelijk:
Charlotte.
Overleden 28 september 1529, begraven Montfoort.
Gehuwd huw. voorwaarden 12 juni 1509 met Johan III van MONTFOORT, geboren 1448.
Overleden voor 1522, zoon van Hendrik van MONTFOORT burggraaf van Montfoort (zie VIIIl) en Margarethe de CROY.
Françoise vrouwe van Ridderkerk en IJsselmonde.
Overleden 8 maart 1553, begraven Hocht.
Gehuwd 1525 met Hendrik van MERODE en PETERSHEM baanderheer van Perweys, Leefdale, Duffele en Waalhem heer van Gheel, Di.
Overleden 17 oktober 1564, begraven Hocht, zoon van Richard van MERODE en Margriet van HORNES.
Uit het tweede huwelijk:
Walburga, geboren 8 januari 1512.
Overleden 1567.
Relatie.
Yolande, geboren 28 februari 1515.
Overleden St. Waudru 20 juni 1525 op 10-jarige leeftijd, begraven aldaar.
Yolande, geboren vermoedelijk na 1525.
Overleden Vaud (Zwitserland) na 1553.
Gehuwd huw. voorwaarden 15 oktober 1543.
Frans heer van Zwammerdam.
Overleden verdronken in een beek bij Eindhoven 1529.
Margaretha.
Overleden Thorn 2 januari 1577.
Maria.
Relatie met Govert van MILLENDONK heer van Vronenbroek en Goor.
Uit de derde relatie:
Reinoud (zie Xc).

Xa
Reinoud III van BREDERODE

Reinoud III van BREDERODE

Reinoud III van BREDERODE 11e Heer van Brederode, heer van Vianen, burggraaf van Utrecht, geboren 4 september 1492.
Overleden Brussel 25 september 1556 op 64-jarige leeftijd, begraven Vianen, zoon van Walraven II van BREDERODE 10e Heer van Brederode, heer van Vianen en Ameiden, burggraaf van Utrech (zie IXb) en Margaretha van BORSELEN vrouwe van Cloetinge en Ridderkerk.
Gehuwd (1) 1521 met Philippote van der MARCK.
Dochter van Robert II van der MARCK heer van Sedan en Catharina de CROY.
Gehuwd (2) 1541 met Catharina Gossens van HOLTEN, geboren Wezel 1523.
Overleden Vianen 16 januari 1584, begraven Lexmond.
Relatie (3).
Uit het eerste huwelijk:
Hendrik (de grote Geus) 12e Heer van Brederode, heer van Vianen en Ameide, geboren Brussel 20 december 1531.
Overleden Slot Harenburg bij Recklinghausen (Duitsland) 15 februari 1568 op 36-jarige leeftijd.
Gehuwd op 25-jarige leeftijd huw. voorwaarden 19 januari 1557 met Amalia van NIEUWENAAR, geboren circa 1540.
Overleden Slot Lorbach bij Mosbach (Duitsland) 10 april 1602, dochter van Humbert IV van NIEUWENAAR en MEURS.
Antonia Penelope vrouwe van Neder-Jutphaes 30 juni 1591.
Gehuwd (1) huw. voorwaarden 8 september 1547.
Gehuwd (2) na 1548 met Cornelis van GHISTELLES.
Zoon van Jan van GHISTELLES en N.N.
Françoise.
Helena.
Overleden 1572, begraven Besançon.
Gehuwd Antwerpen 13 september 1549 met Thomas PERRENOT heer van Chantonnay, Granvelle, le Perrenot enz., 28 jaar oud, geboren Besançon 5 juni 1521.
Overleden aldaar februari 1571, zoon van Nicolaas PERRENOT en Nicole BONVALOT.
Johanna (zie XIa).
Lodewijk heer van Ameide.
Overleden sneuvelde in de slag bij Saint-Quentin door verstikking van de hitte van zijn helm 10 augustus 1557.
Margaretha (zie XIb).
Philips.
Overleden in keizerlijke dienst Milaan 1554, begraven Milaan 1554.
Reinoud.
Overleden jong overleden.
Robert.
Overleden Beieren 1566.
Uit het tweede huwelijk:
Sandrina, geboren circa 1539.
Overleden Wijk bij Duurstede 21 maart 1617.
Gehuwd (1) na 1609 met Barent van de BONGAERT heer van Niemandtsvriend.
Relatie (2) met Albert van PRESIKHOVEN.
Relatie (3) met Maximiliaan WITTER(UTER) LEMINGE.
Relatie (4) met Maximiliaan TORDESILAS.
Relatie (5) met Maximiliaan LIGNARO.
Overleden sneuvelde bij Oostende.
Sara, geboren circa 1544.
Overleden 25 november 1631, begraven Beverwijk.
Gehuwd (1) voor 1567 met Albrecht van EGMOND van MERENSTEIN.
Overleden 5 april 1595, begraven Beverwijk, zoon van Jan van EGMOND van MERENSTEIN en Amelia van GROMBACH.
Relatie (2) met Amelis UTEN ENGH.
Overleden 19 april 1611, begraven Beverwijk.
Philips.
Overleden jong overleden.
Uit de derde relatie:
Anna.
Relatie met Gisbert van SCHOTEN.
Artus (zie XId).
François (zie XIe).
Lancelot (zie XIf).
Lucretia (zie XIg).
Margaretha.
Overleden 20 mei 1574.
Relatie met Roelof GRAUWERT heer van Weerdesteyn.
Overleden Vianen 7 juli 1572, begraven aldaar.

XIa
Johanna van BREDERODE.
Overleden 1573, dochter van Reinoud III van BREDERODE 11e Heer van Brederode, heer van Vianen, burggraaf van Utrecht (zie Xa) en Philippote van der MARCK.
Gehuwd huw. voorwaarden 21 juli 1551 met Joost van BRONCKHORST‑BATENBURG heer van Niedermörmter en Hönnepel (tot 1591).
Overleden na 1598, zoon van Dirk van BRONCKHORST‑BATENBURG en Elisabeth (Geertruida) van LIMBURG STIRUM.
Uit dit huwelijk:
Geertruida vrouwe van Vianen, Ameide en Jaarsveld.
Overleden Vianen 28 april 1590.

XIb
Margaretha van BREDERODE.
Overleden Namen 31 mei 1554, dochter van Reinoud III van BREDERODE 11e Heer van Brederode, heer van Vianen, burggraaf van Utrecht (zie Xa) en Philippote van der MARCK.
Gehuwd huw. voorwaarden 1 april 1542 met Peter Ernst van MANSFELT, 24 jaar oud, geboren 20 juli 1517.
Overleden Luxemburg 22 mei 1604 op 86-jarige leeftijd, zoon van Erns van MANSFELT‑HELDRINGEN.
Uit dit huwelijk:

XIIa
Polyxena van MANSFELD, geboren 1542.
Overleden voor 1591, dochter van Peter Ernst van MANSFELT en Margaretha van BREDERODE (zie XIb).
Gehuwd Dordrecht ? circa 1566 met Palamedes van CHALON.
Zoon van René van CHALON heer van Breda en de Lek van 1519 tot 1540 heer van Corroy, Frasne en Ch.
Uit dit huwelijk:
Hendrik (zie XIIIa).
Margaretha.
Relatie met Philips de ROBLES heer van Lawelal.
René.
Overleden Hulst 31 oktober 1624.
Relatie met Anne de LORGIN.
Dochter van Karel de LORGIN heer van Schepdael.

XIIIa
Hendrik van CHALON, geboren 1570.
Overleden 1603, zoon van Palamedes van CHALON en Polyxena van MANSFELD (zie XIIa).
Relatie met Odilia de HEU.
Dochter van Gaspard de HEU.
Uit deze relatie:
Bonne.
Relatie met Gaspard du BOST‑MOULIN.
Lamoraal.
Overleden 1630.
Margaretha.

XIc
Reinoud van BREDERODE heer van Bolswaer, geboren 1548.
Overleden Lexmond 13 september 1633, begraven in het koor van de kerk van Lexmond, zoon van Reinoud III van BREDERODE 11e Heer van Brederode, heer van Vianen, burggraaf van Utrecht (zie Xa) en Catharina Gossens van HOLTEN.
Gehuwd 4 augustus 1585 met Josina van ASPEREN van VUEREN.
Overleden Roen 12 december 1601, begraven Roen (in de kerk), dochter van Johan van ARKEL van ASPEREN heer van Vueren en Maria van RHOON.
Uit dit huwelijk:
N.N. Geboren 1601.
Overleden.
Artus heer van Everstein en Ulenboek (=Hullebroek).
Overleden tussen 28 juni 1666 en 24 nov. 1666.
Gehuwd (1) voor 1662 met Elbrecht van BREMPT vrijvrouwe van Brempt.
Overleden juli 1662, begraven Xanten.
Gehuwd (2) Dodewaard (Gld.) 24 april 1664 met Marie Elsbet RAESFELT tot DODEWAART.
Carel (zie XIIc).
Catharina.
Overleden ongehuwd na 1670.
Herbert.
Jan.
Josina.
Begraven ongehuwd Lexsmond na 1670.
Lodewijk.
Maria.
Relatie met Tocken ESQUIRE.
Reinoud (zie XIId).

XIIb
Hendrik van BREDERODE heer van Bolswaert, geboren 1592.
Overleden 4 juni 1676, begraven in het koor van de kerk van Lexmond, zoon van Reinoud van BREDERODE heer van Bolswaer (zie XIc) en Josina van ASPEREN van VUEREN.
Gehuwd 19 februari 1625 met Geertruid van REEDE van AMERONGEN.
Overleden Lexmond 15 augustus 1639, dochter van Frederik van REEDE van AMERONGEN en Cornelia van OOSTRUM tot BROECKHUIJSEN.
Uit dit huwelijk:
Cornelia Maria.
Dirk Adolf.
Overleden Munster, begraven aldaar.
Johan Adolf.
Overleden ingeschreven Maastricht 13 febr. 1702.
Josina Sara (zie XIIIc).
Osewolt Willem.
Reinoud Ignatius.
Overleden voor 1676.
Sara.
Relatie met Maximilaan van der AA.
Zoon.
Overleden jong overleden.

XIIIb
Frederik Lodewijk van BREDERODE heer van Bolswaert, geboren 22 juli 1628.
Overleden 3 augustus 1693 op 65-jarige leeftijd, begraven in het koor van de kerk van Lexmond 1693, zoon van Hendrik van BREDERODE heer van Bolswaert (zie XIIb) en Geertruid van REEDE van AMERONGEN.
Gehuwd 1660 met Theodora Anna van RESESSE van de WULP, geboren 1633.
Overleden 9 januari 1682, dochter van Maximiliaan van RESESSE en Anna van SALLANT.
Uit dit huwelijk:
Oswald Servatius, gedoopt Vianen (RK) 23 oktober 1662.
Overleden.
Johannes Ignatius, gedoopt Vianen 30 juli 1664.
Overleden.
Geertruid Maria, gedoopt Vianen 2 september 1666.
Overleden.
Geertruid Gerardina, gedoopt Vianen 11 november 1667.
Overleden.
Theresia, gedoopt Vianen 25 juli 1669.
Overleden.
Maria Cornelia, gedoopt Vianen 6 september 1670.
Overleden.
Josina Sara, gedoopt Vianen 22 maart 1672.
Overleden.
Theodora Jacoba, gedoopt Vianen 11 april 1674.
Overleden.
Clementia Walburga, gedoopt Vianen 29 september 1675.
Overleden 11 juli 1689 op 13-jarige leeftijd, begraven Penitentenklooster Maastricht.
Josina Clara, gedoopt Vianen 20 januari 1678.
Overleden.

XIVa
Hendrik Maximiliaan van BREDERODE heer van Bolswaert, geboren Vianen 5 mei 1661.
Overleden 18 augustus 1700 op 39-jarige leeftijd, begraven in het koor van de kerk van Lexmond, zoon van Frederik Lodewijk van BREDERODE heer van Bolswaert (zie XIIIb) en Theodora Anna van RESESSE van de WULP.
Gehuwd (1) 1681 met Brigitta Margrita Theresia NOOMS vrouwe van Aarlanderveen, geboren juli 1658.
Overleden 3 februari 1692, dochter van Pieter NOOMS heer van Aarlanderveen en Beatrix Adriana RAM Van SCHALKWIJK.
Relatie (2) met Johanna Catarina Teresia CORSAND de BELLECOURT.
Overleden na 1731.
Uit het eerste huwelijk:
(?) Beatrix Maria Clara van BREDERODE van BOLSWAERT.
Gehuwd Utrecht 27 augustus 1713 met Tobias Joseph van PRAROMAN.
Uit de tweede relatie:
Carel Adolf, gedoopt Vianen 26 augustus 1699.
Overleden.
Hendrik Anthony, geboren voor 1701.
Overleden 175.?

XVa
Lodewijk Pieter van BREDERODE heer van Bolswaert en Aerlanderveen, geboren Vianen 1684.
Overleden Lissabon 27 november 1739, zoon van Hendrik Maximiliaan van BREDERODE heer van Bolswaert (zie XIVa) en Brigitta Margrita Theresia NOOMS vrouwe van Aarlanderveen.
Gehuwd Lissabon 5 november 1732 met Margaretha Ursula van ZELLER, geboren Lissabon.
Dochter van Jan van ZELLER en Francisca Maria PEDROSSEN of PETERSEN.
Uit dit huwelijk:
Maria Brizida (zie XVIa).

XVIa
Maria Brizida van BREDERODE, geboren Lissabon circa 1735.
Overleden 1775, dochter van Lodewijk Pieter van BREDERODE heer van Bolswaert en Aerlanderveen (zie XVa) en Margaretha Ursula van ZELLER.
Relatie met José Joaquim SOARES de ANDRADE.
Zoon van Antonio de ANDRADE SOARES en Maria Isabel DA VISITAÇADO E LIMA.
Uit deze relatie:

XVIIa
Mariana José de ANDRADE BREDERODE.
Dochter van José Joaquim SOARES de ANDRADE en Maria Brizida van BREDERODE (zie XVIa).
Gehuwd Lissabon 1790 met Antonio Xavier de MORAIS PRINTO TEIXEIRA HOMEM, geboren Mirandela.
Zoon van Dr. Martinho TEIXEIRA HOMEM en Ana Maria PINTO.
Uit dit huwelijk:
Maria Brizida de MORAIS TEIXEIRA HOMEM de BREDERODE, geboren 1792.
Overleden.
Maria José de MORAIS TEIXEIRA HOMEM de BREDERODE, geboren 1793.
Overleden.
Margarida de MORAIS TEIXEIRA HOMEM de BREDERODE, geboren 1795.
Overleden.
Antonio TEIXEIRA HOMEM de BREDERODE.

XVIIIa
Martinho TEIXEIRA HOMEM de BREDERODE, geboren Lissabon 27 juli 1791.
Overleden aldaar 5 augustus 1856 op 65-jarige leeftijd, zoon van Antonio Xavier de MORAIS PRINTO TEIXEIRA HOMEM en Mariana José de ANDRADE BREDERODE (zie XVIIa).
Gehuwd op 43-jarige leeftijd 23 november 1834 met Ana Mafalda DA CUNHA, 34 jaar oud, geboren 10 december 1799.
Overleden, dochter van José Vasques Alvares DA CUNHA en Maria DO CARMO de MENESES E SILVA.
Uit dit huwelijk:
Vasco Cunha DA TEIXEIRA HOMEM de BREDERODE.

XIXa
António Xavier DA TEIXEIRA HOMEM de BREDERODE, geboren Lissabon 7 september 1835.
Overleden 1867, zoon van Martinho TEIXEIRA HOMEM de BREDERODE (zie XVIIIa) en Ana Mafalda DA CUNHA.
Relatie (1) met Maria Ignacia de SOUSA BOTELHO MOURAO E VASCONCELOS, geboren Lissabon 23 januari 1845.
Overleden, dochter van Bernardo de SOUSA BOTELHO MOURAO E VASCONCELOS en Julia BRAAMCAMP de ABOCIDA CASTELLO BRANCO.
Relatie (2).
Uit de eerste relatie:
Martinho TEIXEIRA HOMEM de BREDERODE, geboren Lissabon 15 april 1866.
Overleden Boekarest ongehuwd 8 november 1952 op 86-jarige leeftijd.
Uit de tweede relatie:
Brizida Mafalda.
Overleden zonder nakomelingen.
Henrique.
Overleden zonder nakomelingen.

XXa
Fernando TEIXEIRA HOMEM de BREDERODE, geboren Sâo Bartholomeu de Charneca 18 maart 1867.
Overleden Lissabon 8 januari 1939 op 71-jarige leeftijd, zoon van António Xavier DA TEIXEIRA HOMEM de BREDERODE (zie XIXa) en Maria Ignacia de SOUSA BOTELHO MOURAO E VASCONCELOS.
Relatie met Maria Augusta Barbara RODRIGUES, geboren Bragana 29 juli 1880.
Overleden, dochter van Antonio José RODRIGUES en Maria Maxima RODRIGUES.
Uit deze relatie:
Joâo de DEUS RODRIGUES de BREDERODE, geboren 1914.
Overleden 1930.
Julia RODRIGUES de BREDERODE.
Gehuwd met Nuno Aires Rodrigues DOS SANTOS, geboren Luanda.
Fernanda RODRIGUES de BREDERODE, geboren Carnaxide.
Gehuwd Lissabon met Alavaro FALCâO de SACADURA, 23 jaar oud, geboren eiland Principe 31 mei 1916.
Overleden Beira 9 september 1959 op 43-jarige leeftijd.
Geraldo RODRIGUES TEIXEIRA HOMEM de BREDERODE, geboren Carnaxide.
Gehuwd met Olga Zita de FREITAS TEIXEIRA, geboren Madeira.

XVIIIb
Helena TEIXEIRA HOMEM de BREDERODE, geboren 2 december 1800.
Overleden, dochter van Antonio Xavier de MORAIS PRINTO TEIXEIRA HOMEM en Mariana José de ANDRADE BREDERODE (zie XVIIa).
Gehuwd op 25-jarige leeftijd 1 februari 1826 met Manuel Ignacio de SAMPAIO de PINA FREIRE, 47 jaar oud, geboren 7 augustus 1778.
Overleden 7 augustus 1856 op 78-jarige leeftijd.
Uit dit huwelijk:
Ignacio Julio, geboren 13 augustus 1831.
Overleden ongehuwd.

XIXb
António de SAMPAIO E PINA de BREDERODE, geboren 8 januari 1834.
Overleden Cascais 24 november 1910 op 76-jarige leeftijd, zoon van Manuel Ignacio de SAMPAIO de PINA FREIRE en Helena TEIXEIRA HOMEM de BREDERODE (zie XVIIIb).
Gehuwd op 29-jarige leeftijd Lissabon 15 april 1863 met Maria Luisa Dominiques SALES de BORJA de ASSIS de PAULA de SOUSA HOLSTEIN, 21 jaar oud, geboren Lissabon 4 augustus 1841.
Overleden Sintra 2 september 1909 op 68-jarige leeftijd, dochter van Domingos Antonio Maria Pedro de SOUSA HOLSTEIN en Maria Luisa de SAMPAIO de NORONHA der DA POVOA.
Uit dit huwelijk:
Helena.
Relatie met Luis Coutinho de MEDEIROS SOUSA DIAS DA CAMARA.
Zoon.
Overleden jong overleden.

XVIIIc
José Leopoldo TEIXEIRA HOMEM de BREDERODE.
Zoon van Antonio Xavier de MORAIS PRINTO TEIXEIRA HOMEM en Mariana José de ANDRADE BREDERODE (zie XVIIa).
Relatie met Emilia Charlotte SCHOLTZ.
Uit deze relatie:

XIXc
Antonio Xavier de MORAIS TEIXEIRA HOMEM de BREDERODE, geboren 16 februari 1826.
Overleden september 1905, zoon van José Leopoldo TEIXEIRA HOMEM de BREDERODE (zie XVIIIc) en Emilia Charlotte SCHOLTZ.
Gehuwd (1) op 27-jarige leeftijd 25 januari 1854 met Sofia van ZELLER, 32 jaar oud, geboren 8 maart 1821.
Overleden, dochter van Frabcisco José van ZELLER en Anna Dorotea van ZELLER.
Relatie (2) met Sofia de SOUSA BARROS LEITâO CARVAL HOSA.
Uit de tweede relatie:

XXb
Eugenia de SOUSA E BARROS TEIXEIRA De BREDERODE.
Dochter van Antonio Xavier de MORAIS TEIXEIRA HOMEM de BREDERODE (zie XIXc) en Sofia de SOUSA BARROS LEITâO CARVAL HOSA.
Relatie met Antonio Augusto ALVES GUIMARâES.
Uit deze relatie:
António de SOUSA E BARROS BREDERODE GUIMARâES.
Relatie met Elisa de MATOS.


    Blad 1 van 40 bladen Volgend blad    Laatste blad