Het admiraalsschip de BREDERODE - 1643-1658

 Het admiraalsschip de Brederode werd genoemd naar Heer Johan Wolfert van Brederode (1599-1655), de 16e Heer van Brederode.

     Het oorlogsschip de Brederode is in de jaren 1643-1644 gebouwd in opdracht van de Admiraliteit aan de Maze in Rotterdam op de werven aldaar. Het was één van de weinige grotere schepen voor de Hollandse oorlogsvloot en naar vorm en grootte gelijk aan het zusterfregatschip de AEMILIA (genoemd naar Amalia van Solms). Dit was toen het grootste schip van de vloot en het eerste schip van deze grootte dat in Holland gebouwd werd.
     De Brederode was een goed, snel en wendbaar schip, telde 59 stukken geschut tegenover de 20 tot 40 stukken die gewoonlijk de sterkte van de Hollandse schepen uitmaakten. Admiraal Maerten Harpertszoon Tromp roemde steeds haar 'makheid’. Het schip was 132 voet lang, 32 voet breed en 13,5 voet hol, gelijk aan de Aemilia. Voor de bouw werd door de Staten van Holland een bedrag van ƒ 42.000 aan de Admiraliteit bijgedragen, want deze was alleen niet in staat de bouw van een dergelijk groot schip te bekostigen.

     De Brederode was bestemd als vlaggeschip voor Witte de With, toen vice-admiraal van Holland en West-Friesland en wiens admiraalsschip de Maagd van Dordrecht in bijzonder slechte staat verkeerde. Tromp behield vooralsnog de verouderde Aemilia als zijn admiraalsschip.

     Op 28 oktober 1644 ontving het schip de naam Brederode, zo vernoemd naar de toenmaligeVeldmaarschalk Johan Wolfert van Brederode veldmaarschalk Johan Wolfert van Brederode.
     Hij was door zijn tweede huwelijk in 1638 met Louise Christina van Solms-Braunfels zwager van Prins en Stadhouder Frederik Hendrik, wiens echtgenote haar zuster Amalia van Solms was.
     Beide dames waren in het gevolg van de koning van Bohemen, de Winterkoning, als hofdames meegekomen op diens vlucht in 1620 naar Den Haag.
     Om een nieuw groot oorlogsschip te noemen naar de opperbevelhebber te land, bovendien familie van de Prins, lag voor de hand.
     De directe reden lag in het feit dat Johan Wolfert van Brederode president was van het Rotterdamse Admiraliteitscollege, waarin ex-luitenant-admiraal (tot 1637) Heer Philips van Dorp (1587-ca. 1652) gedeputeerde voor de Ridderschap was en de naam Brederode had voorgedragen.

     Op 2 april 1646 voer de gloednieuwe Brederode onder bevel van vice-admiraal Witte de With voor het eerst in de 12-jarige bestaansperiode van het schip uit om koers te zetten naar Het Kanaal.
     De With bleef er met een kleine vloot vier maanden rondkruisen ter beveiliging van langsvarende Hollandse koopvaarders tegen de Duinkerker kaperschepen.
     Al spoedig brak door de hoge zee de boegspriet die in Duins werd hersteld. Op de thuisreis werd nog een Engels schip met 300 soldaten buitgemaakt.

     Medio oktober 1646 werd Witte de With met 4 schepen waarbij de Brederode door Tromp naar het onbewaakte Oostende gezonden, vanwaar hij in begin december onverrichterzake in de marinehaven Hellevoetsluis terugkeerde.
     Bij het binnenlopen werd de Brederode door een aanvaring zwaar beschadigd.

     Medio 1647 besloten de Staten-Generaal de nog nieuwe Brederode toe te wijzen aan admiraal Tromp, die het tot dan toe met de te oud wordende Aemilia als zijn vlaggeschip had moeten doen.
     Het afgedankte schip, dat nog in 1643 voor ƒ 20.000 was gerepareerd en in 1646 nogmaals hersteld, werd in juli 1647 verkocht aan Frankrijk, waarna het op de Middellandse Zee als kaperschip dienst gedaan schijnt te hebben.

     Als zijn laatste reis op de Brederode als eigen commandoschip maakte admiraal De With van 26 december 1647 tot 28 april 1650 met een vloot van 12 oorlogsschepen en 28 transportschepen waarop in totaal 7400 man, een tocht naar Brazilië waar hij op 18 maart 1647 aankwam. Het was de enige reis die de Brederode buiten Europa heeft gemaakt.
     Het doel van deze expeditie was de West-Indische Compagnie bij te staan en de kolonie aldaar die, na verslapt bestuur, in 1644 onder het deskundige gezag van Johan Maurits van Nassau ('de Braziliaan' - 1604-1679) was geplaatst, te beschermen tegen de toenemende aanvallen van de Portugezen.
     Het kwam evenwel niet tot acties door verschil van mening tussen De With en de Hoge Raad over de te volgen strategie. Hierdoor bleven gevechten uit en was de vloot tot langdurig stilliggen gedoemd, wat tot veel verbittering en ellende aanleiding gaf. Er ontstond een tekort aan voedsel en materialen, terwijl de schepen sterk van wormaantasting te lijden hadden.
     Ten einde raad keerde Witte de With op eigen gezag op 10 november 1649 met de Brederode en de Gelderland naar Holland terug waar de schepen op 28 april 1650 voor het Goereese Gat aankwamen.
     De Staten-Generaal waren over dit eigenzinnig handelen uitermate ontstemd en zetten hem korte tijd in verzekerde bewaring. Na een aangespannen proces werd hem in februari 1651 een geldboete opgelegd.

De eerste Engelse oorlog

     Ter bescherming van de eigen handel en scheepvaart vaardigden de Engelsen in 1651 de Acte van Navigatie uit. Deze bepaalde dat alle import in Engelse havens alleen met Engelse schepen gedaan mocht worden. Dit betekende groot nadeel voor Holland en over en weer tal van strubbelingen. Allengs gingen de Engelsen over tot regelrechte kaapvaart.
     De Staten-Generaal besloten tot tegenactie en rustten in 1651 een kleine vloot van 10 schepen uit onder bevel van Tromp op de BREDERODE, die hiermee voor het eerst als admiraal op zijn nieuwe vlaggeschip in september zee koos met als doel de Scilly-eilanden.
     Ook De With voer weer naar zee, nu op de Princesse Louise omdat hij de Brederode in 1647 aan Tromp had moeten afstaan.
     De Brederode was met zijn 54 stukken het grootste schip van de vloot, maar altijd nog kleiner dan het kleinste schip van de Engelse vloot, zoals de Prince Royal met 64 en de Naseby met 80 stukken; de meeste Hollandse schepen kwamen niet verder dan de helft of een derde van dit aantal.
     Het zou overigens niet mogelijk zijn geweest op de Hollandse werven aanzienlijk grotere schepen dan tot nog toe te bouwen. De geringe diepte van de zeegaten en van de zeestrook langs de kust maakten het buitengaats brengen ervan niet mogelijk.

     Al spoedig kwam het onder Maaslandsluis tot lichte schermutselingen met enkele Engelse schepen. Hoewel de Hollandse vloot zich aanvankelijk behoedzaam gedroeg, liep het op 29 mei bij Dover uit op een treffen als gevolg van een vlagincident, waarbij 2 Hollandse schepen verloren gingen.
     Een thuisvarende handelsvloot onder bevel van admiraal Tromp weigerde te voldoen aan een eis van de Engelse generaal-ter-zee Robert Blake tot uitgebreid neerhalen en hijsen van vlaggen als groet.
     Als gevolg hiervan en van een gelijksoortig incident in de haven van Dover ontstond op 29 mei bij Duins (= The Downs nabij Dover) een hevig zeegevecht tussen de Engelse vloot van 12 schepen onder Blake op de James en de Hollandse vloot van 42 schepen onder Tromp op de Brederode met ruim 300 man aan boord.
     Het gevecht begon met een duel tussen de beide grote admiraalsschepen, waarbij de Brederode in deze vuurdoop meermalen door het admiraalsschip van Blake werd beschoten, zonder evenwel al te veel averij op te lopen. Ook de overige schepen raakten betrokken bij de slag. Het gevecht eindigde onbeslist, met wederzijds min of meer ernstige schade.

Admiraal Maerten Harpertszoon Tromp      In juli 1652 werd de vloot onder Tromp op de Brederode uitgezonden naar de rede van Duins om daar de Engelse vloot aan te vallen. Helaas mislukte het plan wat Tromp hoogst kwalijk werd genomen.
     Half augustus keerde de vloot terug. Tromp werd onder allerlei voorwendsels voorlopig een half jaar aan wal gehouden.

     Volgens bevel van de Staten- Generaal op 3 maart werden ca.115 nieuwe oorlogsschepen uitgerust en toegevoegd aan de 76 bodems die reeds in Het Kanaal en op de Noordzee patrouilleerden. Ook de Engelsen versterkten hun vloot tot 85 schepen.
     De schermutselingen namen toe en men bestreed elkaar met wisselend succes, waarin hevig stormweer soms duchtig meespeelde.
     De Engelse schepen waren kwalitatief inferieur aan de Hollandse, hoewel sommige Engelse schepen tot twee maal toe groter waren dan de Brederode met zijn 59 stukken, het grootste Hollandse oorlogsschip. De Engelse schepen de Souvereign en de Royal James hadden elk ca.100 stuks geschut, terwijl 18 schepen elk meer dan 40 stukken hadden, meer dan alle overige Hollandse schepen op één na, dat 48 stukken voer.
     Langzaam kwamen de Hollanders in het nadeel. Dit werd verweten aan Tromp omdat hij zonder behoorlijke reden niet tot voldoende actie zou zijn overgegaan. Hij werd vervangen door Witte de With, die zich op 2 oktober met zijn schip de Princesse Louise bij de vloot van admiraal De Ruyter voegde om zo tezamen één sterke scheepsmacht te vormen.
     De bemanning van de Brederode weigerde op 7 oktober De With aan boord te doen komen als bevelhebber van de uit 64 schepen bestaande gereedliggende oorlogsvloot, zulks vanwege zijn onaangenaam karakter.
     Hij moest tenslotte toegeven en nam genoegen met de veel kleinere Prins Willem, een slecht zeilende Oost-Indiëvaarder, waarop hij bovendien vrijwel de hele bemanning plus kapitein dronken aantrof. 'Het doet mijn in mijn Siel seer' klaagde hij een half jaar later.

     In een zeegevecht op 8 oktober 1652 bij Calais werd de Brederode zwaar beschadigd. De slag eindigde met een laffe aftocht van de Hollandse vloot die op 13 oktober bij Goeree voor anker ging.
     Als straf voor deze slechte afloop werd De With van zijn commando ontheven en in zijn plaats Tromp benoemd tot opperbevelhebber ter zee.
     Overigens bleek in deze zeeslag, dat de onderste rijen geschut op de Brederode bij enigermate ruwe zee niet te gebruiken waren wegens de lage plaatsing ervan zodat de golven tegen de geschutspoorten aansloegen. Het schip was bovendien te rank van vorm en hierdoor moeizaam handelbaar.

     Nadat de schepen op de werven van Hellevoetsluis onder persoonlijk toezicht van Tromp hersteld en schoongemaakt waren, voer hij op 1 december 1652 met een vloot van 107 bodems naar Het Kanaal om deze zeeweg schoon te vegen voor een konvooi van ca. 450 koopvaarders op weg naar o.a. de Middellandse Zee en Oost-Indië.
     Admiraal Blake besloot vanuit Engeland met zijn 42 schepen een aanval uit te voeren op Tromp, die naar Blake op zoek was gegaan.
Deze acties liepen op 10 december uit op een zeeslag bij de landtong Dungeness nabij Dover. De Brederode onder bevel van Tromp werd hevig door de Engelse oorlogsbodems de Rosery met 44 en de Bonaventura met 36 stukken beschoten en gevaarlijk ingesloten. Het schip verloor het galjoen en de boegspriet. Toch gelukte het aan Tromp en even later ook aan Evertsen beide Engelse schepen te enteren en buit te maken. Tromp verloor één schip
     In de nacht weken de Engelsen uit naar een veilige ligplaats in de monding van de Theems vanwaar zij zich de volgende dag niet meer lieten zien. Ongehinderd kon nu de grote handelsvloot langs varen.

     Op 13 december ankerde admiraal Tromf bij Boulogne met het doel daar zijn zwaar beschadigd schip zo goed mogelijk te laten herstellen, hetgeen de tijd tot aan 9 februar 1653 in beslag nam.
     Gedurende enkele dagen na dit treffe kruiste Tromp op de Brederode met zij vloot langs de Engelse kusten.

     Op 28 februa 1653 begeleidde admiraal Tromp in Het Kanaal een vloot van 150 Hollandse koopvaarders op de terugreis naar het vaderland.
     Daarbij ontstond langs de Engelse zuidkust van Portland tot het eiland Wight een drie dagen durende vernietigende zeeslag tussen de Hollandse (75 schepen) en de Engelse (70) vloot.
     Tromp moest uiteindelijk opgeven want op zijn schip de Brederode was nog maar voor dertig minuten munitie sommige hulpschepen hadden niets meer.
     Hij wist in de nacht met totaal 66 schepen ongehinderd naar Holland te ontkomen en voer 8 maart de thuishaven binnen.
     Er waren 5500 man aan doden, gewonden gevangenen te betreuren tegen 1200 man bij de Engelsen.
     Bijna al zijn schepen hadden zware schade opgelopen.
     Van de koopvaardijvloot gingen 43 schepen ten onder, terwijl de Engelsen slechts één oorlogsbodem verloren.

     Hoewel in 1653 zowel de Engelsen als de Hollanders de zeeoorlog moe waren, begon men toch geen vredesonderhandelingen.



De Hollandse vloot was er zeer slecht aan toe, zowel in het aantal bodems als in de kwaliteit ervan. Het admiraalsschip de Brederode was nog steeds het grootste schip van de vloot waartoe ook 5 iets kleinere schepen van hetzelfde type behoorden.
     De Brederode werd in het voorjaar van 1653 op de werven aan het Marsdiep bij Den Helder geheel vertimmerd en verbeterd. Er werd een buik om het schip gelegd waardoor de te grote rankheid werd opgeheven zonder dat aan de snelheid van het schip afbreuk werd gedaan. Bij slecht weer konden nu meestal ook de onderste rijen geschut gebruikt worden, die voorheen dikwijls tot of onder de waterlijn raakten. Het herstel nam bijna drie maanden in beslag.
     Inmiddels zou bij Goeree een vloot van 98 schepen bijeen worden gebracht. Door allerlei tegenslag kwam de Brederode niet eerder dan in juni beschikbaar voor gebruik. De Engelsen begonnen zich steeds dichter bij de Hollandse kust te vertonen, zodat het al moeizamer werd de Hollandse koopvaardijschepen veilig binnen te brengen en men ook voor een Engelse inval op het vasteland begon te vrezen.
     Tromp zond vanaf de Brederode een brief naar de Staten-Generaal met een verzoek meer geld te besteden aan de uitbouw van de vloot. Hij verklaarde dat de Engelsen meer dan 50 schepen hadden die beter, groter en sterker waren dan zijn vlaggeschip de Brederode.

     Op 12 en 13 juni 1653 kwam het in de zgn. tweedaagse zeeslag nabij Nieuwpoort tot een gevecht waarbij de Engelse vloot van ca.80 schepen, later nog met 16 schepen versterkt, in het voordeel was. Tromp had opdracht de Theems te blokkeren, maar de Engelsen waren hem voortijdig tegemoet gevaren.
     De Brederode met Tromp werd door de Engelsen geënterd. In uiterste nood liet Tromp een aantal onderdeks opgeslagen vaten kruit springen waardoor het bovendek met Engelsen en al in de lucht vloog. Juist op tijd werd hij daarna door De With en De Ruyter ontzet.
     Door de krasse noodmaatregel van Tromp raakte de Brederode zwaar gehavend. Ondanks het stoppen van de lekken en voortdurend pompen liep het water in de ruimen met ongeveer vijf voet in één nacht. Tromp overwoog daarom zelfs het schip aan de grond te zetten. Met veel moeite gelukte het de sterk beschadigde schepen op de Wielingen voor anker te komen.
     Van de 100 Engelse schepen ging geen verloren, de Hollanders verloren 21 van hun 98 schepen. Het verlies was ten dele ook het gevolg van de gebrekkige discipline op de Hollandse schepen.
     Na de slag werd het herstel van de Brederode met voortvarendheid uitgevoerd zodat het schip reeds na twee maanden weer zeilvaardig was. Echter was uitvaren in deze tijd onmogelijk vanwege de aanéén gesloten blokkade door de Engelsen van de Hollandse kust.

     In augustus 1653 lag in het Marsdiep een eskader gereed onder bevel van Witte de With om zonodig de uit het zuiden komende Tromp te hulp te komen, die op 3 augustus was uitgevaren. Toen dit nodig bleek, koos het eskader zee en ontmoette op koers zuid ter hoogte van Terheyde (Scheveningen) de inmiddels geheel herstelde vloot van Tromp.


     Op 10 augustus in de zeer vroege morgen raakte de verzamelde vloot slaags met de Engelsen. Met geweld gelukte het Tromp met de Brederode dwars door de Engelse vloot heen te stoten. Hij raakte echter bij deze actie geïsoleerd en werd daarbij fel bestookt door vier hem belagende Engelse bodems.
     Een fatale Engelse kogel uit het vierde aanvallende schip trof hem hier in het hart waarna hij om 11 uur in zijn hut stierf. 'Ik heb gedaan, houdt goede moed'.
     De ijlings naar de Brederode bijeen geroepen bevelhebbers waaronder De Ruyter en Evertsen alsmede Cortenaer als vlaggekapitein van Tromp hielden krijgsraad betreffende de verdere voortgang van zaken.
De Ruyter beval de admiraalsvlag vooralsnog in top te houden om de vijand te misleiden. Onder nu het opperbevel van admiraal Jan Evertsen ging de strijd in grote hevigheid voort, maar de Engelsen blekenJohan Evertsen tenslotte sterker.

     Toen de schepen van Evertsen en De Ruyter niet meer tot tegenstand in staat waren en weggesleept moesten worden, nam Witte de With het opperbevel over. Met ware heldenmoed beschermde vice-admiraal Peter Florisz. met zijn schepen de Brederode waar de gesneuvelde Tromp aan boord was. In dit gevecht had de Brederode inmiddels zijn grote middenmast verloren.
     Toen de vloten ter hoogte van de ruïne bij Santpoort te dicht onder de kust raakten, vreesden de Engelsen met hun grote schepen aan de grond te lopen en trokken weg. De zwaar gehavende Hollandse vloot stevende naar het noorden en viel op de rede van Texel binnen onder verlies van admiraal Tromp en 4000 man aan doden en gewonden en van ca.50 schepen. De Engelsen leden zoveel schade dat zij gedwongen waren de kustblokkade op te geven en naar hun thuishavens terug te keren voor herstel van hun schepen.
     De opengevallen plaats van Tromp als opperbevelhebber werd ingenomen door Jacob van Wassenaer Obdam. Voor Tromp werd in de Nieuwe Kerk in Delft een praalgraf opgericht.

Op 11 september 1653 vertrok Witte de With met een vloot van 44 schepen naar het noorden ter bescherming van een rijk beladen retourvloot van 490 schepen, die op 4 november voor Texel aankwam.
     De oorlogsvloot ontving bevel buitengaats te blijven rondkruisen waarbij de schepen hevige najaarsstormen te verduren kregen en veel averij opliepen. Niet minder dan 11 schepen gingen verloren.
Ook de Brederode liep ernstige schade op en moest voor reparatie naar de thuishaven Hellevoetsluis terugkeren. Daar werd zonder dralen begonnen met het herstel en zeilklaar maken van het schip, welk karwei op 13 oktober geklaard was.
     Inmiddels was een nieuw admiraalsschip gereedgekomen, de Eendracht (150x38x15 voet1) en werd volgens besluit van de Staten-Generaal van 8 april de Brederode toegewezen aan vice-admiraal Witte de With.

     Tijdens de winters van 1653/1654/1655 vonden er geen ernstige gevechten plaats. De Hollandse kust werd dermate door de Engelsen geblokkeerd, dat de handel en de visserij vrijwel stil kwamen te liggen en de welvaart in het land nagenoeg geheel verdween.
     Op 15 april 1654 werd met Engeland het voor Holland niet al te ongunstige Verdrag van Westminster gesloten, waarbij de Acte van Navigatie van kracht bleef en Holland een hoge boete moest betalen.

     In de zomer van 1656 werd onder opperbevel van Van Wassenaer Obdam een viertal eskaders onder bevel van resp. De Ruyter, Pieter Florisz., de nog jonge Cornelis Maertenszn. Tromp en De With naar de Oostzee gezonden om de vrije doorvaart aldaar op Danzig ten behoeve van de graan- en houthandel met Amsterdam zeker te stellen.
Het eskader van De With kwam te laat aan omdat het herstel van de Brederode nog niet geheel gereed was en wegens de moeilijkheden met het werven van voldoende bemanning, want men wilde niet varen onder het bevel van de onsympathieke De With. Windstilte bij het uiteindelijke uitvaren op 8 juli en het al na een week optreden van zware lekkages wegens slechte reparatie veroorzaakten nog meer vertraging. Met te weinig manschappen aan boord kwam de Brederode eindelijk op 17 juli aan, ongeveer zes weken na de overige vlooteenheden.
     Na ruim twee maanden, van 27 juli tot 6 oktober, zonder activiteiten op de rede van Danzig gelegen te hebben, keerde de vloot onder leiding van Obdam terug en kwam hij met de Brederode op 6 november in Hellevoetsluis aan.

     Op 16 augustus 1657 stak vlootvoogd Witte de With op de Brederode met een kleine vloot in zee voor het kruisen over de Noordzee, waarbij geen vijandelijkheden voorvielen. In de tweede week van september woedde zwaar stormweer met aanzienlijke ontreddering op de meeste schepen als gevolg.
     Op de Brederode gelukte het de bemanning niet dan met veel moeite de stormschade te beperken tot enkele gebroken ra's en het verloren gaan van de boegspriet met de fokkemast en van veel zeil en tuigage. Zo goed mogelijk werd het schip met noodvoorzieningen zeilvaardig gemaakt en voer het thuiswaarts waar het half onttakeld op 18 september de haven van Hellevoetsluis binnenliep.

De ondergang van de Brederode op 8 november 1658.

     Gedurende het winterseizoen van 1657/1658 bleven de vloten binnengaats. De Staten-Generaal besloten in augustus 1658 tot het steunen van Denemarken met een vloot in de strijd tegen de binnenvallende Zweden. Op 17 oktober werden met dit doel 35 schepen uitgezonden waaronder de Brederode onder bevel van admiraal Van Wassenaer Obdam. Overigens kwam dit schip, evenals dit al eerder was voorgevallen, te laat aan wegens het nog niet klaar zijn van de omvangrijke herstelwerkzaamheden, die bovendien onder uitermate slechte weersomstandigheden moesten worden uitgevoerd.
     Het vlaggeschip kon niet eerder dan op 17 oktober vanuit het Goereese Gat vertrekken en had daarbij het ongeluk op de genoemde dag in aanvaring te komen met één van de 100 schepen van een langskomende koopvaardersvloot. De schade kon al varende hersteld worden en zonder verder ernstig oponthoud kwam men op 29 oktober via Kaap Schagen in de Sont aan.
     Wel was het eskader tijdens deze heenreis op 1 november nabij Varberg aan de Zweedse westkust in een schermutseling geraakt, waarbij enkele schoten vielen.

     Op 8 november 1658 voeren de schepen van de in 3 eskaders opgedeelde vloot de Sont in, waar het ter hoogte van het aan de kust gelegen kasteel Kronenburg tot een hevig treffen kwam met de uit 45 schepen bestaande Zweedse oorlogsvloot, die onder bevel stond van admiraal Wrangel. Het eerste schot van deze zeeslag werd van land af gelost en wel door de Zweedse koning zelf.
     Al snel ontstond er grote verwarring omdat de ingang tot de Sont ter plaatse smal is en de schepen van de beide elkaar bestrijdende vloten niet anders dan in het nauwe en snel stromende vaarwater dichtbij en door elkaar konden manoeuvreren.
     Spoedig liep het uit op een geïsoleerd tweegevecht tussen het Zweedse admiraalsschip Victoria met 74 stukken onder bevel van admiraal Wrangel en de beide schepen de Brederode met 59 stukken onder bevel van De With en de Eendracht met 72 stukken onder bevel van Obdam.
Witte de With     Met hevig kanonvuur gelukte het aan de Hollanders de ingesloten Zweedse Victoria buiten gevecht te stellen, waarbij admiraal Wrangel ernstige verwondingen opliep.

     De Brederode liep met twee schepen uit om nu ook het grote schip de Braak met 66 stukken van de Zweedse vice-admiraal Bjelkenstierna aan te vallen.
     Beide schepen kwamen rakelings aan elkaar en de bemanningen sprongen over en weer aan boord om zo het schip van de ander te overmeesteren. Door de ter plaatse dicht langs de wal staande felle zeestroom dreven de schepen ongelukkigerwijze af naar een ondiep gedeelte en raakten beide daar na twee uren strijd langs de oever aan de grond.

     Bovendien had de Brederode hevige aanvallen te verduren gekregen van een tweede Zweedse oorlogsbodem, de WISMAR die met 2 twee schepen te hulp was geschoten. Het gelukte de Zweden uiteindelijk aan boord van de BREDERODE te komen.
Na enige uren wanhopige strijd werd admiraal Witte de With zwaar aan zijn linkerdijbeen gewond met als gevolg dat de manschappen de moed dreigden te verliezen. Met ijzeren wilskracht bleef De With, die bovendien door een Zweedse kogel dodelijk was getroffen, op zijn knieën liggende zich verdedigen tegen twee Zweedse soldaten die hem zijn degen wilden afnemen.
Tenslotte raakte hij door bloedverlies geheel uitgeput en moest hij het opgeven. Zijn manschappen brachten hem over naar zijn kajuit. De vijand wist nu op de Brederode over te springen en het schip buit te maken. Met zijn laatste krachten gelukte het De With zijn schip te verlaten en over te gaan op de naastliggende Zweedse Wismar, gevolgd door zijn bemanning.

     Ook de vijand moest tenslotte wegens lijfsbehoud de steeds sterker overhellende Brederode verlaten.
Toen het Zweedse schip de Wismar zich van de Brederode losmaakte en wegvoer, verloor de onttakelde Brederode zijn steun en kapseisde. Zo ging dit trotse en fraaie schip na slechts 12 roerige dienstjaren zonder iemand aan boord in de golven ten onder. De Zweden hadden in de laatste minuten kans gezien de admiraalsvlag en enkele scheepspapieren van De With van boord te halen.
     Kort na de ondergang van zijn schip verloor ook Witte de With op de Wismar zijn persoonlijke strijd om levensbehoud. Zo stierf een dappere niet geliefde leider aan boord van een vijandelijk schip, in trouwe dienst van zijn verre Vaderland.
In deze zeeslag was het verlies aan schepen wonder boven wonder gering. Behalve de Brederode gingen nog slechts 3 branders verloren. Toch was de slag op zich voor de Hollanders niet verloren. Het resultaat was tenslotte, dat de Sont vrij was voor de doorvaart naar de Oostzee ten behoeve van de Hollandse handelsvloten en dat ook de stad Kopenhagen ontzet werd van de daarin aanwezige Zweedse troepen.

     Na de slag schreef kapitein Aert van Nes aan de Staten-Generaal 'Den vice-admiraal de Wit is genomen, maar het schip is om hals, en hij is God betert dood'. Admiraal Witte de With werd in de St.Laurenskerk in Rotterdam begraven, waar voor zijn nagedachtenis een fraaie tombe is opgericht.

     Het wrak van de Brederode is teruggevonden. Het ligt nabij Snekkersten, enkele kilometers ten zuiden van Helsingør aan de Deense kust, waar het op 11 oktober 1954 door de duiker Jan Uhre werd gelokaliseerd. Het is vrijwel geheel in de zeebodem verzonken.
     In mei 1955 vond een tweede onderzoek plaats ter beoordeling op een eventule mogelijkheid tot berging ervan. Tot nu toe is het niet tot een berging gekomen. Overigens had men al in 1660, dus kort na de ondergang, kans gezien 26 stukken geschut uit het gezonken schip te lichten.
Dat gebeurde ook in 1909 toen de Deense steenvisser E. Hansen naast andere zaken drie kanonnen uit het wrak wist op te halen.
De twee in Snekkersten achtergebleven kanonnen zijn spoorloos verdwenen, het derde ijzeren kanon van drie meter lengte staat opgesteld bij het Raadhuis in Brielle, de geboorteplaats van Tromp. Van enkele kleine ook opgehaalde objecten is een deel in het Scheepvaartmuseum in Amsterdam bewaard gebleven, nl. twee pijpjes, twee stenen kruikjes, twee hijsblokken en een kanonskogel. Het scheepsjournaal van De Withs laatste zeereis wordt bewaard in het Rijksarchief in 's-Gravenhage.

     Er bestaat geen schaalmodel van de Brederode. Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam heeft een model uit de 17e eeuw van de Hollandia, een gelijksoortig schip. 

Bron: Scriptie 2, Jan H. Verhoog, blz. 9-20

 

 

Copyright © 2016-2017 Rob Hubert, Alle rechten voorbehouden.
Joomla templates by a4joomla