De grafzerk in Velsen


     Inleiding: Het navolgende is een uitgebreide weergave van het rapport 'De Brederode-zerk van de Engelmunduskerk in Velsen-dorp’ van B.J. Oosterop. Het bevat een verslag met conclusies van het door hem verrichte diepgaande onderzoek in de jaren 1994-1996 binnen het kader van de Archeologische Werkgroep Velsen, met welwillende medewerking van specialisten en instellingen op hun vakgebieden.
     De voor Nederlandse begrippen bijzonder zeldzame middeleeuwse zerk met de beeltenis van een ridder en zijn vrouw, die in 1967 in Velsen-dorp werd opgegraven door de Archeologische Werkgroep Velsen, is tot nu toe niet uitgebreid onderzocht qua afbeelding, steensoort en datering in combinatie met de archeologische vondsten. Het archeologisch onderzoek was door genoemde Werkgroep wegens opgravingen van bedreigde gebieden (verbreding Noordzeekanaal, Wijkertunnel etc.) nog niet afgerond.
     De zerk werd ter hoogte van de vermoedelijke vroegere Brederode-kapel van de Engelmunduskerk ontdekt, zodat aangenomen werd dat de zerk toebehoord zou hebben aan een echtpaar van Brederode. Tot voor kort was er geen compleet boekwerk met alle historische gegevens over het geslacht Brederode beschikbaar, zodat meerdere auteurs een min of meer ongelukkige keuze hebben gemaakt voor een in aanmerking komend echtpaar van Brederode.
     Met dit artikel wordt beoogd de vondsten zowel afzonderlijk als in een samenhangende bredere historische context te plaatsen.

     De Brederode kapel - Sinds 1255 behoorde de kerk van Velsen door aankoop van het ambacht Velsen tot de heerlijkheid Brederode. De Brederode's hadden het recht om een persoon voor het pastoorsambt voor te dragen aan de bisschop. Dit zogenaamde patronaatsrecht werd verkregen door de kerk te begiftigen met fondsen voor onderhoud en eredienst. Een begrafeniskapel voor hen zelf in deze parochiekerk lijkt voor de hand liggend. Uit een bouwbestek van 1596 blijkt dat er zo'n kapel geweest moet zijn. Als gevolg van vernielingen door de Spanjaarden is een bouwbestek opgesteld waarin inderdaad sprake is van 'Brederoos Cappelle'. De Spanjaarden hadden bij het beleg van Haarlem veel houten balken nodig voor de ondermijning van de stadsmuren. In 1573 werden van alle kerken, kapellen en veel huizen uit de omgeving de kapconstructies verwijderd. Ook de Engelmunduskerk ontkwam dus niet aan zijn lot.
     Na toestemming van Amelia, weduwe van de in 1568 overleden Heer Hendrik II van Brederode, om landerijen van de kerk te verkopen voor het bekostigen van de wederopbouw, werd op 5 januari 1596 begonnen met een gedeeltelijk herstel van de kerk. In het bestek van 1596 staat ondermeer'... aan de noordsijde, de boge van Brederodes capel te stoppen tot twee steenen dik ...'. De muren van de kapel werden afgebroken voor reparatie van het schip van de kerk. De uit baksteen gevormde boog, dichtgemetseld met baksteen van verschillend formaat, is in de tufstenen noordmuur nog steeds herkenbaar. De spitsboog heeft een hoogte van ongeveer 4 m. Tijdens archeologisch onderzoek door genoemde Werkgroep is in de bodem buiten de kerk een puinspoor aangetroffen, maar hieruit kon echter niet de oorspronkelijke omvang van de kapel worden gereconstrueerd. Op ongeveer 2,30 m afstand van de noordmuur is ter hoogte van de spitsboog een grafzerk gevonden. Deze zerk met een gracieuze voorstelling van een ridder en een edelvrouw, die bovendien voorzien is geweest van kostbaar inlegwerk, moet toebehoord hebben aan een belangrijk echtpaar. De zerk met nog het inlegwerk zal een tijd lang tot 1573 zichtbaar zijn geweest. De kapel is wellicht op zeker moment in gebruikt geraakt als toegang tot de kerk. Het oppervlak van de steen is namelijk zeer gesleten door de kerkgangers, terwijl de vlakken waarin oorspronkelijk het geelkoperen inlegwerk heeft gezeten slechts lichte slijtage vertoont. Er kan verondersteld worden, dat het inlegwerk met randschrift niet lang vóór de bouwvallige toestand van de kerk in 1573, mogelijk tijdens de beeldenstorm van 1566, verloren is gegaan.

Hervormd Engelmunduskerk

Hervormd Engelmunduskerk (Reliwiki 02-02-2007, Leon Blok)


Hoewel het aannemelijk is dat de zerk toebehoord heeft aan een zeer aanzienlijk echtpaar van Brederode, is het zinvol na te gaan of een ander geslacht in aanmerking kan komen. Het enige andere belangrijk geslacht in Velsen was het geslacht Persijn, dat midden 13e eeuw het Huis te Velsen in leen verkreeg. Dit geslacht noemde zich toen 'Heren van Velsen' naar de vroegere bewoners van het huis. Jan III Persijn van Waterland, sinds 1314 gehuwd met Jutte van Brederode (†1346, dochter van Dirk II van Brederode), stichtte en doteerde een kapelanie (fundationem et dotationem cappellaniae) op het altaar van St. Andries in de kerk van Velsen. Dit betekent, dat een priester werd belast met de bediening van het altaar.
     Na het overlijden van Jan Persijn in 1353 werd door zijn erfgenamen onmiddellijk actie ondernomen de kapelanie over te brengen naar het altaar van het Heilige Kruis in de St. Bavo-kerk in Haarlem. Beide echtelieden werden begraven in het klooster Leeuwenhorst in de regio Noordwijk. Verder is bekend dat in 1347 Jan II van Polanen, zoon van Catherina van Brederode (eveneens een dochter van Dirk II) een kapelanie stichtte op het altaar van de Heilige Maagd en de apostel Petrus in de kerk van Velsen. De monumentale tombe van Jan II van Polanen (†1394) is nog immer te bewonderen in de Grote Kerk in Breda.
     Zo lagen er nauwe banden tussen Brederode en de Velsense kerk. De kostbare zerk moet alleen al om die reden toebehoord hebben aan een Brederode.

     Funerair antecedente onderzoek - Nu aannemelijk is dat de zerk zeer waarschijnlijk toebehoorde aan een echtpaar van Brederode, zal naar geschikte kandidaten gezocht moeten worden. Willem van Brederode (†1316) en zijn vrouw Elsebee (Elisabeth) van Kleef komen in tegenstelling tot wat eerder gedacht werd, niet in aanmerking voor begraving in de Engelmunduskerk.
     Na de dood van Willem hertrouwde Elsebee in 1330 in Dortmund met Heer Conrad van der Mark. Beiden werden begraven in het door hen gestichte clarissenklooster Clarenberg bij Dortmund.
Verder is bekend dat het merendeel van het geslacht Brederode bijgezet werd in klooster-kerken. Als voorbeeld kan hierbij het St. Jansklooster en het carmelietenklooster in Haarlem worden aangehaald. Overigens is het type kerk waar dergelijke grafsculpturen en zerken werden opgericht een indicatie voor de status van de personen die herdacht werden. Schenkingen als legaten, land, opbrengsten van bezittingen etc. voor het periodiek doen lezen van missen voor het zieleheil en ter (na-)gedachtenis van zichzelf, echtgenote, nakomelingen en voorzaten waren gewoon.
     Voor wat betreft de Heren van Brederode en hun echtgenotes zijn slechts twee echtparen aan te wijzen qua sterfjaren en zerkdatering, die in de Brederode kapel van de Engelmunduskerk begraven zouden kunnen zijn, nl. WILLEM van Brederode (†1285) met zijn vrouw Hillegonda van Voorne (†1302) en Heer Hendrik van Brederode (†1345) met zijn vrouw Isabella van Fontaines (†1346).
     Met zekerheid wordt aangenomen dat Hendrik van Brederode in 1345 heeft deelgenomen aan de strijd tegen opstandige Friezen en bij Warns sneuvelde. Het is onwaarschijnlijk dat zijn stoffelijk overschot alsnog in de kerk van Velsen werd bijgezet.

     Begravingen voor de welgestelden in de 13de en 14de eeuw - Gedurende de Middeleeuwen werden stenen grafkelders onder de kerkvloeren gebouwd, waarop de stenen zerken een deel van de kerkvloerbetegeling vormden. Zijkapellen werden dikwijls aangebouwd voor een graf van een vereerde persoon, waarbij de kapel via bijvoorbeeld een spitsboog in open verbinding met het kerkschip stond.
     Zowel binnen als buiten de kerk werden éénpersoons-grafkelders gewoonlijk in een rechthoekige of langgerekte trapezium vorm gebouwd en opgezet van baksteen (kloostermoppen) of tufsteen met een zadeldakachtige afsluiting, bestaande uit schuin tegen elkaar geplaatste stenen. Dit type werd in en rond de Engelmunduskerk aangetroffen. Elders kwamen ook éénpersoons-grafkelders met een tongewelf voor. De binnenkant van een baksteengraf was wit bepleisterd en met name in de lage landen soms voorzien van schilderingen. In of op de mortelvloer waren meestal twee dwarsgeplaatste baksteenrijen gelegd, waarop de houten kist kon rusten.
     Ingegraveerde grafzerken met meestal volledige afgebeeldingen van de begraven personen lieten een lange traditie zien gedurende de 12de tot ongeveer de 17de eeuw. De afbeelding op de zerk van de Engelmunduskerk toont de gebruikelijke voorstelling van een ridder en zijn vrouw in de pose en opstelling van beide echtelieden en van hun plaats in een kerk-exterieur. Veelal werden de menselijke gestalten min of meer levensgroot afgebeeld. Ook attributen zoals kleding, schild en zwaard, religieuze symboliek zoals de bidhouding, dieren aan het voeteneinde, vierpassen enz. vormden in de 13e en 14e eeuw een vast patroon op de zerken.
     De soort afbeeldingen op de inmiddels gebruikelijk geworden gedenkmonumenten bleven voor langere tijd vrijwel onveranderd. Toch lieten de afbeeldingen overwegend een doorsnede van de toenmalige dracht zien, terwijl aan de meer traditionele afbeeldingen details van eigentijdse elementen toegevoegd waren. Uit geschreven documenten blijkt bijvoorbeeld dat versterkingsstukken over maliën zoals lamellen rustingsstukken in de tweede helft van de 13e eeuw al gangbaar waren, terwijl deze stukken op grafmonumenten niet eerder dan in begin 14e eeuw verschenen.
     Het is bekend dat de stenen zerken en geel-koperen platen 'en masse' in produktie-centra werden vervaardigd en vandaar uit gedistributeerd. Microscopisch onderzoek door de firma Rockview in Amsterdam heeft aangetoond dat de zerk, die 238 x 192 x 16 cm meet, bestaat uit Doornikse kalksteen. Ten zuiden van de stad Doornik waren (en zijn) op beide oevers van de Schelde vooral in de 13e en 14e eeuw belangrijke groeven, waarin de blauwzwarte carbonische kalksteen werd gewonnen.
     In Gent waren talrijke beeldhouwers werkzaam bij het vervaardigen van grafmonumenten in Doornikse kalksteen, die over de Schelde werd aangevoerd. Vooral werd de Doornikse steen in de 13e en vroege 14e eeuw als bouwsteen geleverd in Franse, Vlaamse, Zeeuwse en Hollandse gewesten. Voor objecten als zerken, vloertegels of stenen platen werd Doornikse steen evenwel tot ver in de 15e eeuw toegepast.
     De voorstelling op de zerk is in groeven en verdiepte vlakken van ca.5 a 6 mm diep uitgehakt. Deze vlakken zijn met geel-koper ingelegd geweest. Bij deze techniek van lijnuitsparing behouden de tekenlijnen het oorspronkelijke oppervlak van de zerk. Extra ingesneden vlakjes in de uitgehakte vlakken zorgen dat toegevoegde pek het inlegwerk beter laat hechten aan de steen. De kostbare zerken, in lijnuitsparing uitgevoerd, zijn uitsluitend vervaardigd voor zeer voorname personages of families. Genoemde techniek kwam tegen het einde van de 13e eeuw in zwang.
     Helaas is bij de opgraving in 1967 de steen zonder inlegwerk aangetroffen, waardoor de wapenfiguren, randschrift, leuzen in de wimbergen en andere details met betrekking tot de menselijke gestaltes en de hond ontbreken.
     Het is opvallend dat voor het gelaat geen uitsparingstechniek met inlegstukken is toegepast, zodat de gezichtsexpressie door graveren werd verkregen. In het oppervlak van de uitgehakte vlakken zijn de ruwe spitsbeitelsporen goed zichtbaar, terwijl de voorstelling zelf door stappen van de kerkgangers mettertijd is uitgesleten en vervaagd.
Bovendien trof men de zerk in drie gebroken delen aan (bij transport is er nog een vierde stuk afgebroken), met op de breukranden grote beschadigingen. Ook zijn delen van het oppervlak afgeschilferd, zodat bijvoorbeeld van de hond alleen de kop nog zichtbaar is.
     Toch is het grootste deel van de afbeelding op de zerk bewaard gebleven en valt er voor Nederlandse begrippen een bijzonder zeldzaam mooie middeleeuwse voorstelling van een adellijk echtpaar te bewonderen.

     Archeologische vondsten - De zerk is circa 60 cm onder het maaiveld en 2,30 meter vanaf de noordmuur van de Engelmunduskerk ter hoogte van de vroegere gotische doorgang aangetroffen. De onder de zerk gelegen éénpersoons grafkeldertjes, graf 5 en 6, zijn opgetrokken uit kloostermoppen. Alleen de zadeldakachtige afsluiting aan het hoofdeinde van graf 6 was nog in oorspronkelijke staat.
     De westoostelijk georiënteerde graven liggen iets ten op zichte van elkaar verschoven. Verder bleek dat graf 5 vrijwel geheel met zand en graf 6 ook met puin opgevuld is geweest.
Situering van de beide Brederode graven (5 en 6) en in enkel-gearceerde lijnen de in 1967 gevonden grafzerkIn graf 5 zijn sporen vastgesteld van een grote houten kist en van een kleine kist met een formaat van 78 x 23 cm. De kleine kist, waarin niets van de inhoud is teruggevonden, heeft vermoedelijk bovenop de grote kist gestaan. De spijkers op de bodem stonden met de koppen in de ca. 0,5 cm dikke mortelvloer. In graf 6 zijn alleen indirecte sporen van een kist middels de vele spijkers aangetoond.
     Baksteenformaten kunnen een indicatie van de ouderdom van een gebouw of ander bouwwerk geven. Hoe kleiner de steen hoe jonger het bouwwerk. Het kloostermop-formaat uit de puinsleuf van de voormalige Brederode-kapel is 28 x 14 x 7 cm. De datering hiervan is bepaald tussen 1260 en 1295. Het kloostermop-formaat van graf 6, althans van de kleinst bekende afmeting, is 28 x 13,5 x 6 cm en dateerbaar tussen 1280 en 1320. Van graf 5 is helaas geen determineerbare afmeting bekend.
     De gegevens zijn ontleend aan de grafiek van middeleeuwse baksteenformaten van dateerbare formaten in het Hollandse kustgebied (ongeveer van Vlaardingen tot Alkmaar). Als parameter wordt het volume genomen. (Mede naar vriendelijke mededeling alsmede grafieken van G.P. Alders en diens artikel in Westerheem XXXIV 1985, p.269-270).
Globale determinatie van de scherven uit put 14 wees uit, dat ongeveer 25% van het aantal vondsten bestaat uit vroeg middeleeuws aardewerk, in het bijzonder het Badorf type, 50% uit kogelpot (veel kleine stukjes) en 5% uit Pingsdorf-aardewerk scherven. Tezamen komt dit neer op 80% van de vondsten. De rest bestaat voor het grootste deel uit steengoed, zoals proto- en bijna-steengoed, maar vooral Siegburgsteengoed. Roodaardewerk is nagenoeg niet aangetroffen. Uit de vulling van de graven 5 en 6 zijn dezelfde typen aardewerk gekomen, zij het in een meer gelijke verhouding.
     Vanwege het nagenoeg ontbreken van een zadeldakachtige constructie kunnen de graven later opgevuld/dichtgestort zijn of misschien zelfs hergebruikt. De overige grafkeldertjes bevatten geen skelet en zijn kennelijk alle geruimd en in onbruik geraakt. Het lijkt waarschijnlijk dat de skeletten van graf 5 en 6 van middeleeuwse oorsprong zijn en mogelijk van de eerst begravenen wegens o.a. het ontbreken van jonger schervenmateriaal in de grafkelders.
     In het graf 5 van de ridder, binnen de voormalige houten kist aan het hoofdeinde werd een penning (Ø 12 mm) van Floris V gevonden, wat aangeeft dat het hier gaat om een bijna ongestoord middeleeuws graf. De opgegraven munt toont een naar links gewend gotisch gravenportret, terwijl op de keerzijde een lang dubbellijnig kruis afgebeeld wordt. Het kruis is gekantonneerd met roosjes of sterretjes. Het omschrift luidt COMES hOLLANDIE en op de keerzijde HO LL AN Tx. Naar de nieuwste inzichten kan de gevonden zilveren Hollandse penning van Floris V gedateerd worden tussen 1284 en 1286.
Vanaf 1286 werden nieuwe gedevalueerde penningen in omloop gebracht, terwijl de gerevalueerde te zware munt uit de jaren 1284 t/m 1286 officieel buiten omloop werd gesteld. Uit deze gang van zaken mag worden aangenomen, dat laatstgenoemde munt in de periode van 1284-1286 in het graf moet zijn terecht gekomen.
     De begraven persoon moet dus in genoemde periode ter aarde besteld zijn. Het overlijdensjaar van Heer WILLEM van Brederode van 1285 valt precies binnen de omloopperiode van de penning, zodat de zilveren Floris V penning als het visitekaartje van de ridder gezien kan worden!

     Skeletten - De skeletten van graf 5 en 6, opgeslagen in het Provinciaal Depot voor bodemvondsten Noord-Holland, zijn onderzocht op geslacht, lengte, leeftijd en bijzonderheden. Het geslacht en lengte is volgens gestandaardiseerde methoden redelijk goed te bepalen, maar leeftijdsschattingen bij volwassenen is geen eenvoudige zaak. Ook zijn er nagenoeg geen andere skeletten uit dezelfde periode gevonden, zodat er geen vergelijkingen gemaakt kunnen worden.
     Gezien de compleetheid van de skeletten moet volgens F.J. Laarman van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek de archeologische opgraving uit 1967 zeer nauwkeurig zijn geweest, zodat archeo-zoölogisch onderzoek plaats kon vinden.
     Het skelet uit graf 5 is afkomstig van een man van circa 40-60 jaar met een lichaamslengte van ongeveer 182 cm. Interessant is het grote aantal genezen botbreuken in het rechter schouderblad, in de sleutelbeenderen en in het rechter scheenbeen. Bovendien was minstens één, maar wellicht meer ribben gebroken. De vele botbreuken kunnen duiden op een val van zijn paard.
     Het skelet uit graf 6 betreft een vrouw. Haar leeftijd is geschat tussen de 50 en 80 jaar, de lichaamslengte op ongeveer 161 cm. 'Opvallend zijn de versleten borstwervels en de botknobbeltjes op het verhemelte. Een aantal borstwervels zijn scheef ingezakt (kyfose) waardoor de houding van deze vrouw niet geheel rechtop was. Het skelet wordt verder gekenmerkt door een aantal versleten gewrichten'.
     Het vermoeden bestaat dat de skeletten de oorspronkelijke individuen van de 13e/14e eeuwse graven zijn. Hoewel de graven 5 en 6 naderhand zijn opgevuld met zand en puin, waarom de zerk verplaatst moet zijn geweest, is de kans groot dat de zerk en onderliggende graven bij elkaar hebben behoord. Onder de ridderfiguur van de zerk is dus het skelet van een man aangetroffen en onder de vrouwenfiguur het skelet van een vrouw.
     Er zal naar een relevant historisch echtpaar gezocht moeten worden van wie de leeftijden corresponderen met die van de skeletten. Zoals reeds is vastgesteld, komen aan de hand van historische bronnen slechts twee echtparen in aanmerking. Gezien de geboorte- en sterfjaren van Hendrik van Brederode van circa 1305 en 1345, en van Isabella van Fontaines van circa 1300 en 1346 komt dit echtpaar wegens de te late tijdsperiode niet in aanmerking.
     Heer WILLEM van Brederode (†1285) is met redelijke zekerheid geboren tussen 1225 en 1235, zodat het jaar 1230 aangehouden kan worden. Als oudste kind kan de geboortedatum van Hillegonda van Voorne (†1302) gesteld worden op 1232).
     De leeftijden van WILLEM (55) en Hillegonda (70) passen wonderwel bijzonder goed binnen de periode van de geschatte skeletleeftijden, namelijk resp. 40 a 60 en 50 a 80 jaar.
     Een andere mogelijke aanwijzing dat zerk en skeletten bij elkaar behoren, is het volgende: De man en vrouw zijn bijna levensgroot afgebeeld, d.w.z. de afmetingen van de grafzerk staan in verhouding tot die van het menselijk lichaam, omdat de zerk het eigenlijke graf moet bedekken.
     De geïdealiseerde voorstelling van man en vrouw is gebaseerd op hun sociale aanzien dat zij tezamen hebben genoten. Zo zal de steenhouwer rekening gehouden moeten hebben met bijzonderheden van de personen in kwestie, waarbij niet alleen de soort kleding, maar misschien in enkele gevallen ook fysieke kenmerken van belang konden zijn geweest.
     De lengte van de man en vrouw komt in vergelijking met de skeletten alleen overeen in geval dat de lengte van hen van top tot teen zonder hoofdbedekking wordt gemeten, d.i. resp. 1,82 (= exact de geschatte skeletlengte!) en 1,63 m, dus inclusief de lengte van de toen gebruikelijk liggende stand van de schuin naar buiten staande voeten.
     Het is bekend dat het resultaat van de lengtebepaling bij skeletten slechts een benadering van de oorspronkelijke lengte is, zodat het verschil van 2 cm (= 163 min 161) hiermee verklaard zou kunnen worden. In ieder geval kan gezegd worden dat het vrij grote lengteverschil tussen man en vrouw opvallend in beeld is gebracht.

     De afbeelding van de zerk - = architectuur - De bijna levensgrote ridder en vrouw staan in biddende houding in vensters van een groot gotisch kerkgebouw. Hoewel de levensecht afgebeelde personen rechtop staan, geven de schuin naar beneden staande voeten de indruk alsof de persoon in kwestie ligt. Deze afbeeldingswijze van personen is typisch voor de 13e en 14e eeuw.


Grafzerk van het graf van Willem en Hillegonda van Brederode
(Rijksdiens voor het Cultureel Erfgoed, object 178.409)

 

 Reconstructie-tekening van de in 1967 gevonden grafzerk in Velsen-dorp
(Archiologische werkgroep Velsen - 1996 - Nic. van Dam / Bert J. Oosterop)



Aan de buitenzijde van het gebouw zijn de volgende bouwelementen te zien: Het dak met de leien en de vorst waarop een gebeeldhouwde kam van steen of smeedijzer met bladmotief, een spitsbogen balustrade met een vierpasffies waaronder een muur, wimbergen (= driehoekig bouwdeel) met aan weerszijde de pinakels (decoratie-torentjes) met de versierselen als knophogels en aan de top een kruisbloem in de vorm van een Bourgondische lelie. Halverwege de pinakels zijn waterlijsten aangebracht.
     De driehoekige bekroning van de vensterkoppen, de wimbergen, was een gebruikelijke bouwstijl in de periode van de gotiek. Op zerken in het tweede kwart van de 14e eeuw komt de eenvoudige spitse driepasboog in vergelijkbare gedetailleerde kerkexterieurs niet meer voor. De op regelmatige afstanden geplaatste hogels zijn een kenmerkend siermotief in de gotiek. Op middeleeuwse zerken komt de oorspronkelijke knopvormige hogel tot circa 1300 voor.

     Ridderfiguur - De hoofdbepantsering van de ridder bestaat uit een maliënkovel (halsbergkap), waaronder hoogstwaarschijnlijk een kleine ronde smeedijzeren helm, de beckeneel zit. Dat is af te leiden uit de relatief grote omvang van de kovel. De oorspronkelijk bolvormige beckeneel kreeg rond 1320/30 een eivormig uiterlijk.
     De pantserkleding bestaat uit een zogenaamde maliënkolder, waarbij ook de benen door pijpen van maliën bedekt waren. De maliënkolder (halsberghoele) van de ridder is een maliënpantserhemd, bestaande uit lange mouwen met wanten en de maliënkovel. De wanten op de afbeelding hebben aan de binnenzijde een opening om de hand uit de want te kunnen halen zonder de halsberg helemaal uit te trekken. Het begin van de split aan de voorzijde van de knielange halsberg is nog juist zichtbaar. Deze vorm behield de maliënkolder tot ongeveer 1320, doch de geleidelijke opdeling in hemd met staande kraag, kap en handschoenen begon al in 1250, totdat die vorm en opdeling in losse stukken rond 1330 gebruikelijk was. In dezelfde periode ontstonden scheen-, knie- en armstukken, schijven enz. voor versterking van de maliënbepantsering aan armen en benen. Deze versterkingsstukken werden op koperen platen en stenen zerken geregeld afgebeeld vanaf circa 1320. Over de maliënkolder werd de heraldisch versierde wapenrock gedragen, die omstreeks 1300 nog tot de knie reikte, maar later aan de voorzijde meestal korter was. Gedurende het grootste deel van de 13e eeuw was de wapenrock mouwloos, maar tegen het einde van de eeuw verscheen tevens een rock met mouwen. Op de zerk is een knielange rock zonder mouwen afgebeeld.
     De ridder draagt schouderschildjes, zogenaamde britsieren of ailettes, die met de wapenfiguur op de wapenrock en schild precies overeenkomen. De schouderschildjes werden zijdelings rechtopstaand gedragen om het familiewapen, dat reeds vooraan op het schild getoond werd, ook van opzij goed zichtbaar te maken. Ook wordt verondersteld dat deze schildjes dienden om zwaardslagen tegen de hals of de helm op te vangen en af te leiden. De natuurlijke afbeelding van de zijdelings gedragen schouderschildjes op een vlakke zerk stelde de beeldhouwer voor een probleem. 
     Het oudste Brederode-ruiterzegel d.d. 1270De schildjes op de Velsense zerk zijn schuin achter de schouders aangebracht. Afgebeelde ailettes op stenen zerken zijn bekend in de periode van 1260 tot 1350.
     Hoewel de wapenfiguren op de schouderschildjes, het schild en wapenrock niet meer zichtbaar zijn, kon de vorm van deze figuren aan de hand van het ruiterzegel van WILLEM worden achterhaald. In het archief van Keulen bevindt zich nl. nog een redelijk compleet en slechts licht beschadigd ruiterzegel van WILLEM uit 1270, terwijl in het stadsarchief van Utrecht een zeer beschadigd fragment van een ruiterzegel uit 1274 aanwezig is. Met behulp van beide zegels is een vrij nauwkeurig zegel gereconstrueerd (Zie afb.). Het randschrift luidt: ’S' W[ILHELMI] MILITIS DE : BREDERODE' (zegel van Willem ridder van Brederode). Het wapen toont een klimmende leeuw beladen met een barensteel van drie hangers.
     Aan de hielen van de ridder zijn door middel van lederen riempjes priksporen vastgemaakt. De priksporen zijn de voorlopers van de rad- of rolsporen. Deze ontwikkeling vond niet van de ene op de andere dag plaats en de twee typen sporen, prik en rad, hebben tijdens zekere periode gelijktijdig bestaan. Ná 1350 komen priksporen op stenen zerken nauwelijks voor.

     Voetondersteuning - Hoewel aan de voeten van de ridder een hond ligt, komt bij afbeeldingen van ridders de leeuw verreweg het meeste voor in vergelijking met andere dieren. De hond komt overigens wel zeer regelmatig voor. Bij afbeeldingen van edelvrouwen komt de hond zelfs vaker voor dan de leeuw. De betekenis van de hond is niet steeds bedoeld als symbool voor eeuwige trouw, maar kan ook een verwijzing naar het dagelijkse bestaan zijn. De dieren zijn meestal liggend en rustend tegen of onder de voeten van een menselijke gedaante afgebeeld.

     Manus Dei - Boven het hoofd van de edelvrouwe steekt een naar beneden gerichte rechterhand uit een wolk, d.i. het Manus Dei teken als symbool van bescherming over personen. De hand Gods is het belangrijkste symbool voor God de vader en is als motief in de periode van de 4e tot en met de 13e eeuw wijd verbreid. Op zerken van de 14e en vroege 15e eeuw komt de hand Gods meestal met alleen gestrekte wijs- en middelvinger voor.
     Er zijn twee typen hand Gods, nl. een hand met uitgestrekte middelvinger, wijsvinger en duim (I), en het andere type met alleen uitgestrekte middel- en wijsvinger (II). Het eerste type verwijst naar de Drie-eenheid als bescherming over personen en zaken en is gelijk aan het zegeningsgebaar. Het tweede type verwijst naar de goddelijke en menselijke natuur van Christus. Op lekenzerken tot circa 1300 komt de Manus Dei met uitgestrekte middelvinger, wijsvinger en duim voor, terwijl het andere type (alleen uitgestrekte middel- en wijsvinger) vanaf ongeveer 1290 algemeen voorkomt. De zerk van Velsen laat het eerste type zien en is dus het meest authentiek.

     De edelvrouw - De ingegraveerde gezichten van de vrouw en de man zijn zodanig versleten, dat de gezichtsexpressie niet achterhaald kan worden. Rond 1300 zijn personen in biddende houding ook regelmatig afgebeeld met de ogen wijd open, terwijl pas tegen het einde van de 14e eeuw de overledenen in een meer natuurgetrouwe voorstelling van het dode lichaam afgebeeld worden. Op de borst van beide gestalten zijn de handen met de handpalmen in bidhouding tegen elkaar geplaatst, wat sinds eind 13e eeuw een zeer gebruikelijke houding was.
     Getrouwde vrouwen verborgen hun kapsel en vaak ook hals en kin onder hals- en hoofddoeken en sluiers. Het hoofd van gehuwde vrouwen diende naar kerkelijk voorschrift bedekt te zijn. De hoofdtooi van de vrouw bestaat uit de middelnederlandse combinatie van wimpel en hovetcleet. De wimpel werd om hoofd en hals gewikkeld of onder tegen de kin gedragen en boven de oren aan het haar vastgestoken, waarover het hovetcleet werd gedrapeerd tot op de schouders. Deze combinatie is vrij wijd, doordat bij de oren opgerolde vlechten werden bedekt met de linnen wimpel. Hierdoor viel het hovetcleet, de bovenste sluier, verder van het gezicht dan vóór circa 1300 het geval was.
     De vrouw draagt een wijde jas die over het hoofd werd aangetrokken, de zgn. 'waerdecors' (van het middelfrans 'gardecorps'). Aan deze waerdecors zit een wijde puntkap en superlange van boven aangerimpelde mouwen, waarin op ellebooghoogte een opening of split om de armen door te steken. De mouwen zijn wijd en extra lang ten teken van rijkdom. Tijdens het lopen werden één of meerdere mouwen opgeschort, waarbij de geplooide stof tussen elleboog en lichaam geklemd werd. Het kledingstuk is al uit de 13e eeuw bekend en wordt de hele 14e eeuw gedragen door de beter gesitueerden vanwege de benodigde grote hoeveelheid stof.
     Onder de waerdecors draagt de vrouw een onderrock met nauwe mouwen, die vermoedelijk voorzien zijn van een rij knopen. In ieder geval is de waerdecors rond de halsopening wel voorzien van knopen (5 knopen zijn zichtbaar), waardoor het geheel beter rond de hals aansloot. De knoop verscheen niet voor het midden van de 13e eeuw en werd herontdekt als gevolg van de kruistochten.

     Samenvatting en conclusie - De delen van het grafmonument van de ridder en de edelvrouw, nl. de graven met zerk en de skeletten, kunnen binnen een gelijke chronologische historische context worden geplaatst. De dateerbare graven en zerk en de geschatte leeftijden van de onderzochte skeletten zijn gezamenlijk te koppelen aan twee bepaalde historische figuren, namelijk Heer WILLEM van Brederode en zijn echtgenote Hillegonda van Voorne.
     Stenen zerken, die uitgevoerd zijn in de kostbare lijnuitsparingstechniek, zijn uitsluitend vervaardigd voor zeer voorname lieden. In de 2e helft van WILLEMs leven tijdens de regering van graaf Floris V behoorde WILLEM inderdaad tot de rijkste en aanzienlijkste edelen in het graafschap Holland. De bouw van de Brederode-kapel aan de kerk in Velsen valt samen met de eerste bouwperiode van het kasteel Brederode in Santpoort in de laatste helft van de 13e eeuw. Als vermoedelijke en logische stichter van de huidige slot-ruïne mag het niet verwonderlijk zijn, dat er tot op heden sporen van dit voorname echtpaar terug te vinden zijn in de gemeente Velsen, de vroegere ambachtsheerlijkheid die viel onder het baljuwschap van Brederode.
     De zerk is aan de hand van de daarop aanwezige kleding en architectonische details en in vergelijking met andere middeleeuwse zerken te dateren tussen 1290 en 1320. Het maliënkolder met afhangende wanten van de ridder doet 13e eeuws aan. De anachronistische wapenrusting (in vergelijking met het figuratief karakter van de zerk) kan op het vroege overlijden van WILLEM duiden. Er is een duidelijke overeenkomst in het lengteverschil van de man en vrouw bij resp. de skeletten en de zerkfiguren, nl. 21 en 19 cm, alzo een onbeduidend verschil van 2 cm.
Situering van het dorp Velsen in de 17e eeuwOndanks de vermoedelijke, maar tijdelijke dislocatie van de zerk is het zeer aannemelijk dat de zerk en graven 5 en 6 met elkaar in verband kunnen worden gebracht.De sterfjaren 1285 van de man en 1302 van de vrouw vallen binnen de gedateerde periode van de graven, nl. resp. 1284-1286 en 1280-1320! Bovendien vallen de geschatte leeftijden aan de hand van historische bronnen van WILLEM (55) en Hillegonda (70) binnen de bepaalde skeletleeftijden van resp. 40 a 60 en 50 a 80 jaar. Wel moet het als een gemis worden gezien dat een klein maar belangrijk deel van de voormalige Brederode-kapel niet is opgegraven.
     Uit bovenstaande blijkt dat zowel de archeologische vondsten als de skeletten, het Floris V muntje en de dateerbare kloostermoppen goed te verenigen zijn met de historische gegevens.
     Het geheel van grafkeldertjes met zerk betreft niet alleen het oudst bekende graf van het geslacht Brederode, maar is ook één van de oudste graven van een leenman met vrouw in een parochie-kerk in Nederland.

 

 

Bron: Onvoltooide Roem, Jan H. Verhoog. Blz. 119-127.

Copyright © 2016-2017 Rob Hubert, Alle rechten voorbehouden.
Joomla templates by a4joomla