De naam van Brederode
 

     De naam Brederode -Het is niet duidelijk waar de oorsprong van de naam Brederode ligt. Noch vóór 1200, noch in de oorkonden uit het eerste kwart van de 13e eeuw wordt deze naam vermeld.
Ten tijde van gravin Ada van Holland (†1223) en graaf Lodewijk II van Loon (†1218) bij de strijd omstreeks 1203 om de grafelijke opvolging worden in de stukken telkens de namen genoemd van Teylingen, Voorne, Altena, Haerlem, Persijn en andere belangrijke edelen, maar nimmer de naam Brederode. Mogelijk zal het thans met deze naam bekende geslacht die naam toen nog niet hebben gebruikt, ofwel was er geen reden een bepaald iemand met de naam Brederode aan te duiden, ofwel bestond die naam zelfs nog niet.
De meest aanvaardbare verklaring van de naam is dat, ten behoeve van de reeds vóór medio 13e eeuw begonnen bouw van een eerste Brederode-Huis voor dit nieuw opgekomen geslacht, bij Santpoort een stuk grond bouwklaar werd gemaakt. Hiervoor zal ter plaatse een groot perceel bos gerooid moeten zijn. In de volksmond zou dit als een brede rode bekend geworden zijn, in tegenstelling voor veel kleinere stukken gerooid land ten behoeve van een akker of boerderij. In elk geval bestond de naam reeds vóór het jaar 1244.
      In de koopacte van 6 augustus 1244 wordt het eerst de naam Brederode aangetroffen: 'domini Wilhelmi de Brederoda' bij het noemen van Willem van Brederode als geërfd in Waddinxveen. De naam was zeker eerder in gebruik, maar Dirk I de drossaet heeft zich er nog niet naar genoemd. Tot 1231, wanneer Dirk I drossaet het laatst voorkomt, blijft de vermelding Brederode achterwege. Op 6 april 1302 blijft in het Egmondse Necrologium bij de aantekening van het overlijden van Willem van Brederodes vrouw Hillegonda van Voorne de naam Brederode weg bij het noemen van Dirk I. De notulist wist kennelijk dat die naam in Dirks tijd niet voor dit geslacht gebruikt werd.

     De oorkonde van 1244 - Omdat in 1801 mede door onderzoek van de oorkonde van 1244 de discussie over de oorsprong van het geslacht Brederode op gang kwam, welke pas na anderhalve eeuw werd afgesloten, volgt hier de volledige tekst met uitleg van deze bijzondere oorkonde, hoewel die inhoudelijk niet bijdraagt tot de geschiedenis van het geslacht. 

 

Oorkonde van 6 augustus 1244: - 'Ego Wilhelmis comes Hollandie omnibus presentia visuris tam presentibus quam futuris notum facio, quod vendidi fidelibus meis Wilhelmo sculteto, Theoderico Dosin, Gerairdo Abben, Mauricio de Leydemuda et eorum sociis in ista vendicione, quendam morum que vulgariter vena nuncupatur in loco qui dicitur Polien, continentem in latitudinem undecim et dimidiam houam, et queiibet houa lata erit triginta virgarum, in longitudinem vero continebit duodecim vorlinga, iacentem inter venam
domini Wilhelmi de Brederoda
et domini Waluuani, ipsis et suis successoribus ac heredibus perpetuo possidendum, tali facta conditione quod prenotati emptores solvent in annis duobus primis in venditione semper in festo beati Martini quinque libras pro petitione, elapsis vero primis duobus annis solvent singulis annis septem libras ad terminium prenotatum de terra memorata.
     Notandum vero quod quicumque terram optinebit infra terminos prescriptos, solvet de predictis septem libris mihi annuatim solvendis ad quantitatem terre quam optinebit infra dictos terminos, sive sit dives sit pauper, nee debet nee poterit de bonis infra terminos memoratos contentis cogi ad maiorem solutionem.
     Decima de hiis qui possidebunt sicuti illi solvunt de Waddincs vena, tamminuta quammaiori mihi libere reser- vata. Insuper dicta terra habebit ductum aque qui waterganc dicitur per aquam que Gouda dicitur usque in Renum, libere absque omni pecunie extorsione.
     Preterea homines manentes in terra prenotata libere ab moni servicio permanebunt ex parte mea, exepto eo quod mihi servient in mea expeditione.
Ut autem ista venditio et conventio firma permaneat en inconvulsa, presens scriptum contuli dictis hominibussigilli mei munimine roboratum. Teste autem qui interfuerunt dicte venditioni: dominus Nicholaus Persijn, dominus Theodericus de Alkenmada et Hugo de Cralingha. Datum apud Leyden anno Domini Mo CCo XLIIlIo, sabbato ante festum beati Laurentii'.

(samengevatte inhoudelijke vertaling: Graaf Willem II van Holland verkoopt aan zijn schout Willem en diens deelgenoten Dirk Dosin, Gerard Abben, Maurits van Leimuiden het land Polien met een oppervlakte van 11 1/2 hoeve, waarbij inbegrepen de daarop staande wilgebomen. Deze staan op een totale lengte van 12 x 200 m, gelegen in het eigendom van Heer Willem van Brederode.
     Volgens overeengekomen voorwaarden zal de koopsom in 4 jaarlijkse termijnen, steeds op Sint Martinusdag, worden betaald.
     De betaling blijft verschuldigd ongeacht mogelijke verdroging, verarming of dergelijke van het land, waarvoor verkoper geen verantwoording draagt. De op dit land rustende tienden blijven aan de graaf.
     De in het gebied lopende watergang blijft in algemeen vrij gebruik. De huidige of komende bewoners van het land dienen zich aan de grafelijke voorschriften te houden. De koop en verkoop en de voorwaarden blijven onverminderd van kracht en worden bevestigd door zegeling van de acte. Getuigen zijn Heer Nicolaes Persijn, Heer Dirk van Alkemade en Hugo van Kralingen.
     Gedaan in Leiden op zaterdag (= 6.8) voor het feest van de gezegende Laurentius.
  

     Het land Polien - De naam Polien, in later eeuwen Peulien genoemd, komt thans niet meer voor. Het was een rechthoekig stuk veenland boven Gouda aan de linkeroever van de Gouwe tussen Boskoop en Waddinxveeen.
      Het land ofwel de polder Polien was de middelste van de 3 boven elkaar gelegen en aan elkaar grenzende polders Snijdelwijk, Polien en Groenswaard. Van deze thans als zodanig niet meer bestaande polders zijn alleen ter plaatse de namen Groenswaard en Snijdelwijk bewaard gebleven. Het gebied was destijds waardevol wegens de medio 12e eeuw in ontwikkeling gekomen winning van turf, toen de officiële brandstof, alsmede wegens de riet- en wilgenteelt.
- Oppervlakte - In huidige maatvoering waren de noord- en zuidgrens van de polder resp. 3,140 en 3,300 km lang, de west- en oostgrens resp. 1,100 en 1,400 km lang.
De totale opppervlakte is circa 405 ha. Volgens de opgave in de oorkonde betrof de verkoop een bepaald gedeelte van deze polder. De oorkonde noemt nl. een oppervlakte van 11 1/2 hoeve land. Een hoeve land is 16 morgen groot, ofwel totaal 184 morgen van 0,8516 ha = 156 ha, ongeveer een derde van de gehele polder.
 - Wilgenaanplant - In de polder kwam wilgenaanplant voor ter verkrijging van wilgentenen voor de dijkenbouw. Dit komt in de oorkonde ter sprake bij de vermelding dat bij de verkoop is inbegrepen een hoeveelheid wilgenbomen ter lengte van 12 'vorlinga', hetgeen een Engelse maat van 200 meter betekent, derhalve een totale lengte van 2400 m. Dit komt precies overeen met de lengte van de verder in de oorkonde genoemde watergang. Het tracee van deze wetering, die noordzuid in het midden door de 3 polders liep, was in de polder Polien van de noord- tot de zuidgrens 1200 m lang.
      Beide oevers van deze wetering zouden met wilgen beplant kunnen zijn. Deze waterafvoer bestaat niet meer, het tracee is ter plaatse thans een verkeersweg langs de westelijke bouwgrens van Boskoop en Waddinxveen. Iets ten westen hiervan is in latere jaren een nieuwe vaart aangelegd.
      Het is evenwel de vraag of de veronderstelling van wilgen langs de wetering juist kan zijn. In de oorkonde wordt gesproken over een wilgenareaal ter oppervlakte van 1 hoeve is 16 morgen x 0,8516 ha = 13,5 ha. Bedoeld kan zijn een perceel wilgenaanplant in een uitgeveend moerasgebied, waarin alleen het bovenste deel van de stam boven water komt, wat een optimale conditie is voor de winning van wilgentenen. Ook thans komt deze wilgencultuur nog in Zuid-Holland voor.
 - Bezitting - Een groot deel van het gebied langs de oevers van de Gouwe was in begin 13e eeuw in handen van de geslachten Teylingen en Brederode. De landen van Teylingen lagen in hoofdzaak aan de westoever van de Gouwe, die van Brederode met als belangrijkste de Heerlijkheid Voshol daar tegenover langs de oostelijke oever.
 Gezien de verkoopacte was het land Polien erfelijk leenbezit van Willem van Brederode. Verondersteld mag worden, dat Heer Dirk I, de 1e Heer van Brederode, in deze streek goed in leen van de graaf of in achterleen van Teylingen had verkregen en dat zijn zoon Willem daar land bezat, dat als erfgoed van zijn vader aan hem was toegevallen.
 De reden dat hij toch bewilligde in de verkoop zal gelegen zijn in de omstandigheid, dat zijn overige bezittingen ten oosten van de Gouwe lagen en dat hij daarom de voor hem afzonderlijk en afgelegen polder Polien wilde afstoten.

De in de oorkonde figurerende personen zijn:
 1 - Graaf Willem II van Holland, geboren in 1227, in 1247 gekozen tot rooms-koning, in 1256 gesneuveld bij Hoogwoud in de strijd tegen de West-Friezen. Hij volgde in 1234 zijn in dat jaar bij een toernooi omgekomen vader graaf Floris IV op. In het jaar 1244 van de oorkonde was graaf Willem II pas 17 jaar oud, nog ongehuwd en stond hij officieel niet meer onder de voogdij van zijn moeder en regentes, hertogin Machteld van Brabant (†1267).
 2 - Schout Willem. Over hem zijn geen verdere gegevens bekend en zijn naam komt in de oorkonden verder niet voor. Als de koper, of als hoogste in rang van zijn vier metgezellen ofwel de enige persoon van het kopersgezelschap met een openbare functie, wordt hij het eerst genoemd.
      Bovendien vereert graaf Willem zijn dienaar met de bijzondere aanspraak '... mijn getrouwe... schout ...' Omdat schout Willem het land Polien in zijn bezit wilde hebben, zal hij wellicht in de nabijheid, bijv. in Boskoop,, Waddinxveen of Gouda zijn schoutsambt vervuld hebben.
 3/4/5 - Dirk Dosin, Gerard Abben en Maurits van Leimuiden zijn behalve hun vermelding onbekend. Zij zullen met nog enkele wel aangeduide maar niet met name genoemde personen gefungeerd hebben als getuigen voor schout Willem bij de kooptransactie. Aangenomen mag worden dat zij in het land Polien woonden en daarom eerstbetrokkenen waren bij een en ander.
 6 - Heer Willem van Brederode was de oudste zoon van Heer Dirk I van Brederode de drossaet en volgde nog minderjarig in 1236 hem op als 2e Heer van Brederode. Willem werd in circa 1229 geboren en was in het oorkonde jaar 1244 nog ongehuwd.
 7 - Heer Waluuni. Deze onbekende persoon beheerde misschien namens Brederode als plaatsvervanger de Brederode-bezittingen rond de Gouwe.
 8 - Heer Nicolaes I Persijn wordt vermeld van 1227 tot 1255. Van zijn vader Jan I Persijn (†1224) erfde hij de Heerlijkheid Waterland boven Amsterdam. Door zijn huwelijk met de niet bij name bekende erfdochter van de Heren van Velsen verkreeg hij de Heerlijkheid Velsen met het hierbij behorende tussen Velscn en Santpoort gelegen Huis te Velsen. Hij was derhalve de directe nabuur van de Brederodes in Santpoort en zal mede hierdoor zijn aangezocht als getuige te willen optreden.

9 - Heer Theoderius van Alkenmade wordt in de oorkonden nog éénmaal op 8 januari 1236 vermeld als getuige bij een transactie tussen Willem de Voogd (†1238), ruwaard van Holland en de abdis van Rijnsburg. Hierbij wordt hij nog geen Heer genoemd.
 10 - Hugo de Cralingha († circa1256) wordt merkwaardigerwijze in de oorkonde niet met Heer aangeduid hoewel hij een uitermate belangrijke figuur was. Kennelijk beschikte hij in 1244 nog niet over een Heerlijkheid die hem het predicaat 'Heer' kon verschaffen. Hij wordt vermeld vanaf 1223.
      In 1230 en 1248 was hij baljuw van zuid Holland en in 1252 baljuw van beide Hollanden tezamen, kennelijk een functie die de andere baljuwschappen overkoepelde. Hij zal in 1244 vanwege zijn baljuwschap zijn opgetreden als getuige voor graaf Willem II.
      Hij wordt in 1250 vermeld als ridder. Hij stond bij graaf Willem II in hoog aanzien en fungeerde als getuige bij de verlening van stadrechten aan de steden Haarlem op 23 november 1245 en Utrecht op 18 juni 1252. Op 19 mei 1250 was hij getuige bij het verdrag betreffende Zeeland tussen rooms-koning Willem II en gravin Margaretha van Vlaanderen (†1280). Hij wordt op 19 augustus 1250 vermeld als 'Heer' en als getuige bij de verlening van voorrechten door graaf Floris IV, broer van graaf-koning Willem II, aan de burgers van Bremen. Hij wordt het laatst vermeld op 12 maart 1255 als getuige voor koning Willem II bij een beleningszaak. Hij overleed waarschijnlijk op 7 juni 1256.

     In de oorkonde worden de navolgende voorwaarden genoemd: 
     a - De kopers moesten de koopsom in 4 termijnen voldoen gedurende de eerstkomende 4 jaren, telkens op de dag van St.Martinus (= 4 juli) als vervaldag, en wel in het 1e en 2e jaar elk met 5 pond Hollands en in het 3e en 4e jaar elk met 7 pond Hollands.
      De totale koopsom bedroeg derhalve 24 pond Hollands ofwel per pond 240 Hollandse te Dordrecht geslagen zilveren penningen. Deze toen al lange tijd gangbare munten, ten onrechte ook wel denariën genoemd, hadden een diameter van circa 14 mm, een gewicht van circa 0,58 gram en een zilvergehalte van circa 92%. Uiterlijk lijkt deze munt op het dubbeltje, maar de koopkracht ervan dient eerder vergeleken te worden met een huidig bedrag van vijf euro. In zilver omrekenende, is 24 pond x 240 penningen = 5760 stuks penningen x 0,58 gr = 3.340 gr aan penningen x 92% zilver is circa 3 kg aan zuiver zilver.
      b - De kooppenningen bleven onverminderd aan de graaf verschuldigd, ongeacht eventuele zich tijdens de betalingstermijn van 4 jaren voordoende veranderingen van het verkochte land, bijv. grote droogte of andere oorzaken zoals overstroming waardoor het land geen opbrengst meer zou opleveren. De graaf achtte zich niet verantwoordelijk voor dergelijke zich eventueel voordoende omstandigheden.
      c - De opbrengst van alle grote en kleine op het verkochte land rustende tienden bleef onverminderd aan de graaf toevallen. De Hollandse graven waren in de 13e eeuw de grootste grondbezitters en landheren en hun inkomen bestond voor het overgrote deel uit de opbrengst van allerlei rechten waarvan de diverse tiendrechten de belangrijkste waren. Het is begrijpelijk dat graaf Willem II ook bij de verkoop van het land Polien de tienden aan zich hield.
      d - De door het verkochte gebied noord-zuid lopende afwatering naar Gouda en de Rijn diende onveranderd in functie te blijven en de daaraan verbonden rechten onverkort te worden gehandhaafd. Deze watergang diende niet alleen voor de waterhuishouding van de polder Polien, maar ook voor een aantal aangrenzende gebieden waarvoor het waterbeheer via deze watergang naar de Gouwe gereguleerd kon worden. Het spreekt vanzelf dat de nieuwe eigenaar van Polien deze situatie in stand moest laten.
      e - De huidige en toekomende bewoners van het verkochte land dienden zich onbeperkt en voortdurend aan de grafelijke voorschriften en regelingen te houden, ongeacht de wisseling van eigenaar,

f - De verkoop geschiedde volgens de bestaande algemeen geldende grafelijke voorschriften en regels,
     g - De verkoop werd persoonlijk door graaf Willem II en door getuigen met zegels bevestigd en bekrachtigd.

Die maal de naam Willem - Het is een merkwaardig toeval dat de drie hoofdpersonen in deze oorkonde allen de naam Willem dragen:

 - de eerste is graaf Willem II:
 - de tweede is schout Willem: '
 - de derde is Heer Willem: '
'... Ego Wilhelmus comes Hollandie ...';
 ... Wilhelmo sculteto ...';
 ... domini Wilhelmi de Brederoda .
 

Het is duidelijk dat de naam van graaf Willem II geheel buiten discussie is. Omdat daarna schout Willem wordt genoemd en als laatste Heer Willem, voegt de opsteller van de oorkonde bij deze laatstgenoemde de geslachtsnaam toe om juridisch gezien een onjuiste verwijzing naar de hiervoor zonder geslachtsnaam vermelde schout Willem uit te sluiten. De schout wordt volgens gebruik alleen met zijn doopnaam genoemd omdat hij door zijn grafelijke functie al voldoende gedefinieerd is. Ook een dapifer in functie volstond met alleen zijn doopnaam plus ambtstitel.
 Dat Willem in deze oorkonde met zijn geslachtsnaam wordt vermeld, is voor de geschiedenis van Brederode een zich toevallig voordoende, maar belangwekkende bijkomende omstandigheid. Hieruit blijkt immers dat deze naam reeds bestond vóór 1244, het uitgiftejaar van de oorkonde.

Nu de naam Brederode om genoemd eenvoudig motief van koop en verkoop van een stuk land min of meer toevallig openbaar is geworden, mag worden aangenomen, dat de leden van het geslacht Brederode deze naam reeds een aantal jaren eerder dan 1244 gebruikt hebben.
Dat Dirk I drossaet, de vader van Willem van Brederode, zich ook wel Dirk van Brederode zal hebben genoemd, is niet waarschijnlijk. In feite heette hij immers Dirk van Teylingen en zo zal hij zich wel tot aan zijn sterfdag in 1236 zijn blijven noemen.
     Omdat hij zovele jaren de belangrijke functie van dapifer had bekleed en deze titel, naar men meent, heeft behouden na het neerleggen van zijn ambt, was er geen reden om hem in de stukken bovendien nog met Brederode aan te duiden want van enige verwarring ten aanzien van zijn persoon behoefde geen sprake te zijn. Kennelijk was hij door zijn loopbaan bij een ieder als 'Dirk de dapifer' goed bekend.

     Volgens gebruik zal de naam Brederode ontleend zijn aan de bezittingen van dit geslacht waarnaar men zich genoemd heeft. Het bezit lag voornamelijk in Midden-Kennemerland waar Brederode uitgestrekte goederen als grafelijk leen bezat. Namen met de uitgang -rode komen veelvuldig in Kennemerland voor, als Berkenrode, Iepenrode, Tetrode, Keggenrode, Boekenrode enz.
Hoewel de Brederodes aanvankelijk aanzienlijke goederen in de Alblasserwaard bezaten die veel uitgestrekter waren dan in midden Holland, wilden zij zich toch noemen naar het zo vertrouwde landgoed in Kennemerland waar zij geboren waren en woonden. Wellicht moet worden aangenomen dat hun eerste bezittingen die in Kennemerland waren en dat later die in de Alblasserwaard daarbij zijn gekomen, al lijkt dit weinig waarschijnlijk.
     Dirk I drossaet zal zijn grondbezit verkregen hebben als gift of leen van de graaf of wellicht als erfdeel van zijn vader Willem van Teylingen, die als hoofd van dit toen in hoog aanzien staand en rijk geslacht een groot landbezit bezat en daaruit zijn beide zonen Willem I van Teylingen en Dirk (van Teylingen/Brederode) bedeeld zal hebben. Mogelijk had bedoelde landstreek al veel eerder de naam Brederode, door de volksmond benoemd.
     In oudere geschriften en op oude kaarten wordt veelal de terminologie gebruikt van Huis te Brederode in plaats van Huis / Kasteel van Brederode. Analoog hieraan is bijvoorbeeld Huis te Bloemendaal.

Het Huis en het geslacht zouden aldus de naam aangenomen hebben van de reeds zo genoemde landstreek. De kern ervan werd gevormd door een vrij smalle strook land boven Haarlem tussen de duinen aan de westzijde en het Wijkermeer aan de oostzijde. Vrijwel alle landverkeer van noord naar zuid en omgekeerd was aangewezen op deze beperkte passage, die vanaf Schoten ten noorden van Haarlem liep tot Beverwijk. Het naastliggende zeer brede duingebied was een rijk jachtterrein, het dito tot Amsterdam lopende binnenmeer een rijk viswater.

Copyright © 2016-2017 Rob Hubert, Alle rechten voorbehouden.
Joomla templates by a4joomla