De ruïne van Brederode


A     HOOFDBURCHT
B     VOORBURCHT
C     VOORHOF
D     RINGMUUR
S     SLOTGRACHT
 
1.      Binnenpoort
2.      Middentoren
3.      Donjon
4.      Keuken
5. 7.  Ridderzaal
6.      Kapeltoren
8.       Kemenade
9.       Thetburgatoren
10.     Sivaardtoren
11.     Binnenplein
12.     Buitenpoort
 



Recent onderzoek van de ruïne heeft ten aanzien van verschillende bouw-aspecten ervan op bepaalde punten een ander en juister inzicht opgeleverd dan in dit hoofdstuk voorkomt.
      Een samenvatting van de nieuwste inzichten, aansluitend op voorgaande weergave van de maquette van 1986, volgt hier.

     'Het kasteel, zoals dat op de maquette is weergegegen, dateert niet zoals wij tot voor kort dachten, van omstreeks 1300, maar van veel later. De oudere voorganger ervan is in 1351 belegerd en overgegeven, waarna de rechthoekige hoofdburcht tot op de funderingen is afgebroken. De hoofdburcht is enige jaren later op diezelfde funderingen herbouwd.
     Van die hoofdburcht geeft de maquette een goede indruk. Toen ook bereikte het kasteel zijn grootste uitbreiding, totdat in 1426 op last van het Haarlemse stadsbestuur de zuidelijke helft van het gehele kasteel, dus zowel de hoofd- als de voorburcht, systematisch is gesloopt. De overgebleven noordelijke helft is na 1464 hersteld en verfraaid. Pas toen is de noordelijke vleugel van de voorburcht gebouwd, ter vervanging van een kleiner, houten gebouw. Van die vernieuwde vleugel rest nu nog de beheerders- woning naast het poortgebouw van de voorburcht. Kortom, de reconstructie van de voorburcht op de maquette 'past', wat de tijd betreft, niet bij die van de hoofdburcht.
     Als men over de brug gaat van de voorburcht naar de hoofdburcht komt men op het zogenaamde 'perron', vanwaar links in de diepte de binnenhof ligt met de waterput. Zo is het ook op de maquette weergegeven, zoals te zien is aan de kleine trap vanaf het 'perron' naar beneden.
     Thans weten wij dat die verdiepte ligging ontstaan is uit een mis-interpretatie van de muurresten door degenen, die in de 19e eeuw de ruïne onder het puin en het duinzand hebben vandaan gehaald. Wij weten nu dat het oorspronkelijke loopvlak van de binnenhof op hetzelfde niveau lag als het 'perron’.
     Hermans en Kamphuis hebben op het 'perron' de sporen teruggevonden van een nu geheel verdwenen gebouw, waarvan de vorm vrij nauwkeuring kon worden vastgesteld. Uiteraard staat dat gebouw niet op de maquette.
          Inmiddels weten wij ook zeker, dat het kasteel in zijn grootste bloeitijd tussen 1351 en 1426 toch niet geheel voltooid is geweest. De weergang van de noordoostelijke hoektoren, de zogenaamde 'donjon', ligt op 17,5 m boven de gracht; dat had ca.22 m moeten worden. Een indicatie hiervan is het traptorentje bij de 'donjon', dat op de maquette ver boven het complex uitsteekt. Zo hoog had het wel moeten worden, maar zover is het in werkelijkheid nooit gekomen.'

     Locatie bouwplaats - De bouw van het kasteel is begonnen tijdens de regering van graaf Floris V (†1296). Bij herhaling was deze actief in het onderwerpen van de immer opstandige West-Friezen, hetgeen hem uiteindelijk in 1288 gelukte. Toen hij in deze jaren in noordelijk Holland een aantal dwangburchten liet bouwen, was bij Santpoort de bouw van het kasteel van Brederode reeds begonnen, maar het lijdt geen twijfel dat deze bouw geheel paste in de grafelijke strategie. De bouw zal in ieder geval begonnen zijn vóór het jaar 1285 waarin de aanzienlijke vermogende Heer Willem van Brederode en hoofdaanvoerder van de graaf overleed.

Het begin van de bouw zal na 1274 liggen, na welk jaar het baljuwschap Brederode gevormd werd. De met zorg gekozen bouwlocatie ligt op het kruispunt van de noordzuid verkeersroute tussen de duinstrook en de binnenmeren, die het noordelijk deel van Holland en het gebied van West-Friesland met Alkmaar als centrale stad, verbond met midden- en zuid-Kennemerland waarin Haarlem de belangrijkste stad was.
     In westoostelijke richting ligt het kruispunt op de enige verbindingsroute vanaf het kasteel via een dijk door de omliggende moerassige venen naar de oever van het oostelijk gelegen IJmeer. Deze weg naar het oosten was belangrijk in verband met de aanvoer over water van allerlei bouwmaterialen. Misschien ook werden aan de IJ-oever ter plaatse van het begin van de dijk de steenovens opgericht ten behoeve van het kasteel, dat als bijzonderheid geheel uit baksteen is opgebouwd. De voor de metselspecie benodigde kalk zal geleverd zijn door de kalkovens van Beverwijk.
     Via de dijk leidde dan een korte transportweg naar de bouwplaats.

     Eerste bouw ca.1280 tot ca.1315 - Het kasteel werd gebouwd op de noordelijke uitloper van een langgerekte niet zo brede strandwal, die zich bij de aanvang van de bouw als een brede ongeveer zuidnoord gerichte zandstrook in het landschap aftekende. De links en rechts daarvan aangrenzende aanvankelijk drassige landen waren door de relatief lage begroeiing en door overstuiving van duinzand in de langzame overgang van moeras naar begaanbare gronden.
De zandstrook met het hoge grondwaterpeil was vrijwel zeker geheel door bosgroei overdekt. Omdat in feite alleen op het beperkte areaal van de voormalige strandwallen meer uitgebreide en zware bouw mogelijk was, diende men op een gekozen bouwlocatie eerst de grond bouwrijp te maken door het ter plekke rooien van het geboomte Croding' = ontginning). Hieruit ontstonden in Kennemerland een aantal later aan landgoederen gegeven namen zoals Berkenrode, Tetterode en ook Brederode.
     De kwalificatie 'breed' komt waarschijnlijk voort uit het feit, dat voor de bouw van het omvangrijke kasteel met omgevende grachten en voorpleinen een ongebruikelijk groot deel van het bos gerooid diende te worden, welk rooiterrein zelfs wellicht nog vergroot diende te worden om plaats te geven aan een boerenbedrijf naast het kasteel en om op afstand tijdig eventuele vijanden te kunnen waarnemen. De betekenis van de naam Brederode blijkt aldus simpel te verklaren.
     De opzet van het kasteel was voor die tijd modern en werd waarschijnlijk door graaf Floris V voorgesteld na zijn politiek gerichte bezoeken aan Engeland, waar in 1270 de eerste op een rechthoekige grondslag met hoektorens gebouwde burcht volgens nieuwe inzichten tot stand was gekomen.
     De kasteelbouw is als het ware niet in één arbeidsgang afgewerkt maar heeft zich over een aantal perioden of seizoenen uitgestrekt. De invloed hiervan, waarbij vooral vriezend weer de bouw stillegde, het maken van de hoofdmaterialen als bakstenen en metselkalk die incidenteel tijd nodig hadden voor droging of besterving, secundaire invloeden als afwezigheid van materiaal of wachten op ontijdige aanvoer ervan, de uitermate politiek verwarde tijd door en na de moord op graaf Floris V in 1296 alsmede andere zaken deden de bouw uitstrekken over enige tientallen jaren.
     Aangenomen mag worden dat de bouw in ieder geval voltooid was een aantal jaren voordat Heer Dirk II van Brederode, zoon en opvolger van Heer Willem (†1285), tot het voornemen kwam een bedevaart te gaan ondernemen waarvan hij evenwel niet terugkeerde. Hij werd in 1318 in vreemde bodem te ruste gelegd.
     Mogelijk was de kasteelbouw nog niet geheel volgens het eerste plan afgemaakt en heeft de navolgende Heer Hendrik I van Brederode (†1345) het plan voltooid ofwel aan de in principe complete omvangrijke bouw nog een enkel bouwdeel toegevoegd zoals misschien de wat bouwstijl betreft geheel uit de toon vallende ronde Sivaardtoren, voor zover deze er althans niet reeds lang stond.
     Er is een sterk vermoeden dat allereerst de buitenpoort werd gebouwd, waarschijnlijk een aantal jaren voordat met de bouw van het eigenlijke kasteel werd begonnen. De ligging en locatie van de voorburcht met de buitenpoort is ten opzichte van het overige kasteelcomplex niet logisch en niet redelijk verklaarbaar. De ligging van de poort is scheef en excentrisch ten opzichte van het kasteel met de centrale binnenpoort. De bouw ervan is onzorgvuldig en mist het uitgewogen evenwicht van het later gebouwde kasteel.
     Mogelijk is na het gereedkomen van de buitenpoort het aanvankelijke bouwplan iets gewijzigd en werd het nieuwe uiteindelijk uitgevoerde bouwplan zo goed mogelijk aangepast de toen reeds gereedzijnde buitenpoort.
     Naar het schijnt werd omstreeks 1280 begonnen met de bouw van de noordoostelijke hoektoren of donjon en de belendende noordmuur van de keukenvleugel. Daarna zal omstreeks 1300 begonnen zijn met de in één verband gebouwde binnenpoort met de daarnaast staande middentoren, en vervolgens de hieraan belendende zuidmuur van de keukenvleugel met de centrale traptoren die zich bevindt in de binnenhoek tussen de reeds gereed zijnde noordvleugel en de navolgend gebouwde westvleugel.
     Aansluitend zijn voorts achtereenvolgens gebouwd de noordwestelijke kapeltoren en de zuidwestelijke Tedburghatoren met daarna de bouw van de tussen deze torens liggende westvleugel met de westelijke walmuur langs de gracht.
     Het nu als zodanig reeds dienende binnenplein werd opgehoogd tot het niveau van de doorgang van de binnenpoort, voorzien van een permanente waterput en tenslotte afgesloten met een zuidelijke en oostelijke weermuur.
Tenslotte maar waarschijnlijk geruime tijd na voorgaande bouwactiviteiten werd het indrukwekkende geheel afgesloten met de bouw van de zuidoostelijke Sivaardtoren, een ronde verdedigingstoren op de tot dan toe naar het zuidoosten openliggende hoek van het kasteel. Deze gefaseerde bouw is aan bijv. de onderling verschillende soorten baksteenlagen goed te herkennen.
     Het gehele complex bestond tenslotte uit 3 deels bebouwde eilanden die omgeven waren door slotgrachten en weteringen. Het geheel had een oppervlakte van ca.100 x 175 m.
     Het is het kasteel volgens de in deze fase gereedgekomen vorm, dat in 1321 in de huwelijksacte van Heer Hendrik I en Isabella van Fontaynes genoemd wordt als het huis en de woning van Brederode.
     Overigens gaat het onderzoek naar de meest juiste gang van zaken betreffende bouw en gebruik van het kasteel gedurig voort en zullen onzekerheden zo veel mogelijk worden opgehelderd.

 

Het kasteel van Brederode in welstand (Fantasietekening van
J.W. Heyting. 'Hollands kastelenboek', M.G. Emeis, 1941, p. 56

 

     Beleg in 1351 / Verwoesting en sloop / Herbouw van 1354 - Direct in het begin van de Hoekse en Kabeljauwse twisten is in 1351 het kasteel belegerd en na 3 maanden ingenomen. Heer Dirk III van Brederode was in het jaar tevoren in de zeeslag bij Zwartewaal gevangengenomen en op het kasteel in Heemskerk achter slot gezet, met algehele verbeurdverklaring door graaf Willem V van zijn goederen.
     Om het kasteel van Brederode in zijn bezit te krijgen, had de graaf dit met geweld moeten veroveren op de zich heftig verdedigende slotvoogd Herman van den Busche. Waarschijnlijk ter voorkoming van een algehele verwoesting heeft de slotvoogd zich na korte tijd gewonnen gegeven.
Bij dit beleg heeft de binnenpoort het meest te lijden gehad terwijl ook het overige deel van het kasteel liep ernstige schade op. Zonder twijfel werd dit mede veroorzaakt doordat de Kabeljauwen vanuit Leiden een bleide en een evenhoge hadden aangevoerd en voor het beleg ingezet. Waarschijnlijk werden de nog overgebleven bouwdelen van het kasteel tussen 1351 en 1354 grotendeels alsnog gesloopt.
     Het herstel van een en ander moest wachten tot na 1354 in welk jaar de graaf zich in december met Heer Dirk III verzoende en hem kort hierna al zijn bezittingen terug gaf. Met voortvarendheid zette Heer Dirk zich aan de noodzakelijk gebleken herbouw van zijn burcht waarbij hij nagenoeg geheel het originele grondplan aanhield. Vrijwel al het muurwerk werd op de oude funderingen opgetrokken, zij het dat niet steeds dezelfde muurdikten van voorheen werden aangehouden.
     Het eerst werd de donjon hersteld waarna de half verwoeste binnenpoort grotendeels werd gesloopt en herbouwd met gedeeltelijke vernieuwing van de noordmuur en van de aangrenzende muurgedeelten van de middentoren, vooral van de oostmuur hiervan. Onder de binnenpoort werd een tot dan toe niet bestaande brugkelder aangebracht. Naast de poort werd een onderkelderd gebouwtje opgetrokken waarvan de 2 resterende schietgaten de enige originele op het kasteel zijn.
     Het bovendeel van de traptoren tussen de binnenpoort en de middentoren werd vernieuwd en ook van de donjon en de middentoren werden grote gedeelten van de oostmuren vanaf ca.4 m van de begane grond hersteld.
     De nieuwe oostmuur van de middentoren is 48 cm minder dik dan de onderliggende oude muur. De torens hadden 2 verdiepingen boven de kelder.
     Met het herstel van de muren van de donjon, de middentoren en de binnenpoort werd voortgegaan nadat het muurwerk van de naastliggende bouwdelen een hoogte van 5,7 m boven het niveau van het perron op de binnenplaats had bereikt. Daarna werd de keukenvleugel opnieuw opgetrokken, zij het lager dan de aanvankelijk voorgenomen hoogte als die van de donjon. Het zadeldak van de keukenvleugel sloot koud aan tegen de middentoren.
     Bij het optrekken van de muren van de westvleugel werd de oostmuur 60 cm minder dik opgemetseld dan de oorspronkelijke muur. Nadat in deze vleugel de ridderzaal gereed was, werd de naastliggende kemenade opgebouwd. Waarschijnlijk is tegelijk met de kapeltoren en de Thetburgatoren de gehele westelijk walmuur opgetrokken.
     De oostelijke weermuur langs de binnenplaats werd ca.30 cm dikker dan het onderliggende fundament en kraagde hierop over. De binnenplaats lag op hetzelfde niveau als het perron en de poortdoorgang zodat de huidige 19e eeuwse schietgaten in de weermuren zich onder het middeleeuwse loopvlak bevinden.
     In een latere periode maar voor 1426 of wellicht voor 1414 werd op het perron aan de westzijde een huisvormige opbouw opgetrokken die waarschijnlijk diende als voorportaal bij de ingang van de navolgend gelegen ridderzaal. Deze opbouw blijkt in 1600 te zijn afgebroken.
     Het is onduidelijk of de voorburcht toen ook opnieuw is opgemetseld. Waarschijnlijk bestaat deze nog uit oorspronkelijk muurwerk.
     De Brederodes hebben het aldus herbouwde kasteel bewoond tot 1414 in welk jaar Heer Walraven I van Brederode huwde met de rijke erfdochter Johanna van Vianen. Met dit huwelijk kwam het grote en meer moderne kasteel Batestein in Vianen in het bezit van Brederode en verliet men Santpoort om zich in Vianen te vestigen. Na hun vertrek waren alleen een rentmeester en een beperkt aantal gewapenden de enige bewoners van het overigens nu leegstaande complex.
     In het kader van de Hoekse en Kabeljauwse twisten heeft het kasteel in Santpoort tot 1426 nog gefungeerd als een centraal punt voor de Hoekse acties en als onderkomen voor de hoofdaanvoerder Willem van Brederode.

     Beleg in 1427 en verwoesting - Als wraakoefening van de Kabeljauwen voor het door de Hoeken in 1425 begonnen beleg van Haarlem sloegen zij in 1426 het beleg voor het kasteel van Brederode. Zij slaagden erin een groot deel van het hechte bouwwerk met geweld en door brand te verwoesten. Zowel van de hoofdburcht als van de voorburcht is ongeveer de zuidelijke helft tot manshoogte neergehaald en werd aan het overblijvende deel zware schade aangericht.
     Desondanks bleef een gedeelte redelijk bewoonbaar, gezien het incidenteel verblijf van de Hoekse aanvoerder Willem van Brederode (†1451) aldaar.
     Na de verwoesting van 1426 stond het kasteel bijna 40 jaren grotendeels leeg, slechts beheerd door een bewaarder of rentmeester die waarschijnlijk op de nabij gelegen hofstede Middenduin woonde. Verondersteld wordt dat deze vroeger in het huis op het perron woonde dat voordien misschien fungeerde als voorportaal van de ridderzaal.

     Herbouw van 1464 - In 1464 maande hertog Filips van Bourgondië tegen bepaalde toezeggingen Heer Reinoud II van Brederode aan tot herbouw van het kasteel over te gaan. Besloten werd het vrijwel geheel verwoeste zuidwestelijke deel van de burcht niet op te bouwen en alleen de noordvleugel met de aangrenzende torens tot bewoonbare staat te herstellen. Dit betekende dat de westvleugel met de ridderzaal en de kemenade alsmede de Thetburgatoren en de Sivaardtoren niet herbouwd werden. Ook het bovendeel van de overigens wel herstelde kapeltoren werd niet opnieuw opgetrokken.
 

In verschillende muren is aan de muursleuven de wijzigingen

In verschillende muren is aan de muursleuven de wijzigingen
van één (A) in twee (B/C) verdiepingen goed waar te nemen


Omdat door genoemd besluit de zo beschikbaar komende woon- en gebruiksruimte aanzienlijk geringer was dan in het oorspronkelijke kasteel, werden in de beide noordoostelijke torens en in de noordvleugel extra verdiepingen aangebracht.
     In de torens betekende dit, dat de vloeren van de originele le verdiepingen uitgesloopt moesten worden en vervangen door twee nieuwe verdiepingsvloeren met geringere tussen- hoogten, waarbij tegelijkertijd de toegangen tot de wenteltrappen aan de nieuwe hoogte van de verdiepingsvloeren werden aangepast.
     In een aantal woonruimten werden houten lambrizeringen aangebracht. De doorgangen naar de traptoren werden op alle verdiepingen voorzien van houten tochtportalen.
     Tegelijkertijd werden nieuwe vensters ingehakt of andere raamopeningen vergroot en voorzien van stenen kozijnen. Ook het aantal en de situering van de haardplaatsen en de privaten werd herzien. In de muren is deze gang van zaken grotendeels te volgen. De voormalige kapel uit de noordvleugel werd verplaatst naar de kapeltoren en de hierdoor vrijkomende ruimte in deze vleugel van een eerder niet bestaand hebbende verdieping voorzien.

     De zo ontstane benedenzaal werd gebruikt als bestuurscentrum. Ter plaatse van de voorheen open overgang naar de voormalige westelijk gelegen ridderzaal werd de zuidmuur van de noordvleugel ter afsluiting hiervan doorgetrokken naar de kapeltoren. Waarschijnlijk werd toen in de keuken een kleinere oven bijgebouwd, tenzij beide ovens voordien reeds aanwezig waren.
     De daken werden gedekt met leien in tegenstelling tot de vroeger gebruikte vierkante gebakken dakpannen.
     Nu het kasteel geen verdedigende functie meer had, werd het verplaatsbare houten perron tussen de keukenvleugel en de binnenplaats vervangen door een aarden wal.
     Aan de westzijde van het kasteel werd vermoedelijk bij deze herbouw een ronde keermuur in de gracht gebouwd, deels misschien ter verdediging maar meer waarschijnlijk ter bewaring en kering van de enorme hoeveelheid puin, die door de verwoesting van 1426 was ontstaan en in de gracht werd gedeponeerd. Overigens zal vrijwel zeker veel los steenwerk door afbikken zijn schoongemaakt en als bouwstenen voor de herbouw verwerkt. In dit geval zal het juist dateren van muurwerk extra moeilijk kunnen zijn.
    Al met al had het kasteel, waarvan de herbouw vóór 1472 gereed gekomen was, door zijn nieuwe structuur en verkleinde omvang het karakter van een zware verdedigingsburcht verloren en meer de allure van een versterkte edelmanswoning verkregen. Het gehavende en deels herstelde kasteel maakte niet veel indruk meer op tijdgenoten die het maar als gering beschouwden van wat er uiteindelijk was overgebleven.

     Bewoning na 1478 en beschadiging in 1492 - Hoewel het kasteel nu in een goed bewoonbare staat was gebracht, werd het toch niet door de familie Brederode bewoond al zal men incidenteel daar om allerlei redenen wel vertoefd hebben. In 1478 noodzaakten familietwisten Vrouwe en weduwe Yolande van Brederode van Lalaing hun stad Vianen te verlaten. Met haar nog jonge dochter Anna nam zij haar intrek in het Santpoortse kasteel waar zij tot ca.1492 zou blijven wonen, vrijwel direct alleen omdat Anna spoedig overleed.
     Na bijna 15 jaar ongestoord als eenzame weduwe haar oudere jaren daar te hebben doorgebracht, werd zij in 1492 opgeschrikt door niets ontziende Duitse soldatengroepen. Deze trokken al rovende en plunderende door Kennemerland bij gelegenheid van het onderdrukken van de opstand van het Kaas- en broodvolk. Het was Yolande nog gelukt vrijbrieven te verkrijgen van de Duitse aanvoerder Von Schaumburg. De ruwe soldaten stoorden zich daar niet aan, eisten losgeld van Yolande en veroorzaakten allerlei vernielingen aan het kasteel.
Spoedig hierna keerde Yolande terug naar Vianen, het kasteel voorgoed onbewoond achterlatende. Het verval liet zich spoedig zien. Al omstreeks 1535 was door overstuiven van het duinzand niet veel meer waar te nemen van het niet herbouwde zuidelijke gedeelte van het kasteel. Kennelijk was er steeds op toegezien dat de destijds gerooide open vlakte rond het kasteel niet opnieuw door te hoog opgaand gewas begroeid raakte. Hierdoor verkregen de westelijke stuifwinden op den duur vrij spel om vanaf de letterlijk naastliggende duinen het stuifzand over de vlakte mee te voeren naar het kasteelterrein.
     Een deel van de ruïne bleef met toestemming van Heer Reinoud III van Brederode in gebruik als gevangenis voor Velsen en omliggende dorpen.


Een geheel begroeid eilandje in de noordgracht toont aan, waar in 1573 de noordmuur na explosie als puin terecht kwam. (Naar foto)

Een geheel begroeid eilandje in de noordgracht toont aan, waar in 1573
de noordmuur na explosie als puin terecht kwam. (Naar foto)


     Verwoesting in 1573 - Tijdens het beruchte beleg in 1573 van Haarlem was ook een groep Spaanse soldaten in het kasteel gelegerd. Hoewel het reeds een driekwart eeuw had leeggestaan, was een weinig eisend verblijf in het gehavende kasteel kennelijk nog wel mogelijk.
     Na de overgave van Haarlem werd ook het Spaanse garnizoen vanuit de ruïne teruggetrokken. Bij het verlaten hebben de soldaten door moedwilligheid veel schade en vernielingen toegebracht aan het kasteel.
     Door opzet of slordigheid is toen een in de noordvleugel bewaarde kruitvoorraad ontploft. Het gevolg was, dat de gehele noordmuur in de naastliggende noordgracht is gestort. Thans is daarvan ter plekke nog een eilandje te zien.

     Periode van 1573 tot 1862 - Medio 1679 stierf met Wolfert van Brederode het geslacht Brederode in mannelijke lijn uit, waarna op 19.9.1679 de Heerlijkheid en de goederen van Brederode aan de Domeinen vervallen werden verklaard. Omstreeks 1795 is de bouwval aan het rijk gekomen. Vanaf de laatste verwoesting in 1573 tot aan de eerste herstelwerkzaamheden in 1862 is de kasteelruïne onderhevig geweest aan de slopende invloeden van tijd en weersomstandigheden.

     In deze bijna 3 eeuwen lang durende periode zijn ondanks alles aan de totale vorm van de ruïne niet al te veel veranderingen opgetreden. Wel zijn bepaalde bouwonderdelen achteruit of ten onder gegaan. De grootste verandering ontstond door het gedurig overwaaiende duinzand waardoor niet alleen de omliggende grachten allengs dichtstoven maar ook de reeds eerder verwoeste zuidelijke helft van de ruïne en de aangrenzende omgeving buiten de ruïne tot bijna de hoogte van de eerste verdiepingen met duinzand werd opgehoogd. Berichten uit de 16e en 17e eeuw melden dat er slechts enkele brokken van muren in een vlakke streek naast hoog oprijzende duinen overeind stonden. Afbeeldingen uit die tijd tonen dat de noordelijke torens nog tot de oorspronkelijke hoogte stonden. In 1846 blijkt dat men vanaf de toren een fraai vergezicht had op Haarlem.
     Door herhaalde branden bij de doorstane belegeringen en langdurige verwering door regen en wind waren de houten vloeren uit deze torens verdwenen en hadden klein gewas, vlierstruiken en kruipend of klimmend groen zich op allerlei plaatsen op de binnenmuren in de torens vastgezet. Omstreeks 1630 werd op de voorburcht tegen de west- en noordmuur van de voorhof een woning gebouwd als onderkomen voor de rentmeesters. Op allerlei plaatsen in de ruïne verschenen kleine bouwsels voor de boeren die van de ruïne gebruik maakten voor hun boerenbedrijf, zoals in 1774 wordt gemeld.
     In 1804 werd een stuk land naast de ruïne door de Domeinen verkocht ten behoeve van het ter plaatse uitoefenen van een boerenbedrijf met vee. In 1805 werd de ruïne met bijbehorende grond verpacht.
     Het licht golvende omliggende land bestond toen uit door struikgewas en kleine bospartijen omzoomd grasland. . Kennelijk was het euvel van overstuivend duinzand iets verminderd door beschuttend opgaand groen. Ondanks de desolate toestand achtte de burgemeester van Velsen in 1808 de ruïne van voldoende importantie om als het enige merkwaardige gedenkteken in zijn gemeente genoemd te worden. Omstreeks 1820 kon men nog de toren beklimmen, maar in 1847 blijkt de torentrap door losgeraakt metselwerk onbruikbaar te zijn geworden.
          De buitenpoort werd gebruikt als stalling voor boerenwagens. Het gewelf ervan stond medio § 19e eeuw op instorten. Vlak ernaast was een nieuwe boerenwoning opgetrokken. De toegang tot de als veestal gebruikte kelders van de twee noordoostelijke torens was door een houten slagboom afgesloten.
          De binnenpoort was toen geheel met planten overwoekerd, evenals de onder een kleine steenhoop niet meer herkenbare fundamenten van de zuidoostelijke Sivaardtoren. Op de resten van de zuidwestelijke Thetburgatoren waren twee essebomen in de onderliggende steenresten ingegroeid. De kapeltoren was aan de binnenzijde begroeid met gele muurbloemen. De voormalige grote raadszaal was nu een grasperk.
          De vrijwel geheel met duinzand volgewaaide grachten tekenden zich als met gras bedekte lichte glooiingen af naast de gehavende weermuren. De houten bruggen waren verdwenen.
     Op de brokken noordmuur die in de naastliggende gracht gevallen was en allengs door een eilandje bedolven, groeiden grote bomen die met hun wortels de muurresten uit elkaar hebben gedrukt. De ronde muur in de westelijke slotgracht raakte met elzen en wilgen begroeid en verdween in de loop der jaren uit het zicht. In latere jaren bevond zich hoog geboomte nabij de ruïne. In de drie verlopen eeuwen waren door regen en wind de vele door brand geblakerde muren van de hierdoor veroorzaakte zwarte aanslag ontdaan.

     Restauratie en consolidatie na 1862 - Reeds in 1822 werd door een correspondent van de Koninklijk Akademie voor Wetenschappen het eerst de aandacht op de deplorabele toestand van de ruïne gevestigd, dit met de bedoeling tot enige actie voor bewaring ervan te komen.
     In 1861 deed stadsarchivaris mr. A.J. Enschedé van Haarlem het voorstel een bewaarder te benoemen en geld beschikbaar te stellen voor de zo nodige herstellingen. In ditzelfde jaar bracht een bijzondere commissie van de Koninklijke Akademie voor Wetenschappen deze zaak onder de aandacht van de regering met de aanbeveling de gewenste maatregelen te nemen. Als gevolg hiervan werd het beheer ondergebracht bij het Departement van Binnenlandsche Zaken en verzocht de regering aan mr. Enschedé toezicht op de ruïne uit te oefenen.


Enkele van de schetsen uit 1861 die Victor de Stuers publiceerde. De serie geeft
de toestand van de ruïne aan voordat met het eerste herstel werd begonnen

In 1862 stelde de Koninklijke Akademie van Wetenschappen een commissie in ten einde de toestand van de ruïne te onderzoeken. In een rapport bracht de commissie op 17 november 1862 verslag uit van haar bevindingen. Het bleek dat de ruïne beheerd werd door de Ontvanger der Registratiën en van het Domein in Zaandam. Deze instantie had niets tot behoud van de ruïne ondernomen.
Het Domein had in 1804 een naastliggend redelijk puinvrij stuk land verkocht en in 1805 de ruïne met bijbehorend land verhuurd, het laatst aan de heer Van Hoorn in Amsterdam. De huurovereenkomst hield in dat er geen veranderingen aan de ruïne aangebracht mochten worden en dat het publiek vrij toegang zou hebben. De verhuur bracht per jaar ca. ƒ 300,- op.
     De door de heer Van Hoorn op de ruïne gezette boer had evenwel ten behoeve van zijn bedrijf op allerlei plaatsen opstallen opgericht, welke omstandigheid nogal wat onenigheid veroorzaakte tussen de commissie en de zich verongelijkt achtende heer Van Hoorn. De ondernomen initiatieven hadden succes. Het rijk stelde vanaf 1862 per jaar ƒ 500,- beschikbaar voor het verrichten van herstelwerk waarna mr. Enschedé met niet aflatende ijver een aantal jaren de ontgravingen en het restauratiewerk leidde.
     Het is door de bemoeienissen van Victor de Stuers dat de staat zich de verantwoordelijkheid voor de in Nederland unieke ruïne bewust werd en tot maatregelen overging, al was dit nog aarzelend. Niet ieder was het eens met de wijze waarop het herstel plaats vond. Men vreesde dat de restauratie meer gericht zou zijn op het verwerken van de duizenden bezoekers dan op het restaureren naar de oorspronkelijke bouwvormen.
     Het rijk verhoogde de subsidie spoedig tot ƒ 600,-, welk bedrag door het Teylers Genootschap in Haarlem met ƒ 200,- werd aangevuld.
     In 1868 werd voor ƒ 3000,- een perceel land naast de ruina aangekocht. Voorheen maakte dit perceel als buitenhof deel uit van het kasteel.
     In 1877 werd de ruïne, waaraan dus werd gewerkt, door ruim 15.000 personen bezocht, welk aantal in de navolgende jaren langzaam toenam. Hoge bezoekers waren in 1877 de keizer en keizerin van Brazilië en in 1884 keizerin 'Sisi' van Oostenrijk.
     Bij het graafwerk werden vele oudheidkundige vondsten gedaan die in een uitstalkast werden bewaard. Deze kast werd geplaatst in het tegenoverliggende koffiehuis Velserend en in 1883 overgebracht naar de torenkamer in de donjon. In de periode van 1862 tot 1883 werden verschillende herstelwerkzaamheden uitgevoerd, zoals het ontgraven van de grachten en opnieuw optrekken van de walmuren, verwijdering van puin en ongewenste begroeiingen en van door de boer aangebrachte opstallen, het begaanbaar maken van de traptorens, aanbrengen van nieuwe houten bruggen, vrijmaken van de binnenplaats met de beide hoektorens, restauratie van vensters, bogen, dorpels enz.
     Met de overkapping van de donjon in 1903 kon de restauratie-periode als beëindigd worden beschouwd.


Gezicht op de oostkant van de ruïne ten tijde van het bezoek in 1884 van Keizerin Sissi. (Naar schetsmatige tekening uit 1886 door A.J. Terwen / Gemeentearchief Velsen R7-157)

Gezicht op de oostkant van de ruïne ten tijde van het bezoek in 1884 van Keizerin Sissi.
(Naar schetsmatige tekening uit 1886 door A.J. Terwen / Gemeentearchief Velsen R7-157)

     Huidige situatie - De ruïne is rijkseigendom en staat onder toezicht van de Rijksdienst Kastelenbeheer in Den Haag. Aan het zich tot consolidatie beperkende onderhoud dat door de Rijksgebouwendienst wordt uitgevoerd, werd sinds 1945 ruim 4 miljoen gulden besteed.
     Het door slotgrachten omgeven complex is vanaf de Brederoodseweg in Santpoort-Zuid via een houten poort te bereiken over een onder fraai geboomte liggend voetpad dat naar een rondlopende houten brug voert die uitkomt op de buitenhof. Na een tweede brug en de buitenpoort komt men op de voorburcht waar zich de beheerderswoning bevindt. Voorzien van een toegangsbewijs gaat men over een derde brug naar het kasteel- eiland en betreedt men door de binnenpoort de eigenlijke ruïne.
     In de torenkamer van de donjon zijn oudheidkundige gevonden objecten ter bezichtiging opgesteld en een grote maquette van het kasteel  in welstand
     te bewonderen, in 1986 vervaardigd door C.J. Willems naar aanwijzingen van A.J. Allan. De voorgaande uit omstreeks 1965 daterende maquette werd door de voormalige beheerder J.G. van der Kort volgens reconstructie-tekeningen van Victor de Stuers vervaardigd van kleine uit originele middeleeuwse bakstenen gezaagde steentjes. Deze interessante oudere maquette is in de kapeltoren geplaatst.
     In 1965 is speciale belichtings- en geluidsapparatuur geïnstalleerd waarmee in de zomeravonden in combinatie een bijzondere sfeer wordt opgeroepen. De installatie kan ook worden gebruikt bij aangepaste muziekuitvoeringen of toneelvoorstellingen.
     In de beide met elkaar verbonden kelders van de middentoren en de donjon is in 1976 in het kader van het eeuwfeest van het Noordzeekanaal en IJmuiden een permanente tentoonstelling met informatieve teksten, schema's en vele zwart-wit en kleurenfoto's ingericht over de geschiedenis van de 18 Heren van Brederode, totaal een periode van 1200 tot 1725 beslaande. Deze inmiddels door de Rijkskastelendienst overgenomen expositie is in 1985 herzien en voor permanente opstelling geconserveerd.
          Incidenteel worden in de ruïne uitvoeringen en concerten gegeven, bij voorkeur in de zomeravonden met soms romantische verlichting, zoals bijv. een persbericht medio 1992 aankondigt: 'Vrijdag 17 juli aanvang 21 uur staat de groep op een lokatie waar slechts weinigen hebben kunnen spelen: de Ruïne van Brederode ... een lokatie die je niet elke dag tegenkomt'.
     In de jaren '70 en '80 is door A.J. Allan het ruïnecomplex opnieuw onderzocht en opgemeten. In de jaren 1986 en 1987 is de ruïne in opdracht van het Rijk onderworpen aan een uitgebreid en gedetailleerd bouwhistorisch onderzoek, dit mede met het doel een goed inzicht te verkrijgen in de wijze van onderhoud en het nemen van verantwoorde en doelmatige maatregelen ter bevordering van het bezoek. De ruïne wordt jaarlijks door gemiddeld 15.000 personen bezocht.

 


    

A  Hoofdburcht
B  Voorburcht
C  Voorhof
D  Ringmuur
S  Slotgracht

 1. Binnenpoort
 2. Middenpoort
 3. Donjon
 4. Keuken

 5. Ridderzaal-Noord
 6. Kapeltoren
 7. Ridderzaal-zuid
 8. Kemenade
 9. Thetburgatoren
10. Sivaardtoren
11. Binnenplein
12. Buitenpoort
13. Beheerderswoning

    Beheer - Als eigendom van het Rijk stond de ruïne onder het beheer van de Rijksdienst Kastelenbeheer in Den Haag, ressorterende onder de directie Musea, Monumenten en Archieven van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.
     Aanvankelijk functioneerde de burgemeester van Velsen als slotvoogd. Sedert 16 mei 1972 is genoemde Rijksdienst werkzaam geworden met de aanstelling van de eerste Rijksslotvoogd mr. S.P. baron Bentinck.
     Op 1 oktober 1975 werd slotvoogd Mr. Bentinck opgevolgd door M. van Hoogstraten met de titel van Hoofd van de Rijksdienst Kastelenbeheer. Per 1 maart 1979 nam G. Heuff diens taak als slotvoogd over.
     Onder genoemde Rijksdienst viel het beheer over de zeven rijkskastelen Brederode, Gevangenpoort, Jacobaburcht en Strij- en, Loevestein, Muiderslot, Radboud en Teylingen.
     Deze Rijksdienst is in 1994 opgeheven. Het beheer over de ruïne werd ondergebracht bij de Nederlandse Kastelenstichting.


 

De buitenpoort in 1996, vanouds en ook
thans de toegang tot het kasteelcomplex.

 

 Bron: Onvoltooide Roem, Jan. H. Verhoog. Blz. 570-580

Copyright © 2016-2017 Rob Hubert, Alle rechten voorbehouden.
Joomla templates by a4joomla