Brederode-kronieken

     Voor zover het aaneen gesloten verhalen betreft, is het aantal bronnen over het geslacht Brederode op de vingers van één hand te tellen. Voor de talloze geschriften e.d. waarin Brederode op de een of andere manier in min of meerdere mate het onderwerp is, zijn alle vingers van vele handen nodig.
     In het navolgende wordt een aantal bronnen beschreven die elk voor zich een chronologisch opgesteld verslag geven betreffende de geschiedenis van het geslacht.
     Niet alle hieronder vermelde verhalende bronnen zijn van even groot belang voor de geschiedenis van Brederode, maar vermelding ervan geschiedt volledigheidshalve.

     1477 De kroniek van Pauw - Dirck Franckenszoon Pauw, ook genoemd Theodericus Pauli Gorcomiensis of Theodericus Pauli alias Franconis (1416/1417 Gorkum - 1493) was in 1442 pastoor en kanunnik in Gorkum en onderdeken van de St. Maarten en St. Vincent aldaar. Pauw schreef twee Brederode-kronieken waarvan de eerste met de titel De origine illustrium dominorum de Teylingen et de Brederoden is opgenomen in zijn Chronicon (Trier, Stadsbibl. hs.1288/794). De andere kroniek staat in het tweede deel van de door hem tussen 1480 en 1490 geschreven driedelige Chronicon Universale en heeft als titel De nobilibus baronibus dommis de Bredenrode (Brussel, Kon.Bibl. hs.22476; Utrecht, Univ.Bibl. hs.1650).
     In het Brederode-handschrift in Trier doet hij mededeling van zijn intensief onderzoek in binnen- en buitenland naar de oorsprong en de daden van het geslacht Brederode: '... Ik heb daarvoor bijna alle bibliotheken onderzocht van Utrecht, Egmond, Rijnsburg, Mariëngaard, abdijen van verschillende orden, en van kerken, ook de kronieken van Brabant, Vlaanderen, Gulik, Kleef, Mark, Keulen, Luik, Münster en vele andere landen...'. Hem was deze arbeid verzocht door Jan van Drongelen (†1492) in Utrecht, die aldaar o.a. 23 jaar lang de 24e landscommandeur was van de in 1190 gestichte Duitse Orde.
     Opmerkelijk is, dat hij wel kennis draagt van de zgn. Sicconiden-legende, maar meldt dat hij ondanks uitgebreid speurwerk niets heeft gevonden, dat duidt op het noemen van Brederode vóór de tijd van rooms-koning en graaf Willem II van Holland (†1256). Naar zijn mening is het geslacht op zijn vroegst terug te voeren tot 1200 op een tak van het geslacht van Teylingen. Volgens hem heeft Brederode geen reden zo hoog op te geven van een afstamming via het Hollandse gravenhuis en Trojaanse vorsten vanuit overoude tijden. Deze conclusie zal hem door de Heren van Brederode niet in dank zijn afgenomen, die zich immers gaarne beroemden op hun edele stam.
     Deze tegenstelling komt zonder twijfel voort uit de politieke toestand van die dagen, omdat Pauw een felle Kabeljauw was terwijl de Brederodes de Hoekse partij aanhingen. Overigens zijn er aanwijzingen van samenwerking tussen Pauw en de Hoekse Brederode-auteur en prior Jan van Leiden. Het verhaal van Pauw over Reinoud II van Brederode (†1473) komt sterk overeen met dat van Jan van Leiden.
     Pauw stelde ook een kroniek samen van het geslacht van Arkel Kronijcke des Lams van Arckel ende der stede van Gorcum, die evenals bij de Brederode-kroniek van Jan van Leiden begint bij Adam en via Troje uitkomt bij Arkel. Pauw voelde zich bij zijn Kabeljauwse opdrachtgever politiek en financieel nauw betrokken. Hij spreekt over Arkel als van '... den heer van Arckel als dat hooft van de cabbelyauwen naast Godt...'. Overigens is de Brederode-kroniek van Pauw niet van belang. Er kan enige waarde aan toegeschreven worden vanuit de mogelijkheid, dat het verschijnen ervan aanleiding geweest kan zijn voor de Brederodes om zelf een kroniek te doen schrijven, hun eer waardig.
     Niet minder dan de goed ingevoerde wetenschapper en prior Jan van Leiden in Haarlem krijgt de vererende opdracht. De kroniek van Pauw is niet in druk verschenen. Er bestaat twijfel of Pauw inderdaad de auteur is. Hij zal dan dezelfde moeten zijn als Thomas Gorcomiensis, vermoedelijk abt in Rode bij Aken, op wiens naam een kroniek van Brederode staat.

     1482 - De zgn. Mierop-serie - In het midden van de 15e eeuw is een viertal bij elkaar behorende serie handschriften met adelskronieken ontstaan die door Bruch de Mierop-serie genoemd wordt, naar de vermoedelijke afschrijver van één daarvan, nl. het Brusselse handschrift, hierna M-l genoemd. Cornelis van Mierop (†1572) was raadslid aan het Hof van Holland en later proost van de Utrechtse Domkerk. De handschriften vertonen onderling verschillen en worden hier aangeduid als het Brusselse M-l, het Utrechtse M-2 en het Haagse M-3. Het vierde handschrift M-4 is verloren gegaan. De serie handelt over Noord-Nederlandse adellijke families.

     M-l Het oudste uit de serie is het Brusselse handschrift in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel (6045-6054, fol.80r-154v).
     Het bevindt zich in een duidelijk leesbare codex waarvan het eerste deel (fol.1-78) een afschrift is van Annales regalium abbatum Egmondensium door Jan van Leiden. Het tweede deel (fol.78-192) van de codex, geschreven met de hand van Cornelis van Mierop en gedateerd 1537, bevat ca.30 afschriften van tot 1530 lopende adelskronieken. De vierde is van Brederode Origo dominorum de Brederoede met enkele latere onbelangrijke toevoegingen van een andere hand (6051, fol.130r-137v). De tot 1482 lopende kroniek vermeldt tussen de jaren 1000 en 1200 de fictieve Heren van Brederode. Mogelijk heeft Jan van Leiden van deze kroniek gebruik gemaakt bij de samenstelling van zijn Brederode-kroniek van 1482.
     Van de Mierop-Brederode-kroniek bestaan twee afschriften die geen andere gegevens bevatten dan die van Jan van Leiden. In 1561 is er van het Brusselse handschrift een tweede afschrift dat gebruikt moet zijn voor het Utrechtse Mierop-handschrift. Een derde afschrift uit 1585 moet gebruikt zijn voor het Haagse Mierop-handschrift.
     De kronieken in het Brusselse en het Haagse handschrift zijn naar inhoud en volgorde vrijwel gelijk, maar het Brusselse exemplaar is beter dan het Haagse. Het staat vermoedelijk het dichtst bij de oorspronkelijke tekst en heeft de minste verschrijvingen en weglatingen.
     Het Brusselse handschrift is van 3 kopiisten, resp. tot ca. 1460, ca. 1480 en 1530. De Brederode-tekst van het Brusselse handschrift is in 1933 in druk verschenen (AnMp.92-104).

     M-2 In het Utrechtse handschrift, geschreven in 1561 en met veel verschrijvingen en hiaten, komt geen Brederode-kroniek voor. Het handschrift bevindt zich in het Rijksarchief in Utrecht (ARU/Coll.Booth, hs.7A).

     M-3 Het Haagse handschrift bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag (hs. 131-G-31, p.101-246, fol.44v-50r en hs.l29-C-24, p.56-63).
     Het behoort tot een goed leesbare codex waarvan het laatste deel het zgn. Mierop-handschrift is. De volgorde van de kronieken is gelijk aan het Brusselse handschrift. De kwarto bladen 100-173 worden voorafgegaan door het in het Hollands geschreven zgn. Voorste Haagse handschrift op de bladen 1-100 waarop 31 kronieken zijn geschreven, met op p.84-100 een Brederode-kroniek.
     De in het Latijn geschreven adelskronieken zijn van 3 handen, resp. blad 1-98, blad 98-100 en omstreeks 1585 blad 100-173 door de in Gouda geboren historieschrijver Petrus Cornelissonius Boekenberg (†1617).
     Het is aan te nemen dat Boekenberg naar aanleiding van deze na 1582 opgestelde kroniek zijn in 1587 in druk verschenen Brederode-kroniek heeft samengesteld.
     De Brederode-kroniek Chronicon illustrium dominorum de Brederode - Van den beginne, oorspronek ende afeoempst der baenreheeren van Bredenroede ende heeren van Teylingen loopt tot 1482 en vermeldt evenals het Brusselse handschrift de fictieve Heren van Brederode.
     Het Haagse handschrift is beknopter van vorm en inhoud dan het Brusselse en is hiervan geen kopie, evenmin als van het Utrechtse exemplaar, maar is wel beter dan het Utrechtse handschrift.

     M-4 Een vierde onbekend Mierop-handschrift moet in het bezit geweest zijn van A. Matthaeus, blijkens zijn tekst van de Arkel-kroniek en van de Teysterband-fragmenten in de noten van de door hem uitgegeven Brederode- kroniek van Jan van Leiden.
     Dit vierde handschrift is verloren gegaan.

     1486 - De kroniek van Jan van Leiden [Staat online] - Verreweg het belangrijkste werk over de middeleeuwse geschiedenis van Brederode is de tot 1486 lopende kroniek van de prior Jan van Leiden. Het is zijn enige adelskroniek. Deze redelijk betrouwbare kroniek beslaat de periode van rond 1200 tot eind 15e eeuw.
     Zijn relaas over de eeuwen daarvoor is grotendeels aan zijn of andermans fantasie ontsproten en hierom minder interessant. Volgens zijn eigen mededeling zou hij voor de eerste 49 hoofdstukken gebruik hebben gemaakt van een tot 1465 lopende kroniek die in het huisarchief van Brederode voorhanden was. Hij heeft deze bewerkt en waar mogelijk aangevuld met de resultaten van zijn eigen onderzoek. Dit laatste zou dan de eerste 4 hoofdstukken betreffen.
Hij schreef eerst een tot 1482 lopende Latijnse versie Cronica illustrium Dominorum de Brederueden. Gerard Meerman deelt in zijn verzamelwerk Origines Typographicae van 1765 mee, dat hij van prof. Burma een niet uitgegeven tot 1465 lopende Latijnse Brederode-kroniek geleend en gezien heeft met de titel Genealogicia et Chronica Dominorum de Brederode van een onbekende vroegere auteur die wellicht een weer vroegere kroniek heeft overgenomen. Jan van Leiden kan deze kroniek hebben nageschreven of verwerkt.
     Welke kroniek Meerman te leen zou hebben gehad, is onbekend. Ook in de overgeleverde handschriften ontbreekt een directe aanwijzing in deze richting.

 

Gerard Meerman (1722-1771) - Hij promoveerde in 1741 in Leiden in de rechten en was van 1748 tot 1766 raad en pensionaris in Rotterdam. Hij stond bekend als één der geleerdste mannen van Europa en bezat een vermaarde bibliotheek met vele handschriften en zeldzame drukken.
Van zijn hand verschenen enkele werken op juridisch gebied.
     In 1765 gaf Meerman zijn Origines Typographicae uit, een verzamelwerk van o.a. manuscripten. Hierbij bevindt zich een verhandeling over de afstamming van Brederode.

     De Amsterdamse stadsarchivaris P. Scheltema meldde in 1847 in zijn Voorrede van de staatsraad mr. M.C. van Hall een aantal handschriften uit 1665 ter inzage gekregen te hebben, die behoorden tot het archief van het Huis van Brederode. Vooraan in deze verzameling staat de naam Theodoricus Cygneus, alias Theodoricus Holorius, Abcoudanus, die er zeker de verzamelaar en schrijver van was. Het jaartal 1665 staat vermeld bij zijn wapentekening.
     Het eerste handschrift in de verzameling was een afschrift van een Brederode-kroniek. Deze kroniek, die begint bij de schepping der wereld en eindigt in 1465, vangt aan met de woorden: 'Alle Kersten geloovige menschen, nu in der tijt wesende, ofte die naemaels noch comen, ende geboren sullen worden, begerende te weten die genealogie ofte afcoemste ende die gesten der Edele ende Hoochgebore Heeren ende Banroetsen van Brederode, sullen weten, hoe dat die
aldereerste Heere van Brederode, Zijvert geheten (= Siegfried), sijn oer- ende af-coemste gehadt heeft van dat aldereelste bloet der Troijanen, Priamus ende Hector ende van dat edele geslacht der mogende Keijseren van de Griecken'
.
     Naar alle waarschijnlijkheid heeft Jan van Leiden deze kroniek grotendeels woordelijk overgenomen in zijn eerste 49 hoofdstukken, met hier en daar een korte toegevoegde uitweiding. Hem kan hoogstens verweten worden dat hij kennelijke ongerijmdheden voor waar heeft overgeschreven, maar in zijn dagen kende men nauwelijks het bekritiseren van oude teksten op historische merites.
     De hierboven bedoelde oudere kroniek zal hij waar nodig voor zijn eigen kroniek hebben aangepast. Het zeker door Jan van Leiden zelf geschreven gedeelte begint na hoofdstuk 49. De kroniek valt in twee gedeelten uiteen, nl. een deel A met de hoofdstukken 1-49 en een deel B met de hoofdstukken 50-76. Van het eerste deel is dan nog een deel t/m hoofdstuk 9 afzonderlijk te zetten, zodat resp. de delen A-l (1-9) en A-2 (10-49) en B (50-76) te onderscheiden zijn. Hiervan zal het gedeelte A-2 (10-49) door Jan van Leiden zijn overgenomen van een oudere kroniek. Hij vulde dit aan met A-l (1-9) om de stamreeks terug te voeren tot aan Adam en met B (50-76) om de kroniek van A-2 (10-49) die tot ongeveer 1465 liep, tot de laatste dag te completeren. In het gedeelte A-l (1-9) is mede de door hem geschreven Proloog inbegrepen.
     De hoofdstukken 1-23 behandelen voornamelijk de genealogie van Adam tot en met Heer Willem IV (oude telling) van Brederode. De hoofdstukken 24-43 behandelen meer uitgebreid de navolgende 7 Heren van Brederode. De inhoud hiervan is grotendeels terug te voeren op Beka. De hoofdstukken 44-67 behandelen Heer Reinoud II, hoofdpersoon van de kroniek. De afsluitende hoofdstukken 68-76 behandelen voogdijproblemen en het tot ridder slaan van Heer Walraven II van Brederode. Tussen de hoofdstukken 43 en 44 zijn twee pagina's met een tekening van de stambomen van Brederode en Lalaing opgenomen.
     Het hierna volgende gedeelte is gevarieerder van inhoud, aanzienlijk uitvoeriger en met veel dynamiek geschreven. De laatste periode had hij als tijdgenoot meegemaakt zodat hij door persoonlijke navraag zich nog van allerlei details op de hoogte kon stellen. In de hele kroniek noemt hij zichzelf slechts tweemaal als bron, beide bij vrij onbelangrijke zaken.
     Duidelijk is een verschil in schrijfstijl waarneembaar tussen het deel met de Proloog A-l (1-9) alsmede het deel B (50-76) en het nageschreven gedeelte A-2 (10-49). Tegenover de koele opsomming van het kroniekgedeelte A-2 (10-49) valt de bewogen weergave van de gebeurtenissen in deel B (50-76) sterk op. De toevoeging A-l (1-10) gaf hij de stijl van A-2 (10-49), aannemende dat hij deze stamreeks tot Adam daarin ook niet naschreef, terwijl in de door hem geschreven proloog dezelfde persoonlijke toonzetting heeft als het gedeelte B.
     De Nederlandse versie van de kroniek is het eerst gepubliceerd in de Divisiekroniek van 1517 en daarna gebruikt voor vrijwel alle tot in begin 19e eeuw volgende publicaties die het geslacht Brederode als onderwerp hebben.
Na zijn eerste kroniek in de Latijnse taai van 1482 voltooide Jan van Leiden een tot 1486 lopende Nederlandse versie daarvan, die hij opdroeg aan Vrouwe Yolande van Brederode.
     Hij zal de kroniek, waarvan hij zich in de Proloog de schrijver noemt, voltooid hebben tussen 1486 en het sterfjaar 1497 van Yolande. Deze versie heeft de Latijnse titel De Origine et Rebus gestis Dominorum de Brederode en is bekend geworden onder de uit de Proloog genomen titel Historie van 't leven ende feyten der Edele ende Hoochgeboorne Heeren van Brederode in Hollant. De opdracht en de vermelding van het auteurschap komen niet voor in de Latijnse versie. De adelskroniek van Brederode is de enige die zowel in het Latijn als in de Nederlandse landstaal geschreven is. De origineel door Jan van Leiden vervaardigde manuscripten zijn verloren gegaan, maar er zijn twaalf afschriften bewaard die hierna beschreven zullen worden.
     De Latijnse en de Nederlandse versie zijn resp. in 1957 en in 1698/1738 in druk verschenen. De Nederlandse versie is naar een onbekend handschrift uitgegeven door mr. Antonius Matthaeus in zijn Veteris Aevi Analecta, in eerste druk in 8o Lugduni Batavorum (Leiden) 1698, deel II, p.274-504 en in tweede druk in 8o Hagae Comitis (Den Haag) 1738, deel I, p.587-740. Men pleegt de laatste meer toegankelijke tweede druk te citeren.

 

     Antonius Matthaeus (1635 Utrecht - 1710 Leiden) - Hij studeerde in Utrecht en Franeker en promoveerde in 1659 in Utrecht in de rechten. Hij was hoogleraar in Utrecht en Leiden.
     Hij onderscheidde zich door zijn uitgebreide geschiedkundige kennis. Zijn colleges en lessen werden echter matig bezocht, deels door onjuiste waardering van zijn colleges en deels wegens de stroefheid van zijn karakter.     
Hij gaf een groot aantal van zijn wetenschappelijke geschriften in druk uit.
     Het meest bekend is hij door zijn 10-delig werk Veteris Aevi Analecta, voorzien van vele eigen aantekeningen en uitgegeven in 1698-1710, in 1738 gevolgd door een tweede uitgave.
      Hierin publiceerde hij onder andere teksten van vele oude handschriften en kronieken.

De kroniek van Jan van Leiden is op een aantal punten niet al te betrouwbaar en dient daarom met kritische zin gelezen te worden. Daarvoor zijn een paar redenen aan te voeren. Ten eerste was het in zijn tijd, nog in de Middeleeuwen, een niet zo eenvoudige zaak aan de gewenste bronnen te komen. In hoofdzaak stonden de schrijver die geschriften ter beschikking die hij zelf bezat.
     Verder kon hij in nabij gelegen bibliotheken van kloosters e.d. allerlei werken inzien. Zelf schrijft Jan van Leiden hierover, dat hij dat ook gedaan heeft door het lezen van '... diversche oude historiën, cronieken ende gesten'. Hierbij moet bedacht worden dat de boekdruk pas was uitgevonden en er alleen handschriften in enkelvoud bestonden.
     Voor het overige heeft hij geput uit parate kennis die hij in de loop der jaren verkreeg uit eigen waarneming of bij het samenstellen van zijn beide andere grote werken, een kroniek over de historie van het graafschap Holland en dito over de abdij van Egmond.
     Overigens zegt Jan van Leiden niet dat hij die oude geschriften van 300 of 400 jaar oud zelf gezien heeft, maar dat hij de landscommandeur Johan van Drongelen van de Duitse Orde te Utrecht had horen zeggen die in handen gehad en gezien te hebben. Feitelijk is dit nauwelijks mogelijk omdat het Duitse Huis in Utrecht in 1220 werd gesticht en vóór die tijd aldaar geen archiefstukken bewaard konden zijn.
     Van grotere invloed op zijn betrouwbaarheid is de tweede factor die verband houdt met het politieke kader waarbinnen hij zijn werk te doen had.
     Om voor eens en altijd de Kabeljauwen het zwijgen op te leggen, ontving Jan van Leiden van Vrouwe Yolande van Brederode omstreeks 1480 het vererende verzoek tot het schrijven van een gedegen Brederode-kroniek annex genealogie, waaruit ondubbelzinnig de echte en wettige afstamming uit de graven van Holland en overige edele geslachten uit nog verder verleden zou moeten blijken.
     Door deze doelstelling verkreeg de kroniek een zekere eenzijdige kleuring, die thans bij de lezing ervan de nodige correctie behoeft. Zeker heeft Jan van Leiden bij het afschrijven van zijn bronnen op allerlei plaatsen veranderingen aangebracht en heeft hij in zijn eigen manuscript bepaalde zaken zodanig voorgesteld, dat deze de roem van Brederode ten goede zouden komen. De kritiek op zijn werk was niet altijd even mals. Dousa zegt van hem: 'Jan Gerbrantsen zegg' ik, die 't spel heeft teenemal; Verwert, verlorren draagt met soo veel blinde schoten'.
     Overigens heeft Jan van Leiden ruimschoots aan zijn taak voldaan, want zijn visie heeft het ruim een drietal eeuwen uitgehouden, tot rond 1800 een intensief onderzoek naar de feitelijke oorsprong van het geslacht begon, dat pas na
anderhalve eeuw in 1959 tot afsluiting kwam. [Staat online].

     1587 - De kroniek van Boekenberg - In 1587 geeft de zo betitelde 'historie-schrijver' P.Cz. Boekenberg een Brederode-kroniek uit onder de titel Historia et Genealogia Brederodiorvm; Illvstrissimae Gentis Hollandiae.

  Petrus Cornelissonius Bockenbergius Goudani (1548 Gouda - 1617 Leiden) - Na zijn studie in Leuven werd hij in 1574 tot priester gewijd. In een aantal steden vervulde hij een leraarschap en was hij pastoor waarna hij een langdurige buitenlandse reis maakte.
     In 1583 liet hij zich inschrijven in Leiden als student in de letteren. Na enige omzwervingen werd hij in 1586 lid van de gereformeerde kerk.
     In 1589 huwde hij een dochter van Johannes Wijkersloot, rector van de Latijnse school in Woerden. Hij vestigde zich in Leiden waar hij in 1617 overleed.
Zijn leven heeft hij gewijd aan historische arbeid. Van de Staten van Holland ontving hij een jaarwedde. In 1591 benoemde Oldenbarnevelt hem tot 'historie-schrijver van Holland', wat bij meer ervaren auteurs als Dousa weinig waardering ondervond en felle kritiek uitlokte.
     Hij behoorde tot de vriendenkring van Heer Walraven III van Brederode (†1614).  Boekenberg gaf een aantal van zijn werken in Leiden uit waaronder een verzamelwerk onder de titel Historiae Batavorum hactenus editae, waarvan de eerste van de vijf hierin opgenomen delen zijn Brederode-kroniek is.

In het Haagse handschrift M-3 van de hierboven vermelde Mierop-serie bevindt zich een reeks door Boekenberg (af-)geschreven adelskronieken waarbij een Brederode-kroniek. Het is niet bekend door wie deze kroniek uit de 15e eeuw is opgesteld. Het is misschien naar aanleiding daarvan dat Boekenberg in 1587 onder eigen naam een afzonderlijke  Brederode-kroniek in het Latijn in druk heeft laten verschijnen.
     Deze bestaat uit een Inleiding en Voorwoord, de Kroniek die de jaren 988 tot 1587 omvat (p.1-101), een schematisch Overzicht van relaties met andere geslachten (p.102-115) en een uitgebreid alfabetisch Register met paginaverwijzing van alle in zijn genealogie voorkomende namen (p.116-141) en een Nawoord (p.142-145). Het in octavo uitgevoerde boekje beslaat totaal 160 bladzijden.
     Vergelijking toont aan, dat de kroniek vrijwel geheel steunt op de bekende in 1517 verschenen Divisiekroniek van Aurelius (Holl. Div. Chron. VVV Cap.III) en derhalve geen nieuwe gegevens aandraagt.
     Ook voor Boekenberg stond de afstamming vanaf Sigfried vast. Als bron voor Brederode is het werk van Boekenberg thans achterhaald en van geen belang, ondanks de vele zorg die hij aan de samenstelling ervan heeft besteed. Zijn kroniek was destijds natuurlijk wel bekend en aanwezig in diverse bibliotheken en instellingen.
     Ongeveer een eeuw later noemt Simon van Leeuwen in zijn verzamelwerk Batavia Illustrata uit 1685 in de Inleiding op zijn genealogie van Brederode o.a. Boekenberg als informatiebron, hierbij de betere uit 1486 daterende kroniek van Jan van Leiden verzwijgende. Deze was toen nog niet in druk verschenen zodat Boekenberg met zijn gedrukte uitgave een voorsprong had.
     Na de uitgave in druk in 1698 door Matthaeus van de kroniek van Jan van Leiden blijft Bockenbergs boekje wat meer in de kast staan. Het wordt nog in 1869 als bron genoemd door J.J. van Brederode in zijn Familiestudie.

     1612 - 'Brederode’ door Luigi Guicciardini [Staat online] - In 1612 verscheen bij Willem Jansz. in Amsterdam het werk Beschryvinghe van alle de Neder-landen; anderssins ghenoemt Neder-Duytslandi door Ludovico Guicciardini.

  Ludovico Guicciardini (1521 Florence -1589 Antwerpen) Kort voor zijn twintigste jaar was hij als een koopmanszoon en Florentijns edelman en evenals vele leden van zijn familie in Antwerpen komen wonen. Nadat zijn handelsactiviteiten terugliepen, werd hij als schrijver een welvarend man. Zijn bekendste boek is het in 1567 bij Plantijn gedrukte geschiedkundig werk 'Discrittione di tutti i Paesi Bassi'.
Een zeer fraaie herdruk uit 1582 door Plantijn kostte ruim 7 gulden. Zijn boek over de Nederlanden berust op gedegen studie en persoonlijke waarneming en is een meesterwerk.
     Het is in ca.1580 in het Italiaans geschreven en later vertaald door Cornelis van Kiliaan (†1607). Het heeft uit het Frans vertaalde toevoegingen.
     In 1979 verscheen een facsimile-uitgave.

Het gedeelte over Brederode staat op de bladzijden 238-239 in het hoofdstuk over Holland. Het is beperkt van omvang en gaat uit van de Sigfriedlegende, wat eenzesde deel van de totale tekst beslaat. Verder is hij een weinig uitvoerig ten aanzien van Heer Jan (†1415), Heer Reinoud II (†1473) en Hendrik II (†1568) van Brederode en de gang van zaken ten aanzien van de Heerlijkheid Brederode als erfgoed.
     Aan het slot volgen de namen van een groot aantal middeleeuwse riddergeslachten. Aangezien de tekst omstreeks 1580 werd samengesteld, kan als bron alleen maar de kroniek van Jan van Leiden uit 1482/1486 gebruikt zijn en de verwerking hiervan in de Divisiekroniek van 1517. De tekst heeft latere toevoegingen tot omstreeks 1595 zodat nog de kroniek van Boekenberg uit 1587 geraadpleegd kan zijn. De laatste in de tekst genoemde Brederode is Heer Reinoud IV (†1584). Als bron voor Brederode geeft Guicciardini geen nieuwe gezichtspunten. [Staat online]

     1620 - 'De Heeren van Breederoede' door W. van Gouthoeven - In 1620 verscheen bij Peeter Verhaghen in Dordrecht het verzamelwerk D'oude Chronijcke ende Historiën van Holland (met West-Vriesland) van Zeeland ende van Utrecht, van 449-1620, samengesteld en geschreven door de historieschrijver Wouter van Gouthoeven. Op de bladzijden 120-125 staat de Brederode-genealogie De Heeren van Brederoede afgedrukt.

  Wouter/Waltherus van Gouthoeven (1577 Dordrecht - 1623 Dordrecht) - Hij was zoon van een dijkgraaf in Dubbeldam. Hij studeerde in Utrecht en Leuven waarna hij zonder een graad behaald te hebben naar Dordrecht terugkeerde en zich daar vestigde. Hij was rooms-katholiek.
     Zijn belangstelling voor geschiedenis en genealogie leidde in 1620 tot zijn zorgvuldig geredigeerde editie van het eerste deel met de in 1517 uitgegeven Divisiekroniek.
Deze verscheen daarmee in 1620 voor de vierde maal in druk. Gouthoeven voegde hieraan als tweede deel een 'Bij- voeghsel' toe dat de bladzijden 73 tot 226 omvat. Het totale omvangrijke werk bestaat uit een groot aantal genealogieën van Hollandse adellijke geslachten en uit beschrijvingen van steden, dorpen, kastelen enz.
     In 1636 verscheen in Den Haag een tweede druk van het gehele werk.

Hij volgt in de genealogie geheel de opstelling van Jan van Leiden in diens kroniek, derhalve beginnende met Sigfried (†1030) als eerste Heer van Brederode. Gouthoeven noemt als laatste 'Walraven van Breederoede', geboren 1594 (Walraven IV/†1620). Hij geeft een droge opsomming zonder enig commentaar. Hoewel hij zeer nauwgezet te werk ging, dient zijn werk toch met kritische aandacht gelezen te worden daar hij afhankelijk was van soms vage, oude en moeilijk controleerbare bronnen die op zich allerlei hiaten en onjuistheden bevatten.

     1656 - De kroniek van Paulus Voet - [Staat online] In Utrecht verscheen in 1656 bij Iohannes van Waesberge, Boekverkooper tegenover het Stadhuis, de eerste druk van het boekje Oorspronck, voortganek en daeden der Doorluchtiger Heeren van Brederode, geschreven door professor Paulus Voet.

  Paulus Voet (1619 Heusden -1667 Utrecht) - Hij was een zoon van de zeer bekende professor en predikant Gijsbertus Voetius (1589-1676). Na zijn studie filosofie en rechten in Utrecht werd hij in 1646 buitengewoon hoogleraar methafysica en vervulde docentschappen Grieks, logica en rechten tot aan zijn benoeming in 1654 tot hoogleraar in de rechten.
     Hij was een bekwaam en gezagsvol rechtsgeleerde en gaf een reeks juridische geschriften en studies uit. In 164? werd hij griffier en raad aan het Hof van Vianen dat viel onder de jurisdictie van de Heren van Brederode die in Vianen op het kasteel Batestein resideerden. Bij zijn benoeming in 1654 tot hoogleraar behield hij bij uitzondering deze functie.
     Hij huwde le in 1646 met Elisabeth van Winssen (†1655), 2e in 1659 met haar nicht Elisabeth Reuffert.
Zijn vrouw Elisabeth overleefde hem bijna 50 jaar. Hij schreef zijn Brederode-verhaal in de eerste wintermaanden van 1656 met het doel, zoals hij in zijn voorwoord vertelt, zijn droeve gedachten te verzetten na het vroege overlijden van zijn eerste vrouw in december 1655.
     Bovendien had hij tijd over omdat wegens de winterkoude de academie gesloten was en zowel de professoren alsook de studenten thuis bleven.
     Uit zijn voorwoord blijkt hoezeer hij een zoon van zijn tijd was, geboren in de zittingsjaren van de Dordtse synode en evenals zijn vader vurig strijder op de arminiaanse flank van het calvinisme. In zijn boekje blijkt dit ook op bepaalde plaatsen wat goed mogelijk was, omdat de familie Brederode toen eveneens de 'gereformeerde' religie aanhing.

Waarschijnlijk ten gerieve van de Frans sprekende leden van de familie Brederode verscheen in 1663 in Amsterdam een Franse vertaling van de kroniek van Voet onder de titel Origine, progres et gestes mémorables des illustres Seigneurs de Brederode. In zijn kroniek handhaaft Voet de afstamming van Sigfried en dus uit het Hollandse gravenhuis, maar laat daarbij wel blijken dat hij dit een twijfelachtige zaak vindt. De stamreeks zoals Jan van Leiden die geeft, lopende vanaf Adam over Troje, vindt hij belachelijk. Desondanks begint hij zijn genealogie toch bij het Trojaanse Rijk, zulks om te laten blijken dat Brederode een overoude en eervolle reeks voorvaderen heeft.
Bij de jaren rond 1000 aangekomen, poneert hij toch de stelling dat '...die van Brederode van Dirk de eerste Graaf van Holland door wettige opvolging afstammen...'. Hieraan ontkomt hij niet omdat zijn tijdgenote '...de Doorluchtigen, Hoochgeborenen, de Graevinne Louise Christina van Solms, Doüagiere van Brederode Etc. en den Graeve Hendrick van Brederode, Geboren uyt den Huyse van Hollandt, Vryheer tot Vianen, Ameyden Etc., Erfburchgraef van Vtrecht, Heere van Brederode, Schoorel, Camp, Noordeloos, Haeften, Hellou, Etc. Colonel Etc. ...', aan wie beiden hij zijn boekje opdraagt, tot haar laatste uur om de erkenning van deze grafelijke afstamming heeft gestreden. Door genoemde grafelijke afstamming, zegt Voet, hebben de Heren van Brederode het recht de titel van graaf te dragen, hoewel geen van hun oorspronkelijke bezittingen de status van graafschap heeft gedragen.
     Voet stelt, dat niet alleen de oudste zoon van een graaf recht op de titel heeft, maar dat ook jongere zonen, al bezitten deze geen graafschap, de graventitel dragen. De beweerde afstamming van de jongere zoon Sigfried van graaf Arnoud van Holland is derhalve de rechtsgrond voor het dragen van de graventitel door de heren van Brederode.
     Zij zijn zich dit zeer wel bewust, zegt Voet, want zij noemen zich ’... Graeve van Brederode, vrij Heer tot Vianen en Ameyden, Heere tot Brederode ...". Met een breed uitgemeten omhaal van woorden, die qua betoogtrant meer past bij de Middeleeuwen dan bij de heldere geest van een 16e eeuwse professor in de rechten die Voet dan is, gaat hij zodanig op deze oude afstamming in dat het schijnt alsof hij er zelf in gelooft, wat zeker niet zo is. En zo komt ook bij hem Sigfried als eerste Brederode aan het begin te staan.
     Volgens zijn eigen woorden raadpleegde Voet tal van oude geschriften, boeken, oorkonden en akten, waardoor zijn verhaal in samenspel met zijn heldere en analytische geest in grote mate betrouwbaar is voor de jaren na 1200. Bij de vele bronnen die Voet noemt, komt merkwaardigerwijze niet de zo bekende kroniek uit 1486 van Jan van Leiden voor, hoewel toch aangenomen zou mogen worden dat hij minstens wist van het bestaan hiervan, al bestond die dan alleen maar in handschrift. Ook de gedrukte kroniek van Boekenberg uit 1587 noemt hij niet.
     Zijn meest belangrijke bron is de Divisiekroniek van Aurelius uit 1517 en hij zal gemeend hebben dat deze bron in hoofdzaak de informatie bevatte die hij behoefde. Verder noemt hij nog: Grotius, Guicciardini, Heda, Heuterus, Hooft, Van Meteren en Veldenaer. Voet eindigt in 1655 met de toen 12e Brederode-Heer, de 6-jarige Hendrik II van Brederode (bij hem de 26e Heer!).
     Vooraf weidt hij in een nogal overdreven vloed van woorden uit over de voortreffelijkheid van de in dit jaar overleden Heer Johan Wolfert van Brederode en diens respectievelijke echtgenotes, de in 1636 overleden gravin Anna van Nassau en Vrouwe Louise Christina, gravin van Solms-Braunfels, aan wie Voet in 1656 zijn werk opdraagt, ongeveer een jaar na het overlijden van haar gemaal Johan Wolfert van Brederode. Als Hofraad in Vianen kende Voet de douairière uitermate goed en hij zal zonder twijfel vele malen op kasteel Batestein te gast zijn geweest.
     Hier en daar bevat zijn beschrijving interessante uitweidingen zoals over de stad Vianen en over Huize Amaliastein dat Heer Hendrik II van Brederode voor zijn vrouw Amalia van Nieuwenaar bij Vianen had laten bouwen. Tenslotte is er de omstandigheid dat Voet de beide huwelijken van Heer Johan Wolfert heeft meebeleefd, wat op zich in de lange Brederode-geschiedenis zeker niet de minst belangwekkende periode is geweest.
     Hij besluit met de navolgende opwekking: En dit is het weynige, t'welck ick op het pompier heb willen brengen, soo om ieder een aen te wijsen in t’kort, wat voor Helden uyt het Hoochloflijcke Huys van Brederode gesproten zijn, als oock om der selver naekomelingen, insonderheyt die nu in het leven zijn, door de exempelen van hare Doorluchtige Voor-ouderen, op te wecken tot naevolginge der selver Heroisse deuchden, en daeden.
     Om dat alsoo den Lande noyt en ontbreecke aen soodaenige, die des noots zijnde, haer goet ende leven, voor de waere Gereformeerde Religie, en de vryheyt, twee pilairen van onsen stoet, gewillichlijck souden willen opofferen'.
     Zijn heilbede, dat het geslacht Brederode zou bijdragen aan het heil des vaderlands, is niet uitgekomen. Nadat zijn boekje in 1656 verschenen was, volgden nog slechts twee ongehuwde jong overleden mannelijke erfgenamen als Heren van Brederode, waarmee in 1679 een einde kwam aan de glorie van het geslacht. Zijn boekje telt 170 bladzijden en eindigt met een Geslacht-Taefel der Heeren van Bredenrode
. [Staat online]

     1657 - 'De Doorluchticheyt van Brederode' door Pieter van den Broeck - In 1657 verscheen in Amsterdam bij de boekverkoper Isaac de la Tombe het rijmstuk De Doorluchticheyt van Brederode vyt den Grafelycke huyse van Hollant door Pieter van den Broeck. Het is opgedragen aanzyne genade Henrik van Brederode, Gebooren Grave uyt den Huyse van Hollandt, ... en '... Aen haer Exellentie De Hoogh geboorne Vrouwe Louise Christine, Geboren Gravinne van Solms, Braunfelts, Wildevelts en Sonnewalts etc. Gravinne Douagiere van Brederode'.
    
Als rijmstuk heeft het geen waarde, evenmin als bron voor Brederode. Er zijn enkele teksten van oorkonden in opgenomen. Als afsluiting dienen twee rijmen op de Medaelje van de 16e Heer Johan Wolfert van Brederode (†1655).
     Pieter van den Broeck schreef zijn werkstuk met het hoofddoel de beweerde grafelijke afkomst van Brederode te onderstrepen en te bewijzen.

     1685 - 'Batavia Illustrata' door Simon van Leeuwen - [Staat online] In 1685 verscheen in Den Haag een verzamelwerk in twee delen met de titel Batavia Illustrata ofte verhandelinge van de oorspronk, voortgank, zeeden, eere, staat en godsdienst van Oud-Batavien, geschreven door de rechtskundige Simon van Leeuwen.
     Op de bladzijden 884-892 is de Brederode-genealogie afgedrukt, voorafgegaan door een kritische inleiding. Deze genealogie steunt grotendeels op die van Van Gouthoeven uit 1620.

  Simon van Leeuwen (1626 Leiden - 1682 Den Haag) Hij promoveerde in 1649 in Leiden tot doctor in de rechten waarna hij advocaat werd in Den Haag. Na 1652 vervulde hij diverse functies op verschillende locaties.
     De uitgave van rechtskundige studies deed zijn bekwaamheid blijken. Door allerlei oorzaken ondervond hij weinig erkenning in het politieke bestuursapparaat, wat hem hinderde omdat hij dit als een onterechte beoordeling van zijn capaciteiten beschouwde.
In 1681 werd hij substituut-griffier in Den Haag. In deze functie kwam hij in aanraking met allerlei archieven van overheidsinstellingen, wat hem inspireerde tot het opzetten van een groot verzamelwerk dat tot op heden als een gewild naslagwerk bekend staat. Drie jaren na zijn dood in 1682 werd dit werk in 2 delen uitgegeven.
     Hij verkreeg ook algemene bekendheid door zijn overige werken, waarbij een standaardwerk over het rooms-Hollands recht, waarvan in 1732 een 10e druk verscheen.

Simon van Leeuwen geeft in de inleiding zijn twijfel weer over de beweerde afstamming via Sigfried uit het Hollandse gravenhuis en komt tot de slotsom dat deze afstamming een verzonnen zaak moet zijn. Desondanks laat hij toch, kennelijk zich willende voegen in het algemeen gevoelen van zijn tijd, de afstamming beginnen rond het jaar 1000 met Sigfried, hiervoor dan wel verwijzend
naar de historie-schrijver Scriverius die volgens hem een en ander nauwkeurig heeft onderzocht.
     Zijn genealogie eindigt met de in 1679 gestorven laatste erfgenaam in mannelijke lijn Heer Wolfert van Brederode. Hiermee is Simon van Leeuwen de eerste kroniekschrijver die een genealogie met alle 18 Heren van Brederode heeft kunnen geven. Bij de tekst is een aantal heraldische wapens afgebeeld van geslachten die door huwelijk met de Brederodes verbonden waren. Al met al is dit nauwkeurig opgezette werk van Simon van Leeuwen ondanks onvolkomenheden een goede bijdrage voor de uiteindelijke samenstelling van een betrouwbare stamreeks van Brederode
. [Staat online]

     1778 - 'Geslachtboom van Brederode’ door J. van den Toorn [Staat online] - In Amsterdam verscheen in 1788, in 1790 gevolgd door een 2e druk, het boekwerkje: Geslachtboom van alle de mannelyke nakomelingen uit het oud adelyk stamhuis der Heeren van Brederode, samengesteld en grotendeels geschreven door J. van den Toorn. Het boekje is als bron voor de geschiedenis van Brederode van weinig belang.

  Jacobus van den Toorn (ca.1730 -1777 Alkmaar?) - Hij was o.a. regent van het mannengasthuis in Haarlem.
     Hij woonde in Alkmaar wat mede geleid kan hebben tot zijn belangstelling voor de beweerde wettige afstamming van een aantal in Noord-Holland wonende nakomelingen uit het geslacht Brederode.
Als bewijsvoering hiervoor schreef hij bovengenoemde verhandeling.
     Hij zal redelijk welgesteld geweest zijn, althans werd in 1794 uit de nalatenschap van zijn echtgenote een som van f 13.640 betaald ter voldoening van een schuld, die door malversatie van de jongste van hun twee zonen was ontstaan.

Ca. 11 jaar na de dood van Van den Toorn werd de 'Geslachtboom enz.' naar opzet en aantekeningen van hemzelf in 1788 te Amsterdam in druk uitgegeven, bezorgd door Jan Panders uit Alkmaar, als zijnde een Aanhangsel van de Vaderlandsche Historie van Jan Wagenaar. De 2e druk uit 1790 is Vermeerdert met eenige Byzonderheden, wegens den laatsten Afstammeling, Jonker Hendrik (= III) van Brederode. De titel wekt veel verwachtingen. Het is vrij verward geschreven en steunt geheel op Wouter van Gouthoeven/1620 en Paulus Voet/1656.
Het is merkwaardig, dat hij Simon van Leeuwen/1685 niet gebruikt, hoewel deze de eerste complete Brederode-genea- logie geeft. Van den Toorn behandelt na een overzicht van de vermeende afstamming van Brederode een paar familiereeksen, waarschijnlijk omdat de schrijver leden daarvan kende.
     Hij heeft dit werkje in hoofdzaak opgezet ter overtuiging van de wettige afstamming van twee zijtakken van Brederode. Daartoe vermeldt hij een aantal dokumenten waaruit die legale afstamming zou moeten blijken, resp. van een in de kop van Noord-Holland wonende zijtak die zou afstammen van Heer Walraven II van Brederode (+1531) en van nakomelingen uit het 'huwelijk' van Heer van Reinoud III van Brederode (+1556) met Katharina van Holten. = Inhoud - Het boekje bestaat uit drie gedeelten: p.1-29 Globale stamboom van het geslacht Brederode (met de Sigfried-afstamming!); p.20-24 en 28-32 Stamboom van een Noord-Hollandse zijtak vanaf Walraven II; p.24-27 Stamboom van een zijtak vanaf Reinoud III.
     Naar aanleiding van dit boekje gaf M.L. d'Yvoy (†1831) in 1791 er anoniem een beschouwing over uit onder de titel Verhandeling over de beweerde
gewettigde afstamming der Heeren van Brederode van Bolswaard uit Reinoud den Derden. In ca.1792 schreef d'Yvoy onuitgegeven Aanteekeningen bij het werkje van Van den Toorn.
     De inhoud van dit boekje is thans geheel achterhaald. Het is overigens een kleine eeuw na verschijnen nog wel als serieuze bron vermeld in een in 1869 verschenen Brederode-studie
[Staat online].

     1787 - 'Vaderlandsch Woordenboek’ door J. Kok - In de jaren 1780-1795 verscheen in Amsterdam het omvangrijke Vaderlandsch Woordenboek in 35 delen, waarvan de eerste 19 delen door de Amsterdamse auteur Jacobus Kok werden bewerkt.
In de jaren 1797-1799 verschenen in Amsterdam in 3 delen de bijbehorende Bijvoegzels op het Vaderlandsch Woordenboek. Vrijwel gelijktijdig met deze Bijvoegzels verscheen in Amsterdam een tweede druk in 38 delen van het gehele werk.

  Jacobus Kok (17?? Amsterdam - 1788 Amsterdam) Kok was een geboren Amsterdammer. Hij was boekhandelaar en had belangstelling voor historische onderzoek.
     Behalve het woordenboek verscheen in 1778 van hem 'Amsterdams eer en opkomst door middel der hervorming in 1578'. In 1781 gaf hij 'Amsterdamsche Jaarboeken' uit in 3 delen met beschrijvenswaardige merkwaardigheden.
In 1784 verscheen als resultaat van zijn onderzoekingen een werk over 'Oorsprong, aanwas, geschiedenis, voorrechten en tegenwoordige staat der Nederlandsche schutterijen en exercitie-genootschappen' dat voor de geschiedenis van de patriottentijd nog van belang is.
In 1773 schijnt van hem een werk te zijn verschenen over bepaalde facetten van de kerkgeschiedenis.

De bedoeling van Kok was een algemeen naslagwerk voor de ontwikkelde burgerij van zijn dagen hetgeen op zich zeker van waarde was. Zijn woordenboek waarin teksten over Brederode (VII.979-1042, Bijvoegzels.279-298) verouderde evenwel snel en werd na ruim een halve eeuw vervangen door het betere, zij het voornamelijk tot biografieën beperkte, woordenboek van AJ. van der Aa.
     Het Woordenboek van Kok heeft thans nauwelijks enige gebruikswaarde, tenzij om na te gaan hoe men in zijn tijd over bepaalde zaken dacht
.

     1852 - 'Biographisch Woordenboek der Nederlanden' - Als vervanging van het sterk verouderde Vaderlandsch Woordenboek van J. Kok, waarvan in 1780 met de uitgave werd
begonnen, verscheen van 1852 tot 1878 bij J.J. van Brederode in Haarlem een door A.J. van der Aa nieuw opgezet biografisch naslagwerk in 21 delen, door Van der Aa tot en met de letter C bewerkt.
     Het is een veelomvattende uitgave, die vanwege de zwakke bronnen waaruit Van der Aa kon putten, goeddeels is achterhaald en vervangen door het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (NNWB) dat in de jaren 1911-1937 verscheen.

  Abraham Jacob van der Aa (1792 Amsterdam - 1857 Gorinchem) - Hij werd in 1810 student medicijnen in Leiden. Na omzwervingen in militaire dienst werd hij in 1817 boekhandelaar, in 1819 onderwijzer in Leuven en in 1825 militair secretaris. In 1841 vestigde hij zich als ambteloos burger in Gorinchem.
Hij publiceerde vele uitgebreide historische en biografische werken, o.a. het 'Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden' in 13 delen (1836-1851) en het 'Biographisch Woordenboek der Nederlanden' in 21 delen (1852-1878). Het laatstgenoemd werk verzorgden hijzelf nog de eerste drie delen.

Het in 1854 verschenen deel II bevat op de bladzijden 1224-1270 de artikelen over Brederode, die vrijwel alle door JJ. van Brederode zijn overgenomen in zijn hierna te noemen Familiestudie.

     1854 - 'Het kasteel van Brederode' door J. van Lennep en W.J. Hofdijk - Op 1 mei 1854 verscheen het eerste deel van de zesdelige reeks van het informatieve werk Merkwaardige kasteelen in Nederland. Hierin wordt een groot aantal kastelen met de lotgevallen van hun bewoners beschreven.
     De min of meer uitgebreid verhaalde geschiedenis van het geslacht Brederode staat in het eerste deel op de bladzijden 47-80.

  Jacob van Lennep (1802 Amsterdam - 1868 Oosterbeek) Mr. Jacob van Lennep toonde al op zeer jeugdige leeftijd een goed verstand en opmerkelijk sterk geheugen. Hij had een onverzadigbare leeslust. Op zesjarige leeftijd reciteerde hij de gehele 'Gijsbrecht van Amstel' uit het hoofd. In 1868 ging hij naar het Athenaeum in Amsterdam en promoveerde in 1824 in Leiden in de rechten.
     Van 1826 tot aan zijn dood was hij rijks-advocaat. Hij schreef tal van studies, geschiedkundige werken en romans, waarvan 'Ferdinand Huyck' uit 1840 wel de bekendste is.
     Van 1838-1844 schreef hij de serie 'Onze Voorouders'.
Zijn Vondel-uitgave in 12 delen uit 1855-1869 is een standaardwerk. Op 18.10.1867 onthulde hij als voorzitter van de commissie het Vondelstandbeeld in Amsterdam. Hij beijverde zich sterk voor toneel en beeldende kunsten en was een
maecenas voor jonge letterkundigen. Door gebrek aan voldoende ernst mislukte zijn loopbaan als politicus.
     Hij was in zijn dagen populair door zijn aangename omgangsvormen en geestige conversatie. In samenwerking met W.J. Hofdijk schreef hij bovengenoemde kastelenreeks en dito met J. ter Gouw een tweedelig werk over Nederlandse uithangtekens.

De Brederode-geschiedenis volgt met enige aarzeling de Sigfried-legende en geeft op beknopte wijze en doorspekt met ontboezemingen een aanvaardbaar en vrij gedetailleerd overzicht van het geslacht.
     Als bron voor Brederode is het overzicht grotendeels achterhaald, maar het geeft hier en daar thans niet meer in de aandacht zijnde bijzonderheden
.

     1869 - 'Het Geslacht van Brederode' door J.J. van Brederode - In juni 1869 kwam in Haarlem het niet in de handel gebrachte werk tot stand Het Geslacht van Brederode - Eene Historische Familiestudie, opgesteld en uitgegeven door J.J. van Brederode.

  Jacobus Johannes van Brederode (1825 Haarlem - 1898 Haarlem) - Hij was de tweede zoon van Albertus van Brederode (†1865), commissaris van politie in Haarlem, en Geertruy Meyndrink uit Amsterdam.
     Uit zijn huwelijk in 1849 in Zaandam met Aafje Noomen werden 9 kinderen geboren.
Hij was in Haarlem en omstreken een bekend boekhandelaar en uitgever. Gedurende de jaren 1852 t/m 1878 deed hij het boven genoemde vrij omvangrijke 'Biographisch Woordenboek der Nederlanden' van A.J. van der Aa in zijn uitgeverij het licht zien.

De Familiestudie uit 1869 steunt voor het overgrote deel op genoemd Woordenboek waarvan toen het deel met de letter B waarbij Brederode reeds verschenen was.
     In zijn opdracht motiveert de 'liefhebbende vader' de uitgave van zijn boekje:
'Aan Mijne dierbare Kinderen. Hij die een beroemden Historischen naam draagt, leeft voor de handhaving der eer van dien naam, in de omstandigheden waarin het lot hem geplaatst heeft, voor de handhaving van zijne positie, voor het Vaderland, dat daarop aanspraak heeft en in welks geschiedboeken die naam met eere wordt vermeld.
     Voldoet hij hieraan niet, dan is hij die allen onwaardig en deed hij beter zich in de onbekendheid aan de aandacht der menigte te onttrekken. Ter herinnering opgedragen door hun liefhebbenden vader J.J. van Brederode. Haarlem, Junij 1869'.
    
Hoewel hij bij voorbaat stelt voor de duidelijkheid zijn stamreeks te zullen beginnen met de 13e eeuw, geeft hij volledigheidshalve toch uitgebreid de Sigfriedlegende met het vervolg tot aan Willem van Brederode (†1285), met wie de Familiestudie in feite begint.
     De tekst heeft hij niet opnieuw geschreven maar vrijwel letterlijk met punten en komma's overgenomen uit het tweede deel van genoemd door hem uitgegeven Woordenboek dat nog door Van der Aa was samengesteld. Dit Woordenboek steunt grotendeels op het in eind 18e eeuw verschenen Vaderlandsch Woordenboek van Kok, met het gevolg dat de Familiestudie wat aanpak en stijl betreft bij de tijd ten achter was. Met enige omzichtigheid is de vrij uitgebreide tekst van de

Familiestudie goed te gebruiken.
     Het meest waardevol zijn de vermeldingen van een aantal zijtakken van Brederode. Iedere beschreven Brederode heeft een eigen telnummer met als laatste nr. 72, zijnde de 9 kinderen van JJ. van Brederode, uitmakende de kruin van den stam der Brederoden, waarbij de vermelding van de afkomst uit de oude stam van Brederode niet ontbreekt.
Na de 84 bladzijden tekst volgt een uitklapbare stamboom die begint met de niet bestaande Alphert van Brederode als stamvader en eindigt in 1832 met de tweeling van Brederode. Het niet gepagineerde boekje bevat 7 illustraties.
     In 1893 heeft J.J. van Brederode Aanmerkingen met verklaringen en bijvoegingen etc. uitgegeven, behorende bij de Familiestudie, waarin hij uitleg geeft van het niet vermelden van enkele Brederodes en ingaat op een onverkwikkelijke rechtzaak uit 1885 betreffende vermeende aanspraken op de naam Brederode

     1904 - 'Willelmi - Chronicon' door C. Pijnacker Hordijk - In 1904 verscheen bij Johannes Müller in Amsterdam de door mr. C. Pijnacker Hordijk uitgegeven tekst met toelichting van de Egmond-kroniek Willelmi capellani in Brederode postea monarchi et procuratoris Egmondensis Chronicon.

  Cornelis Pijnacker Hordijk (1847 Tiel - 1908 Haarlem) Pijnacker Hordijk studeerde 1864 rechten in Utrecht en promoveerde 1873 aldaar. Hij werd 1874 hoogleraar rechten in Rotterdam en idem oud-vaderlands recht in Utrecht. Hij was 1882-1883 Minister van Binnenlandse Zaken, 1885-1888 Commissaris des Konings in Drente, 1888-1893 Goevemeur-generaal in Nederlands Oost-Indië, 1894-1902 lid Eerste Kamer der Staten-Generaal. Hij was tevens lid van vele staatscommissies. 
Hij beschikte over veelzijdige kennis en bekwaamheid, was een geleerd en scherpzinnig beoefenaar van oud-Nederlandse rechtsgeschiedenis. Hij bezat een diepgaande kennis van de Middeleeuwen. 
     Hij publiceerde artikelen in wetenschappelijke tijdschriften zoals in 1879 'Oudste willekeuren van Amsterdam' en in 1881 'Rechtsbronnen van Zutphen'. 
     In 1904 gaf hij het 'Chronicon' uit en postuum verscheen 'Oorkonden 12e eeuw'.

De Egmond-kroniek is in begin 14e eeuw geschreven door de monnik Willem van Rollant de Procurator, een kleinzoon van Heer Willem van Brederode (†1285), zoon van Dirk drossaet, de le Heer van Brederode (†1236).
     In deze tot 1332 lopende kroniek vermeldt de auteur als het ware en passant de eerste vier Heren van Brederode en met wie zij gehuwd waren. Deze vermelding is uniek en uitermate belangrijk omdat hierin als enige bron wordt meegedeeld wie de eerste vier Heren van Brederode waren
.

     1911 - 'Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek' - In 1911-1937 verscheen bij A.W. Sijthoff Uitgeversmaatschappij in Leiden het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek in 10 delen met Register, onder redactie van dr. P.C. Molhuysen (conservator aan de bibliotheek van de Rijksuniversiteit in Leiden) en prof.dr. PJ. Blok (Hoogleraar Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit in Leiden), met medewerking van tal van geleerden.
     In 1974 verscheen in Amsterdam een reprint. Dit uitstekende geheel nieuw opgezette Woordenboek verving in feite het in 1878 voltooide Biographisch Woordenboek der Nederlanden van Van der Aa en anderen. Dit werk steunde grotendeels steunde op het 18e eeuwse Vaderlandsch Woordenboek van Kok en al geruime tijd niet meer voldeed aan de normen omtrent de eeuwwisseling 1900. Het nieuwe Woordenboek geeft op de beginletters van totaal 23 van de belangrijkste Brederodes uitgebreide en betrouwbare persoonsbeschrijvingen.

     1926 - 'De Heeren van Teylingen en van Brederode' door H.G.A. Obreen - In het maandblad van het Genealogisch-Heraldisch Genootschap De Nederlandsche Leeuw verscheen in 1926 van Dr. H.G.A. Obreen in zijn serie Bijdragen tot de kennis der middeleeuwsche geslachten van Holland en Zeeland een artikel in vijf afleveringen over de oorsprong en de eerste generaties van de geslachten Teylingen en Brederode onder de titel De Heeren van Teylingen en van Brederode.

  Dr. Henri Guillaume Arnoud Obreen (1878 Leiden - 1937 Diest) - Hij promoveerde in 1905 in Gent in de klassieke letteren op het proefschrift 'Floris V'.
     Hij vestigde zich in België. Wegens zijn zwakke gezondheid heeft hij geen officiële functies bekleed. Hij werkte mee aan Nederlandse en Belgische periodieken en deed onderzoek in vooral Belgische archieven. Hij publiceerde een
aantal studies over historische en genealogische onderwerpen in o.a. 'De Nederlandsche Leeuw' en in 'De Wapenheraut'.
Een jaar vóór zijn overlijden verscheen het eerste deel van een door hem opnieuw opgezet en bewerkt 'Oorkondenboek van Holland en Zeeland', waarvan door de rijksarchivaris mr. van den Bergh in 1873 voor de eerste maal een uitgave was bezorgd. Obreen was een scherpzinnig en nauwgezet onderzoeker wiens werk steeds grondig gedocumenteerd is.
     Zijn geschriften bevatten veelal onderwerpen op vooral genealogisch gebied, die voordien nimmer onderzocht waren en door hem opnieuw bestudeerd werden.

In de 44e jaargang van De Nederlandsche Leeuw 1926 nr.7 t/m 12 is genoemd artikel afgedrukt op de paginakolommen 193-207, 234-243, 258-266, 290-299 en 353-361, gevolgd door enkele platen met portretten en zegels. In zijn inleiding wijst Obreen op de veelheid van meningen en geschriften over de oorsprong en geschiedenis van Teylingen en Brederode.
Hij acht het nuttig alles op een rij te zetten en hieruit de vroege geschiedenis van beide geslachten op te bouwen. Zonder twijfel was het zijn bedoeling een definitief einde te maken aan bepaalde onzekerheden en gedurende eeuwen ingesleten fouten en één en ander voor de toekomst vast te stellen als historisch juist.
     Hoewel hij Brederode behandelt tot en met Heer Reinoud III (†1556), ligt bij hem het accent in hoofdzaak op de 13e eeuw en vooral op het vraagstuk van de feitelijke oorsprong van beide geslachten. Verder geeft hij een overzicht van de vroegste bezittingen, wapens en zegels van de twee geslachten.
     Voor de genealogie na Heer Reinoud II (†1473) verwijst Obreen naar Van Gouthoeven, Van Leeuwen en Kok, welke drie bronnen in zijn tijd als verouderd beschouwd konden worden. Het zal hem aan mogelijkheden hebben ontbroken deze laatste periode te onderzoeken. Wel geeft hij twee uitvoerige kwartierstaten van Heer Hendrik II, de 12e Heer van Brederode (†1568) en van de 18e en laatste Brederode-Heer Wolfert (†1679). Als bron is zijn werk onverdacht.
     Zijn bevindingen, evenals alle vóór hem verschenen stamreeksen en gegevens van Brederode, zijn in hoofdzaak verwerkt in de laatste in 1959 door dr. Dek gepubliceerde genealogie
.

     1959 - 'Genealogie der Heren van Brederode'door A.W.E. Dek - In het Jaarboek 1959, deel 13, van het Centraal Bureau voor Genealogie is een nagenoeg volledige Brederode-stamreeks opgenomen, opgesteld door dr. A.W.E. Dek, onder de titel Genealogie der Heren van Brederode.
     Dit is de eerste publikatie van een geheel afgeronde genealogie met de bevindingen van tot dan toe gepleegd onderzoek voorzover die niet aan redelijke twijfel onderhevig zijn. In feite betekent dit, dat met deze publicatie een einde is gekomen aan een sinds 1800 anderhalve eeuw lang gevoerde discussie over de oorsprong van het geslacht Brederode en over detailvragen betreffende de 5 eeuwen dat dit geslacht zich in de geschiedenis heeft gemanifesteerd.
     Behalve de opsomming van namen en jaren geeft Dek vele naastliggende bijzonderheden die bijdragen aan een goed inzicht in personen en daden. Het spreekt vanzelf dat in de vele geschriften over Brederode een grote hoeveelheid detailinformatie te vinden is, maar deze laat zich dan moeiteloos inpassen in de schematische opzet van Dek.
     De genealogie is afgedrukt op p. 105-146 van genoemd Jaarboek. Diverse aanvullende gegevens uit de Jaarboeken van het Bureau, nl. 1947 /55 /61 /63 /64 /65 /68 t/m 1974, zijn aan de genealogie alsnog toe te voegen. Deze uitgave is een uitstekende centrale bron voor publikaties betreffende het geslacht Brederode.

     Oorkonden - Het oorkondenbestand van Holland en Zeeland is thans ten dele nog in bewerking, waarvan onder de titel Oorkondenboek van Holland en Zeeland inmiddels drie doorgenummerde delen verschenen zijn, nl. in 1970 deel I (tot 1222), in 1987 deel II (1222-1256) en in 1992 deel III (1256-1278), bewerkt door dr. AC.F. Koch/†1990 (I) en dr. J.G. Kruisheer (II en III). Het vierde deel (1278-1299) is in voorbereiding.
     Voor de oorkonden vanaf 1278 tot 1299 dient vooralsnog het ruim 100 jaar oude oorkondenboek in twee delen van L.Ph.C. van den Bergh uit 1867-1873 gebruikt te worden met het bijbehorende supplement van J. de Fremery uit 1901.
     Voor de periode vanaf 1299 tot 1436 is men aangewezen op het uit 1753-1756 daterende onvolledige maar overigens uitstekende oorkondenboek in vier delen van F. van Mieris (MiCh). Wegens het ontbreken hierin van een doornummering van de oorkonden wordt bij aanhaling het nummer van de bladzijde vermeld waarop de gezochte oorkonde begint. Van Mieris geeft veel vertalingen van in het Latijn gestelde oorkonden die zonder vertaling ook voorkomen in eerdergenoemde werken. In navolgend deel II is van een aantal oorkonden de tekst al dan niet volledig opgenomen.

Uit: Onvoltooide roem, De eerste negen Heeren van Brederode, 1203-1473, Jan. H. Verhoog, blz.13 - 24

Copyright © 2016-2017 Rob Hubert, Alle rechten voorbehouden.
Joomla templates by a4joomla