1486 - Brederodekroniek - Jan van Leiden
    
Hoewel het geslacht Brederode sinds 1414 op het kasteel Batestein in Vianen zetelde, was Yolande wegens familietwisten vanuit Vianen in 1478 uitgeweken naar het Brederode-kasteel in Santpoort, waar zij tot aan haar overlijden in 1494 woonde. In deze periode schreef Jan van Leiden in 1482 de kroniek.

     In 1486 herschreef hij deze eerste in het Latijn gestelde kroniek in een vrijwel gelijkluidende versie in het Hollands. Dit is de enige in het Hollants gestelde adelskroniek.
Beide versies zijn in druk verschenen. De Hollandse versie verscheen in 1698 als eerste druk in het door A. Mattaeus uitgegeven verzamelwerk 'Veteris Aevis Analecta' (deel II p. 274-504) en in 1738 als tweede druk in idem (deel I. p. 587-740). Men pleegt laatst genoemde tweede druk als meer toegankelijk te citeren.
     Het origineel door Jan van Leiden geschreven handschrift in niet meer aanwezig, wel een aantal niet geheel aan elkaar gelijke afschriften. Het door Matthaeus gebruikte handafschrift is eveneens verloren gegaan.
     De hierna volgende tekstuele uitvoering is gemaakt van een kopie dat is verkregen van de Athenaeum-bibliotheek in Deventer naar een originele aldaar aanwezige druk uit 1738.

1486 - Brederodekroniek - Jan van Leiden

 


In 1482 schreef de monnik en priester Jan Gerbrandsz. van Leiden, prior van het carmelietenklooster in Haarlem en kapelaan op het Brederode-kasteel in Santpoort, een Latijnse kroniek over het geslacht Brederode. Hij deed dit op verzoek van Vrouwe Yolande van Brederode van Vianen, weduwe van de in 1473 overleden Heer Reinoud II, de 9e Heer van Brederode.

 

Noot: In de teksten komt de jaarvermelding CID. voor, dit moet gelezen worden als CI en een omgekeerde C.

 


 

 


588

 

S Y L L A B U S  C A P I T U M

L I B R.


CAP. I.  Van Adam tot Noe.
II.  Van Noe tyden tot dat Troyen gesticht worde.
III.  Van Troyen
IV.  Van de destructie van Troyen
V.  Van Hector van Troyens geslachte.
VI.  Van dat beginsel des Rycks van Francryck.

VII.  Van den eersten Coninc van Vrancryck tot die Hertogen van Aquitanien
VIII.  Van Hertoch Diderick van Aquitanien tot Diderick die eerste Grave van Hollant
IX.  Van den eersten Grave van Hollant tot den eersten Heer van Brederode.
X.  Van syfrido den eersten Heer van Brederode
XI. 
Van dat wapen van Brederode
XII. 
Van die stryt daer Grave Arnulphus in doot bleef.
XIII.  Van Syphridus doot.
XIV.  Van Dideric den anderen Heer van Brederode.
XV.  Van die Heeren van Teylingen.
XVI.  Van Heer Willam den derden Heer van brederode.
XVII.  Van Diderick den vierden Heer van Brederode.
XVIII.  Van Willem de vyfde Heer van Brederode.
XIX.  Van Heer Florys den sesden Heer van Brederode.
XX.  Van Heer Willem die VII. Heer van Brederode.
XXI.  Van Heer Diderick de achtste Heer van Brederode
XXII. Van Heer Alphert de IX. Heer van Brederode.
XXIII. Van Heer Willem die X. Heer van Brederode.
XXIV.  Van de goedertieren Heer van Diederick de XI. Heer van Brederode.
XXV.  Van Heer Didericks van Brederodens victorie onder Graef Floris tyden van Hollant.
XXVI.  Van dat Heer Diderick Heer van Brederode Joncker Johan van Hollant uyt Engelant Halde.
XXVII. Van Heer Diderics doot.

XXVIII.


XXVIII.  Van Heer Willem des goedertieren Diderics soon.
XXIV.  Van Heer Henrick die XII. Heer van Brederode.
XXX.  Van Heer Diderick die XIII. Heer van Brederode.
XXXI. Van den stryt tegen die Vlamingen.
XXXII. Van den stryt op de Maes.
XXXIII.  Van dat verraet, dat die Cabbeljaus stichten tegen Heer Hendrick van Brederode, Heeren Diderick van Brederodens outstesoen.
XXXIV.  Van Heer Diderics van Brederodens doot, ende vant geslacht syns wyfs Beatris.
XXXV.  Van Heer Reynolt de XIV. Heer van Brederode, die oock Grave van Gennip was.
XXXVI.  Van Grave Reynolts vromicheden.
XXXVII. Van dat oorloch tusschen die van Arckel ende die van Vianen.
XXXVIII. Van Heer Reynolts van Brederoedens doot.
XXXIX.  Van Heer Johan den XV. Heer van Brederode.
XL. Van Heer Johan van brederoedens leven, na dat hy monnick geworden was.
XLI. Van Joncker Walraven die Grave van Ghenyp was, ende de XVI. Heer van Brederoeden.
XLII. Van Joncker Walraven den Heer van Brederoedens gesten tot Vrou Jacobs tyden.
XLIII. Van die stryt te Gorichem daer Heer Walraven die Heer van brederoden in doot bleef.
XLIV.  Van Joncker Willem van Brederode.
XLV.  Van Heer Reynolt de XVII. Heer van brederode.
XLVI. Van de dochter van Brederode, die een vrou was van Weerdenburch.
XLVII. Van den opset die gemaeckt was tegen den Joncker van Brederode om hem doot te slaen.
XLVIII. Van syn Ridderlycke Oerde, die hy te Jurusalem opt heylich graf ontfingh.
XLIX.  Van syn Vrouwen ende syn getroude kinderen.
L.  Van Heer Reynolts victorien tegen die van Gent.
LI.  Van die electi, die Heer Gysbert van Brederode ontsinck, om Bisscop t'Utrecht te wesen.
LII.  Van de beletters deser Confirmati.
LIII. Van dat Hertoch Philips in Hollant quam om David syn Bastaert soen Bisschop tot Utrecht te maken.

Ee ee 3

LIV.


590


LIV.  Hoe dat Bisschop David int Bisdom t'Utrecht quam.
LV.  Van den dootslach die Walraven de Bastaert van Brederoden dede op de Bilt.
LVI.  Van die vereenighe des Bisschops mit den Heer van Brederoden ende syn broeder den Domproest.
LVII. Van dat die Heer van Wassenaer buten Utrecht gehouden worde.
LVIII.  Van den Heymelicken opset tegens Heer Reynolt den Heer van Brederoede.
LIX. Van den Heer van Brederoedens vangenis.
LX. Van des Domproests vangenis mit die andere.
LXI.  Van dat Walraven de bastert ende Johan van Amerongen gepynicht worden.
LXII. Hoe dat Walraven uytter vangenis is gebroken.
LXIII. Van dat die Heer van Brederoden gepynicht wert.
LXIV. Van dat die Heer van brederoeden vervoert worde.
LXV.  Van dat die Heer van Brederoeden vry ende quyt gewyst wert van Hertoch Karel.
LXVI.  Van Heer Reynolt van Brederoedens doot.
LXVII.  Hoe dat Joncker Gysbert de Domproest uyt de vangenis gecomen is, ende daerna gestorven is.
LXVIII. Van Heer ealraven de XVIII. Heer van brederode.
LXIX. Van een oploop die binnen Vianen geschiede.
LXX. Hoe dat Heer Reyner die Stede van Vianen heeft ingecregen.
LXXI.  Hoe dat Heer Reyner van Broechuysen Batesteyn als dat slot van Vianen in creech.
LXXII.  Van een opset die gemaect wert om Vianen weder in te nemen tot myns Vrouwen behoeft.
LXXIII. Hoe dat Heer Reyner weder uyt Vianen gedadingt wert.
LXXIV.  Hoe die Heer van swanenburch heeft Vianen ingenomen.
LXXV. Hoe dat Heer Vincent uyt Vianen gecost is geworden.
LXXVI.  Hoe dat Joncker Walraven van Brederoede Ridder is geworden.

JOAN.


591

J O A N N E S  à  L E Y D I S


D E


O R I G I N E,

E T


Rebus gestis Dominorum

D E

B R E D E R O D E.


I N C I P I T   P R O L O G U S.

Hier begint dat Prologus op de historie van t' leven ende feyten der Edele ende Hoochgeboorne Heeren van Brederode in Hollant.


Den Edele, Hoechgeboren, ende Eerweerdige Vrouwe Yolande, Vrouwe van Brederode, des Edelen Heeren van Lalleyns lieve dochter, Broeder Johan van Leyden ootmoedich broeder der Oerden onser liever Vrouwen bruederen des berchs Cameli, Godlike graci ende vuerspuet sy u ende alle u lieff kynderen in allen tyden. Wantmen in allen voerleden tyden beschreven vint in diverschen Croniken die denchtsaem wercken ende feyten ende heerlycke vromicheden der Deurluchtige Princen en Vorsten, om dat hoer kynderen arbeyen souden hoer Voirvaders te volgen, ende gelyck werden in deuchtsaem wercken ende oerberlycke manieren, hierom so dunckt my oock seer goet te syn, datmen oock

bescryft


592


bescryft die edel wercken ende gesten der hoechgeboren Vorsten ende Baroenen der Heerlicheyt van Brederode. Welcke Heerlicheyt gelegen is in neder Almangen int Graefscap van Hollant, ende nu vereenicht is mit die schoone Heerlicheyt van Vyanen ende Ameyda, ende want die Heerlicheit van Brederode mit veel Edelre Princen en de baronnen in voerleden tyden verciert is geweest, ende noch, Godt heb lof, huden des daechs verciert is, hierom so wil ick uwe deuchdelike begeert nae myn arm vermogen volbrengen, ende sommige eerlike wercken der voerseyder Heeren int scrifte setten, also als ick se in diversche oude historien, Croniken, en de jesten gevonden ende gelesen heb, ende selfs oock een deel ses beleeft heb, op dat oock die toecomende edel Heeren van Brederode in hoer gedenckenis hebben mogen die edel wercken ende victorien hoerer Voerouders ende ouders, ende hem verblyden van hoer edel ouders om die nae te volgen in deuchdelycke wercken op dat also hoer eerlike lof ende guede faem in der euwicheyt mach dueren by God ende alle menschen. Ende op datmen die Edelheyt des stams van Brederode bet mach verstaen, soe selmen weten dat die Heeren van Brederode gesproten syn uyt die alre edelste geslachten van Coningen, Hertogen, ende Graven des werlts, als van dat alre edelste bloet van Troyen, ende van Griecken, want Lutgarda de moeder des eersten Heer van Brederode Sifridus genaamt was des Keysers dochter van Griecken ende Constantinopel, die genoemt was Theophanus, ende syn ander dochter, Theophania, genoemt, was des Keysers Otten wyf van Romen, ende die vader des eersten Heers van Brederode was Graeff Arnout de derde Graef van Hollant, die een rechte Troyaen geboren was van syns vaders weghen, ende syn moeder was coninck Lodewycks dochter van Vrancryck, van den geslachte des Coninc Karels de Groote. Ende om dit noch claerer te verstaen, so ist van noode, dat ick myn beginsel wat hooch begryp ende maeck uter historien van Troyen ende Vrancryck, twelck met corte reden besluten sel in die eerste negen of tien Capittelen.

Hier


593

 

Hier beginnen die Croniken der Hoechgeboren
edel Heeren van Brederode in Hollant
van Adam tot Noe

 

D A T  I.  C A P I T T E L


Adam de eerste mensch die wan by Eva syn wyf Cain, Abel, ende seth. Ende nadien dat Adam Seth wan, worden alle syne daghen gemaict acht hondert jaer, ende wan sonen ende dochteren, ende alle die tyt die Adam leefden wort gerekent negen hondert ende dertich jaer, ende hy is doot. Ende Seth leefden hondert ende vyf, ende wan Enos. Ende Seth leefde nadien dat hy Enos wan achthondert ende seven jaer, ende hy wan sonen ende dochteren. Ende alle Seths daghen werden gemaeckt negen hondert jaer ende twaelff, ende hy is doot. Ende Enos leefde t'negentich jaer ende wan Cainan, ende nae synre geboorten leefde hy acht hondert jaer ende vyftien, ende hy wan sonen en dochteren, ende alle Enos daghen worden gemaict negen hondert jaer ende vyftien, ende hy is doot. Ende Cainan leefde t'seventich jaer, ende hy wan Malalebel, ende Cainan leefde, na dien dat hy Malalebel gewonnen hadde, acht hondert jaer ende veertich, ende hy wan sonen en dochteren, ende alle Cainans dagen worden gemaict negen hondert jaer ende tien, ende hy is doot. Ende malalebel leefde vyf en t'sestich jaer, ende hy wan Jared. Ende Malalebel leefde, nadien dat hy Jared wan, acht hondert jaer ende dertich, ende was sonen en dochteren, ende alle Malalebels dagen worden gerekent acht hondert jaer, ende vyf en t'negentich, ende hy is doot. Ende Jared leefde hondert jaer ende twee en t'sestich, ende hy gewan Enoch, ende Jared leefde, nadien dat hy Enoch wan, acht hondert jaer, ende hy wan sonen en dochteren, ende alle Jareds dagen worden gemaict negen hondert jaer, ende twee en t'sistich, ende hy is doot. Oock leefde Enoch vyff ende t'sestich jaren, ende hy wan Mathusalem. Ende Enoch wandelde mit Godt, ende Enoch leefde, na dat hy Mathusalem wan, drie hondert jaer, ende hy wan sonen en dochteren, ende alle Enochs dagen werden gemaict drie hondert jaer ende vyf t'sestich. Ende hy wandelde met Godt, ende
   Tom. I.                                                    Ff ff

hy


594

 

hy en openbaerde niet, want Godt nam hem, ende voerden wech. Ende Mathusalem leefde hondert en seven en tachtig jaer, ende hy wan, Lamech, ende Mathusalem leefde, nadien dat hy Lamech wan, seven hondert jaer ende twe en tachtich, ende hy wan sonen en dochteren, ende alle Mathusalems dagen worden gemaect negen hondert jaer ende negen en t'sestich, ende hy is doot. Ende Lamech leefde hondert en twee-en-tachtich jaer, ende hy wan enen sone, ende hiet synen naem Noe, ende seyde; Dese sal ons vertroosten van den werken, ende van den pynen onser handen in der aerden, die God vermaledyt heeft. Ende Lamech leefde na dien dat hy Noe wan vyff hondert jaer ende vyf en t'negentich, ende wan sonen ende dochteren. Ende alle Lamechs dagen, werden gemaect seven hondert jaer ende seven en t'seventich, ende hy is doot. Mer doe Noe out was vyf hondert jaer, so wan hy Sem, Chan, ende Japheth. Doe Godt sach, dat der menschen quaetheyt veel was in der aerden, ende alle gepeys des herten was aendachtich totten quaden in allen tyden, so sprack hy; Ick sal of doen van den aensischte der aerden den mensche, die ick schiep, van den mensche totten dieren, maer Noe vont graci voer Godt, ende Godt seyde tot hem, Maect een arcke van geschaven houte. Siet ick sal brengen boven der aerden die diluvie van den water, om dat ick dooden souden alle vleysch, daer die geeft des levens in is onder den hemel, ende al dat in der aerden is sal worden verteert.Noch seyde die Heere tot Noe: Ghanck in die arcke, du, ende alle dyn huys, want noch na seven daghen sal ick regenen boven der aerden veertich daghen ende nachten, ende ick sal afdoen alle dat ick gemaeckt heb boven der aerden. Hierop dede Noe al dat hem God die Heer geboden had. Ende Noe was ses hondert jaer out, dae die wateren van der diluvie vloeyden opter aerden.


Van Noe tyden tot dat Troyen gesticht worde.


2. DAT ANDERDE CAPITTEL.


Noe leefden na der diluvien drie hondert jaer ende vyftich, ende alle syne daghen worden gemaict negen hondert ende vyftich jaer, ende hy is doot. By syn leven na der

diluvien


595


diluvien waren de menschen gesproten tot vier ende twintich duysent ende hondert mannen, behalven wyf ende kinderen. Noes drie sonen syn Sem, Cham, ende Japhet. De geslachten van dese drie sonen hebben alle de werelt bewoont. Want Sem heeft bewoont Asien. Cham Afrycken. Ende Japhet Europen. Japhet heeft veel sonen gewonnen, onder welcken een was Suffene die wan een soon, die syn naem was Helenus. Dese Helenus die wan voert Phebum, Phebus die wan Antheum den reus, Antheus de reus die wan Janum den eersten Heer van Italien. Janus de eerste Heer van Italien wan Triton, Triton die wan Italum, Italus die wan Peleum, Peleus die wan Janum, ende Janus wan Janum, ende die wan voert den derden Janum. Dese Janus die wan Atlas den reus, ende Atlas de reus die wan Troilum, die de Stadt ende dat Ryck van Troyen eerst fundeerde.
 

Van Troyen

3. DAT DERDE CAPITTEL.


TRoilus voergenoemt was een vroom man, ende regneerde als Coninck in dat lant van Dardanien, ende hy stichte de Stadt ende dat Ryck van Troyen, daer hy die eerste Coninck was, ende dit was in den tyden dat Ayoth die vierde Hertoch regeerde dat volck van Ifrahel; Ende dese Troilus wapen was enen schilt van goude, ende eenen leeuw van keel getonget, ende gechaeuweert van lazuer. Welck wapen noch hebben de Heeren van Brederode, ende alle die geen die van dat Brederoedsche geslacht gecomen syn. Dese Troilus Coninck van Troyen die wan Yhum den anderden Coninck van Troyen, ende Ylus die wan Laomedon den derden Coninck van Troyen, Laomedon die wan Priamus den lesten Coninck van Troyen, Priamus die wan Alexandrum die Paris genoemt is, Hectorem, ende Troylum, die een soon wan Turchus genoemt, daer die Turcken af gesproten syn. Na dat Ptiamus den Co

ninck

Ff ff 2


596


ninck van Troyen gewonnen had Hector van Troyen syn soon, ende Hector te hans een kloeck oorlochs man geworden was, so rees op dat oorloch tusschen de Grieken ende die van Troyen, welke oorloch duerden vyf en tachtich jaer, ende wert gewonnen ende gedestrueert van de griecken.


Van de destructie van Troyen.


4. DAT IV. CAPITTEL.


In dien tyden dat Abdon die veertiende Hertoch regeerde dat volck van Istahel so wert Troyen gedestueert, voor ons Heeren geboorte duysent hondert ende tachtich jaer. Binnen die tien jaren dat die Griecken voer Troyen laghen so verloren sy acht hondert dusent ende tachtich dusent man. Mer doe Troyen gewonnen wert, doe wert'er verslagen van den Troyanen ses hondert dusent ende drie en t'seventich dusent man. Daer bleef oock verslagen Priamus de Coninck van Troyen mit syn sonen. Doe weken van Troyen veel Hertogen ende Princen, ende syn getogen in ander landen. Van welcke Princen gesproten syn meest alle die Heerlicheden ende edelheit van Europen.


Van Hector van Troyens geslachte.


5. DAT V. CAPITTEL.


Hector van Troyen Coninck Priamus soen voersz die liet een soon after, die syn naem was Francio. Welcke Francio, na dat Troyen gedestrueert was, is getogen met syn medgesellen in de Bruecklanden des lants Mæotis, ende daer timmerde hy een Stat, die genoemt was Sicambria, ende daer so was Francio voergenoemt die eerste Coninck van Sicambrien, ende hy voerde syn ouders wapen van Troyen, dat is een schilt van goude mit een leuwe van keel getonget, ende geclauwiert van lazner, Francio wan voert Priamus den anderden Coninck van Sicambrien. Dese Priamus die van Francio den Hertoch van Sicambrien, want die van Sicambrien en hadden geen Coninghen meer, mer Hertogen regierden dat

lant


597


lant. Hertoch Francio die wan Priamus den Hertoch van Sicambrien, ende Priamus die wan Priamum den Hertoch, ende also voertan alle hoer Hertogen van geslachte tot geslachte die waren genoemt Priamus. Dese Sicambrinen mit hoeren Hertoch Priamo quamen een deel jaren daerna op den Ryn mitter woen, daer sy een Stede stichten op hoer uterste palen, die sy noemden Troyen, dat nu Santen hiet. Ende doe noemden sy hem Francken, dat is vry volck, van welcken dat Franckenlant noch syn naem gehouden heeft. Oick so noemden sy hem Fransoysen, als gesproten van Francio Hector van Troyens soen voergenoemt.


Van dat beginsel des Rycks van Vranckryck


6. DAT VI. CAPITTEL


INt jaer ons Heeren ccc. ende t'sestich doe regneerde over die Fransoysen in Duytschlant voergeseyt die edel Hertoch Pipinus van Troyen, ende hy regneerde als een Coninck, waerom hy genoemt is die eerste Coninck van Francyck, ende hy was gesproten van syn rechte swaert synde van Hector van Troyen, ende daerom so hadde hy oock dat wapen van Troyen, daer of geseyt is, mer doe hy die machtichste Coninck van Walslant verwonnen hadde, doe benam hy hem syn lant,

ende

 

Ff ff 3


 

598


ende regneerde oock in Walslant. Ende in een teycken des waerheyts des victorys, so benam hy ........ ende quarilleerde dat mit syn ........ van Troyen, ende dat wapen was een ........ met drie  swarte padden, ende dat droech hy mit syn nacomelingen tot dat die eerste Kersten Coninck van Francryck gedoopt wert. Na Priamum regneerde Yborus syn soen, die oock Priamus genoemt was. Na Yborus regneerde Marcomirus syn soen. Marcomirus die wan Pharamundum, den eersten gecroenden Coninck van Vrancryck. Pharamundus die wan Clodium den gebaerden Co-

ninck


 

599


ninck van Vrancryck, ende hy wan voert Meroveum den Coninc van Vrancryck. Meroveus wan Hildricum den Coninc van Vrancryck, Hildricus die wan Clodoveum den eersten Kersten Coninck van Vrancryck, die in syn doopsel wert genoemt Ludovicus.


Van den eersten Coninc van Vrancryck tot die
Hertogen van Aquitanien.


7. DAT VII. CAPITTEL.


Als dan die Coninck Clodoveus by mirakel bekeert was, ende syn naem Ludovicus genoemt, so quam van God gesent een


600

 

heylich Heremyt, die presenteerde hem een laken van lazuer, daer in stonden drie lelyen van goude, ende seyde dat soude voertan syn wapen wesen. Ende also liet hy syn ouders wapen, daer voor af gescreven is, ende nam voertan tot syn wapen een schilt van lasuer mit drie gulde lelien, ende desgelycks deden oock alle die Coningen van Vrancryck, die van hem gesproten syn. Dese eerste Kersten Coninck die wan vier, sonen. De eerste hier Lotharius, die na syn vader Coninck was, de andere hiet Diderick, ende regneerde in Meths, de derde was Hildebertus, die geneerde in Aqui?anien, die vierde was Clodoveus ende regneerde in Orliens, Burgundien, ende in Provincien. Doe de eerste Kersten Coninck in Vrancryk door was, die regneerde Lotharius syn outste soon. Dese Lotharius wyf was sinte Aregondis, daer hy by wan vyf sonen, ende een dochter. Nae syn doot regneerde in Vrancryck Chilpericus syn soen, ende hy vier sonen, als Lotharium........ Theodebertum den Coninck van ........ Meroveum den Coninck van Provincien, ........Clodoveum, die jonck sterf. Als Chilperius gestorven was, doe regneerde Lotharius die anderde syn outste soen, ende hy wan Dagobertum den Coninck. Daer na als die andere Lotharius doot was, doe regneerde Dagobertus syn soon in Vrancryck, ende hy wan Clodoveum den Coninck. Dese Dagobertus was een heylich man, ende hy wan Wiltenburch, ende noemdet Utrecht. Nae syn doot regneerde de Clodoveus syn soon. Clodoveus die wan drie sonen, als Lotharium, Childebertum, ende Diderick, die alle Coningen waren van Vrancryck. Lotharius die derde also genoemt wert Coninck van Vrancryck na syns vaders doot, ende hy sterff sonder blyckende boert. Als Lotharius die derde doot


601

 

was, doe regneerde Childebertus syn broeder, die oock sterff sonder kynder. Daer na so regneerde Diderick syn broeder, ende dit was int jaer ons Heeren DC. twe en tachtich. Ende dese Coninck Diderick wan drie sonen, als Clodoveum, Childebertum, ende Lotharium. Clodoveus Coninck Diderics outste soon was Coninck na den vader vier jaer, ende hy sterff sonder kinder. Hildebertus Coninck Didericks andere soon, die was Coninck van Vrancryck nae Clodoveum syn broeder, ende hy creech twee sonen. D'eerste soen hiet Dagobertus Secundus, ende wert Coninck na den vader. De andere soen, hiet Chilpericus, ende was Hertoch ende Prince in Aquitanien, ende noch na Coninck van Vrancryck. Ende van desen Chilperico so syn die Graven van Hollant van Haer stamme afgecomen vervolgende, alsmen nae noch wel hooren sal. Nae Hildebertum was Coninck van Vrancryck Dagobertus secundus, Coninck Hildebertus outste soen. Hy creech twee sonen. De eerste soen hiet Diderick, ende was noch na Coninck, doe hy out genoech was, ende die ander soon hiet Hildericus, ende wert oock noch na Coninck na Diderick syn broeder, mer hy wert van de croon gedrongen van Puppyn den Hertoch van Brabant, ende Pappyn wert selve Coninck van Vrancryck, als gy nae hooren sult. Dese Dagobertus die sterft int jaer ons Heeren DCC. ende twyntich. Ende als Dagobertus de Coninck doot was, so waren syne twee sonen voersz jonge kynderkyns, ende doe quam Chilpericus Coninck Dagobertus eenige broeder, die Prince ende Hertoch in Aquitanien was, ende woude die croon van Vrancryk regieren van synre jonger neven weghen, want hy die naeste was, mer op die tyt so was daer een Hertoch van Brabant in Vrancryck, ende hiet Carel Martel, ende was Hertoch Puppyns van Harstel bastaert soen, ende was swaertdrager, ende overste Hertoch van den Pallaes, ende overste Raet van der croone van Vrancryck, mer om synre grooter vromicheyt


602


Vromicheyt wil, so was hy Hertoch van Brabant geworden. Ende dese Hertoch Karel Martel en woude niet gehengen, dat dese voersz Chilpericus Prince ende Hertoch in Aquitanien, Coninck Dagoberts broeder in der croone comen soude om die te regieren, ende ontboet den anderen Lotharius, die Coninck Diderics joncste soon was voersz, ende was Oem van Coninc Dagobert, ende Hertoch Chilperick van Aquitanien voersz, ende out-oem van Cononck Dagoberts twee jonge kinderen. Aldus so wert Lotharius Coninc Diderics soon gemaect Coninc van Vrancryck, syn leven lanc, totter jonger kinder behoeff. Ende hy regneerde vier jaer, ende doe sterff hy. Ende by desen Conincs tyden so wert Hertoch Chilperick van Aquitanien voersz versoent ende vereenicht mit Hertoch Karel Martel. Ende als die Coninck Lotharius gestorven was, so wert dese Hertoch Chilperie Coninck gemaict. Chilperius Coninc ende Hertoch in Aquitanien, Coninc Dagobertus enige broeder, die wort by consent van Hertoch Karel Martel gecroont Coninck van Vranckryck syn leven lanck tot Dagoberts kinder behoeff, ende hy regneerde vyf jaer, ende hy sterff int jaer ons Heeren DCC. ende negen en twintich, ende hy liet twee sonen na. Die eerste hiet Diderick, ende was Hertoch ende Prince in Aquitanien, ende die andere hiet Hildebertus. Ende van desen Coninck Chilperick ende van Di-


603

derick syn soon Prince in Aquitanien so is gecomen van den rechten stam ende linie der eerste Grave Diderick van Hollant, als men na wel hooren sal. Diderick Coninck Dagoberts outste soon die was nu tot syne jaren gecomen, ende die wert gemaict ende gecroont Coninck van Vrancryck, ende regierde vyftien jaer, ende doe sterf hy sonder kinder, int jaer ons Heeren DCC. en XLIV. Hildricus Coninc Dircks broeder, ende Coninck Dagoberts joncste soen, die was gemaict Coninck van Vrancryck, ende regneerde negen jaer. Ende dit was die leste Coninck van Vrancryck, die van den edelen bloede van Troyen ende van den eersten Coninck Clodoveo van Vrancryck gecomen was, want Karel Martel, ende Puppyn de cleyne syn soon, syn seer machtich geworden, also dat Hertoch Puppyn de cleyne is mit machten Coninck van Vrancryck geworden, ende hy heeft desen Coninck Hilderick, die een goedertieren man was, van der croon gedrongen ende afgeset, ende heeft desen Coninck Hilderick in een clooster gedaen tot sinte Medaerts te Syson. Ende desen Coninck en liet geen kinder naer, mer die croon soude mit recht geco


604


men hebben op Hertoch Dideric Coninc Chilperics soon, want Coninc Hilderick ende dese Prince Diderick die waren twier broeder kinderen. Aldus had hy die naeft geweest. Mer Hertoch Puppyn die was so machtich geworden, dat hy selve Coninck van Vrancryck wert, ende hy wert gecroont int jaer ons Heeren DCC. en vier en vyftich. Ende dat rechte bloet van Vrancryck is ter syden afgeset, ende Puppyn ende syn geslacht syn Coningen gebleven van Vranckryck tot dat men schreeff DCCCC. acht en tachtig. Ende doe quam een die hiet Hugo Capeth Grave van Parys, ende wert Coninck mit machtte, ende sette Puppyn geslachte oock ter syden af, ende aldus so staet noch huden Vrancryck. Coninck Puppyn die wan Coninck Carel de Groot.


Van Hertoch Diderick van Aquitanien tot Diderick
die eerste Grave van Hollant.


8. DAT VIII. CAPITTEL.


Diderick Hertoch in Aquitanien Coninck Chilpericks soen, die dat naeste bloet ende recht erfgenaem van der croone van Vrancryck geweest soude hebben, die voerde in syn wapen t'wapen van Vrancryck mitter overste broeck ge


605


broecken mit drie baren stelen van keel. Ende dit wapen had hy gevoert vier en twintich jaer by der Coningen synder neven tyden. Mer doe Puppyn Coninck was, doe en woude hy niet gehengen, dat hem ymant van de croon vermat recht te hebben, of dat ymant die wapen van Vrancryck voerde, dan die van Puppyns live of quamen, mer hy gaf desen Prince Hertoch Diderick, dat hy voert vueren soude in syn wapen een schilt van goude mit een lewe van keel getonget ende geclauweert van lasuer, als van outs uyt Troyen gecomen was. Dese Prince Dideric die leefde dertich jaer na den Coninck synen vader, ende hy had een wyf uyt Itakien, ende daer had hy een soon by, die hiet Lotharius. Lotharius Didericks soon was Hertoch in Aquitanien na den vader by Coninc Puppyns tyden, ende by den Coninc groote Karels tyden. Ende dese Prince Lotharius had te wyve Hertoch Sampsons dochter van Burgongen, ende daer had hy een soon by, die hiet sinte Engelrinus. Engelrinus Lotharius sone was Hertoch in Aquitanien na den vader by des grooten Coninck Karels tyden, ende hy had te wyve Hertoch Garyns dochter van Loreynen, ende daer wan hy by twee sonen. Die outste soen hiet Naufredus, ende die ander hiet Dustanus. Ende dese Hertoch Engelrinus die wert verslagen, ende gemarteleyt om den name Jesu van den Heydenen Sarracinen opten berch van Rousesael by des grooten Coninck Karels tyden, daer alle die groote Vorsten en Princen doot bleven, ende syn Heerlycheyt van Aquitanien wert al te seer verderft ende verdestueert van den Heydenen. Naufredus sinte Engelrinus soen was Prince in Aquitanien, mer die Sarraceenen hadden syn Heerlicheyt so seer verdeft, als dat hem de Keyser Karel gaf meer andere goeden in Elsaten,


606


ende anders waer by Vlaenderlant. Ende dese Prince Naufredus die had te wyve des Princen dochter van Bourges, ende daer had hy enen soon by, die Sigisbertus genoemt was. Sigisbertus Naufredus soon was Prince in Aquitanien by Keyser Lodowycks tyden Coninck van Vrancryck. Ende in dese tyden so was Hugo Coninc Karels soon ende Keyser Ludowycs broeder Coninck gemaeckt over alle die Princen ende lantscap van Aquitanien. Ende dese Prince Sigisbertus die had een wyf, ende hiet Mathilda, ende was des Graven Ogiers joncste dochter van Lengiers, ende was Grave Hagens suster van Lengiers, ende Coninck Lodewycs wyf van Germanien Hemma genoemt die was haer outste suster. Ende by dit wyf so creech dese Prince twee sonen, die outste hiet Walgerus, ende was Prince na den vader, ende van hem quamen veel Princen in Overlant by den Ryn, ende die joncste hiet Dideric, ende en was noch niet wel gegoet. Ende hy wert de eerste Grave gemaict van Hollant ende van Zeelant van Coninck Kaerle de Caluwe van Vrancryck. Want Grave Hagen van Lengiers, die Oem was van desen jongen Prince Diderick ende die Coninginne van Germanien, die syn moeye was, die baden den Coninck Karel de Kaluwe van Vrancryck voer desen jongen Prince Diderick hoeren neve, dat hy hem geven woude die Provintien van Hollant, ende die Coninck die gaf hem in 't jear ons Heeren DCCC. drie en t'sestich, ende maecte van Hollant een Vorstelycke Graefscap. Ende aldus als voersz is so is dese edel Prince Grave Diderick de eerste Grave van Hollant gesproten van den rechten boem ende originael wortel ende stam van den Trojaensche Coningen van Vrancryck, mer Puppyn ende syn geslacht die hebben die croon van den rechten stam gespert, ende op enen anderen stroncke geplant, als voersz staet.


 Van den eersten Grave van Hollant tot den eersten Heer
van Brederode.


9.  D A T  I X.  C A P I T T E L.


Diderick des Princen Sigisbertus soon van Aquitanien, ende des Princen Walgerus broeder van Aquitanien, die was


607


die eerste Grave van Hollandt ende van Zeelant, ende Heer van Vrieslant totter Lauwers toe. Hy had te wyve Gena Coninck Puppyns dochter van Italien, ende daer wan hy enen soen by, ende hiet Diderick, die na hem Grave wert. Ende om het te verslaen de edelheit des eersten Graven van Hollant, so sel men weten, dat Coninc Karel de Groote, die oock Keyser was, die hadde by synen lesten wive Fastrada twe sonen, die syn joncste sonen waren, die een hiet Puppyn, was Coninck van Italien, ende hy had een soon die Bernardus hiet, ende was Coninck van Italien na synen vader, met hy sette hem tegen den Keyser Lodewyck synen Oem, ende Keyser Lodewyck die nam hem dat ryck van Italien, ende dede hem dooden. Ende dese voersz Coninck Puppyn van Italien die had oock een dochter, ende hiet Gena, ende dese was de eerste Grave Diderics wyf van Hollant. Aldus so was Keyser Karel de Groot oudevader van Gena, ende Keyser Lodewyck was haer Oem. Diderick Grave Diderics soon, die was die anderde Grave van Hollant, van Zeelant, ende Heer van Vrieslant. Hy had een wyf, ende hiet Hildegondis, ende was Coninck Lodewycks dochter van Vrancryck de derde also genoemt, ende daer wan hy by twee sonen ende een dochter. D'eerste soon hiet Arnold, ende was Grave na den vader, de ander soon hiet Egbertus Aertsbisscop van Trier, die dochter hiet Arlinda. Arnulphus Grave Diderics soon die was die derde Grave van Hollant, van Zeelant, ende Heere van Vrieslant. Hy had te wyve Lutgarda, des Keysers Theophanus dochter van Griecken ende Constantinopel, ende was der keyserinnen Theophania


608 


Suster van Romen, ende daer wan Arnulphus by twe sonen. Ende d'eerste soon hiet Diderick, die na hem Grave wert, ende die ander soon hiet Syfridus, die eerst Burchgrave was van Kermerlant, ende na wert d'eerste Heer van Brederoden ende van Teylingen. Dit is dan dat onderwys als voersz is, van den beginne ende oorspronck van den edelen Heeren van Brederoede ende van Teylingen, hoe dat sy gecomen ende gesproten syn van den Edelen ende Mogenden Vorsten ende Princen den Graven van Hollant, also als dat gevonden is in ouden schriften, in Hantvesten, in ouden brieven, ende in Memorie boecken, die daer veel ende menich om doorsocht syn.


Van Syfrido den eersten Heer van Brederode


10.  D A T  X.  C A P I T T E L.


Sifridus Grave Arnulphus andere soon, ende Grave Diderics broeder, die was Burchgrave van Kermerlant ende Heer van Brederoeden ende van Teylingen. Dese Syfridusals hy een frissche jongelinck was, ende Grave Diderick syn oude vader, die seer out was, noch leefde, so was een man in des Graven Hoff, die Grave Arnulphus sonderlinge lief hadde. Ende Syphidus die wert vertoornt op desen man om saicken, die hy hem vermaert had tegen Grave Arnulphus synen vader, ende Syphridus dede desen man slaen. ende


609


doe wert Grave Arnulphus seer vertoornt op Sifridus synen soon, ende hy most uyt syn ogen, ende uyt syn landen, off men souden hebben gevangen. Ende Syphridus die tooch uyt den lande, ende tooch in Vrieslant, ende ginck leggen by een Potestaet van Vrieslant, die Goswyn van Staveren hiet, ende was gecomen van een Coninck Gondebolds geslacht van Vrieslant, die by Coninck Karel de Groots tyden op den berch van Roussefael van den Sarracenen verslagen bleef, daer oock bleeff Sinte Engelrinus de Hertoch van Aquitanien, als Voersz is in dat achtste Capittel. Dese Potestaet en had syn heerscappye niet over dat Vrieslant, dat den Graven van Hollant toequam, mer het lach vorder ende hoger in Vrieslant. Dese Goswyn van Staveren Potestaet van Hoech- Vrieslant, die ontfinck Syfridus seer vriendelyck, ende hielt hem in syn Hoff als syn eygen soon. Ende dese voersz Potestaet had een schoon Joffer tot een dochter, die een suverlike maecht was, die hiet Tetburga of Tetta, ende dese jongelinck Syfridus die verliefde op dese dochter, ende namse tot enen wyve. Ende Syfridus was opt Vriesch genoemt Sicco. Als Grave Arnulphus ende Graeff Diderick syn vader, die corts daer na sterf, dit vernomen hadden, so waren sy meest vertoornt op Syfridus, ende Syfridus die creech twee sonen by dese Vriesinne, eer hy die gratie van synen vader crygen konde. Die outste soon hiet Dirick, ende die joncste soon hiet Simon. Daer na int jaer ons Heeren DCCCC. ende acht en tachtich so sterff Diderick die ander Graeff van Hollant, ende Arnulphus Syfridus vader wert de derde Grave van Hollant, ende daer na so hylicte Grave Arnulphus den Prince Dideric synen outsten soen an Witilda des Keysers dochter van Sassen, die de Keyser Otto had by synen lesten wyve. Tot welcker bruiloften veel grooter Heren gecomen syn. Ende om reden wil van dier grooter Heren so wert daer seer tusschen gesproken, als dat Grave Arnulphus, die ontfinck Syfridus synen soen by gratien want hy is oock ontboden om te comen tot syns broeders Didericks bruloft. Ende als Graef Arnulphus sach synen soon Syfridum, so heeft hy hem omhelst, ende seer vriendelic weliecom geheten, ende sy hebben hem alle verblyt, die in der bruloften waren. Ende doe wert 'er voert gededingt, als dat Grave Arnulphus hem wilde versien mit gueden ende heer-


610


scappien, daer hy synen staet soude mogen op vueren. Ende alst gedadinget wert, so sprack Grave Arnulphus ende seyde. Ick sal Syphridus mynen soon, al en heeft hy's niet wel verdient, geven brede - roeden ende ruym gemeten voor syn deel tot veel plaetsen gelegen in Hollant, also dat hy synen staat eerlicken sal mogen vueren. Ende uyt dit woert so syn die Heren van Brederoede genoemt die Heeren van Brederoeden. Grave Arnulphus die gaf Syfrido syn soen, als dat hy wesen soude Burchgrave ende Rechter van Kermerlant ende van Westvrieslant syn leven lanck, ende daer na so gaf hy hem noch een Casteel, dat die selve Grave Arnulphun had doen funderen, ende en was noch niet al volmaict, ende dat wort voltymmert, ende wert geheten Brederoeden. Ende gaf hem daer toe veel dorpen ende gruytgelt, ende slusen, ende ander goeden gelegen tusschen den water, dat Merwe ende Lecke hiet, ende de Ghysen heyt. Ende van al dat t'samen so wert gemaict een heerscappie, ende hiet de heerscappie van Brederoeden. Ende Syphridus voersz was hier of de eerste Heer. Ende noch so gaf Grave Arnulphus Syfrido synen soen een Casteel gelegen in Noorthollant ende hiet Teylingen, mit veel ander goeden, ende aldus so was Syfridus oock den eersten Heer van Teylingen. Ende aldus so is Syfridus seer ryck geworden, want syn erflike renten waren alle jare by veertich dusent Franscher croonen. Sommich meenen Franscher schilden. Hierom so meenden oock sommige dat Syfridus d'outste was van syns vaders kinderen, ende om dat hy of soude staen, daerom so wert hy ryckelick versien by menigerhande renten ende gueden. Ende wat men daer af geloven sal, dat mach een ygelick, die dit leest, by hem selven oordelen. Oeck so was Syphridus President in Hollant in der absentie des Graefs synen broeders, van welck hy mede grote renten creech.


Van dat wapen van Brederode


11. D A T  X I.  C A P I T T E L.


Dese Syphridus, daer af voerseit is, die was die eerste Heer van Brederoede, ende syn wapen was dat wapen van Troyen, dat die Graven van Hollant oock hadden, want hy vuerde in syn


611


wapen een schilt van goude mit een lewe van keel getonget ende geclauweert van lazuer, gelyck Grave Diderick van Hollant synen broeder, mit drie baren stelen van lazuer. Ende die Heeren van Brederode, die voert van hem quamen, die hebben dat selfde wapen also gevoert, die een na den anderen. Ende dat dit blykelick ende waer is, dat machmen sien in den ouden brieven, die daer veel in Hollant syn, die de Heren van Brederode gesegelt hebben, daer van de sommige over drie of vier hondert jaer, ende sommige over twee hondert jaer, sommige over derdalf hondert jaer out syn, leenbrieven, ende ander, die mit witten wasse besegelt syn mit groote majestaet segelen, sittende in den seghel te peerde op een overdect rosse, ende in haren schilt, ende op haren overdect van den rosse, den lewe van Hollant mit drie baren stelen gebroken, ende daer die Heeren van Teylingen, ende meer ander groter Heeren ende Ridderen, in staen als leenmannen des Heeren van Brederoede. Ick heb Heer Johan van Drongelen den Lant commandeur van den Duytschen huys binnen Utrecht horen seggen, dat hy dusdanighe brieven in Hollant tot veel plaetsen in syn hant gehadt heeft, ende oock mede in syn clooster sommige van de selfde form heeft by hem leggende. Ende dese Syphridus syn vier vierendeelen, dat waren Hollant, Vrancryck, Keyser van Griecken, ende van edelen Romeynen geslacht van Colomnen, geslacht van Romen Sommige luyden syn, die seggen uyt partyen, ende uyt haet ende nyt, als dat de Heeren van Brederode ende die Heeren van Teylingen gecomen souden sesen van bastardien van Hollant, van den eerste Grave Willem van Hollant, als dat die getrouwet hadde een Vriesinne, ende hiet Maria van Castrichem, ende dat hy daer boven nam een dochter van Gelre. Mer het is versiert, ende ten is also niet, als men in der waerheit vint, want daer syn veel brieven in Hollant, die de Heeren van Brederode besegelt hebben, die veel jaren ouder syn, dan die eerste Willem geboren was, gelycken voersz staet. Mer dese Grave Willems eerste wyf was Vrou Adelheyt Graef Otten dochter van Gelre, ende na haer doot nam hy tot eenen wyve Mariam des Hertogen dochter van Lancaster, uyt Engelant, ende die sterff sonder kinder. Mer Grave Willam voersz die had drie sonen by Graef Otten dochter van Gelre, als Florys,

Hh hh 2

die


 

612


die nae hem Grave wert, Otto die Bisscop van Utrecht was, ende Willem die rechter van Kermerlant ende van Vrieslant was, ende die had een dochter by des Heeren dochter van Adingen, en hiet Adelheyt, ende dese dochter Adelheyt had Heer Diderick de achtste Heer van Brederode tot eenen wyve, daer hy by wan Heeren Alfert negenden Heer van brederode, ende aldus so syn sy oock van den eersten Grave Willem gecomen.


Van die stryt daer Grave Arnulphus in doot bleef.


12. D A T  X I I.  C A P I T T E L


Arnulphus die Grave van Hollant was een rechtveerdich goet Heer, van goeden leven ende devoer, die God sere ontsach. Hy had veel onleden tegens die Oestvriesen, ende Westvriesen. op een tyt int jaer ons Heeren DCCCC. drie en t'negentich so tooch dese Grave mit groote macht in Vrieslant, ende als syn volck gebreck had van dranck ende van dorst op een tyt, wantet water sout was, so viel die Grave in syne gebeden, ende by Godliker ingevinge wysde hy den volcke een stede, daer sy graven souden om versch water. Ende als sy groeven so vloeyde daer overvloedich goet versch water uyt. Ende corts hier na so quamen die Vriesen mit grooter macht tegens die Grave Arnulphus, ende vergaderden op enen slechten velde in Vrieslant in een dorp dat Winckelmaedt hiet, ende daer wert seere gestreden ende gevochten, ende die vriesen die cregen de overhant, so dat die Edel Prince wert verslagen in den stryt mit veel volcks. Ende dit geschiede int selve jaer van DCCCC. drie en t'negentich op de XIV. kalende van Octob. Ende des Graven lichaem wert gevoert tot Egmont int Clooster, ende daer wert mit rouwen syn uytvaert gedaen ende begraven. Ende die Gravinne des Keysers dochter van Griecken sterff int ander jaer daer na op die andere Y dus in Mey, ende wert by horen man int selve Clooster begraven. Op een tyt langhe jaren hier na, op een witten Donderdach, als tot Egmont veel volcks gecomen was om aflaet, ende des Abts benedictie te hebben, so schoerde die sarcksteen, die op des Graven Arnulphus graf lach, ende uyt den grave soe quam soe

sueten


613


sueten roeck, dat alle die kercke daer mede vervult wert. Na Grave Arnulphus doot so wert Grave van Hollant Diderick syn soon, ende hy hadde als voerseit is te wive Witildam Keyser Otten dochter van sassen, die hy hadde by sinen lesten wive, ende daer wan hy by twee sonen, die eerste hiet Diderick, die na hem Grave wert, ende die ander hiet Florens, ende was Grave van Oestvrieslant, ende na syns broeders doot oock Grave van Hollant ende Zelant. Int jaer ons Heren CID. en XVII. so had dese Graeff Dideric van Hollant twee staende stryden tegen Adelboldum den Bisscop van Utrecht. Welcke stryden hy beyde wan overmits hulpe syns broeders Syphridus. Ende dit was die eerste stryt tusschen den Sticht van Utrecht ende dat Graefscap van Hollant.


Van Syphridus doot.


13. D A T  X I I I.  C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. ende XXX. opten vyften dach in Junio so sterf Siphridus die edel eerste Heer van Brederoeden, ende leyt begraven tot Egmont int Clooster an de Noortzyde in dat Cruyswerck van de kerck, ende syn wyf Tetburga sterf op die yerste KalendasFrebruarii, ende leyt by hem begraven. Ende want van Syphridus syn die Heeren van Brederoede ende van Teylingen, daerom so staet in syn Epitaphio geschreven op syn graf aldus: Stirps de Siccone processit in hae regione. Dat is geseyt in Duytsch aldus: T' geslacht van Siccone is voertgegaen in dese regionr. Sicco was syn naem opt Vriesch. Dese Siphridus of Sicco die gaf sinte Aelbrechts clooster tot Egmont om Goeds wil tot verlichtenisse synre zielen dat lant opter Geeft genaemt Noorthorpe, Smitbeu, Aldgeringer lant, Hilderades lant, Suyltdingerlant, vyff viertele lantlosemate, in Eckerslote twaelf pont, in Banes twee pont. Tetburga syn wyf die gaf dat selfde clooster voer siele een vergulde scrien mit veel reliquien, ende oock ander veel gaven. Daer na int jaer CID. negen ende dertich sterff Grave Dideric van Hollant, Siphridus broeder, ende Diderick syn soen wert die vyfte Grave van Hollant.

Hh hh 3

Van


614


Van Diderick den anderden Heer van Brederode.


14. D A T  X I V.  C A P I T T E L.


Als Siphridus de eerste Heer van Brederode gestorven was, so wert Dideric syn outste soen na hem die anderde Heer van Brederoden, ende Simon, die Siphridus joncste soon was, die wert Heer van Teylingen, gelyck int navolgende Capittel gescreven staet. Ende aldus so syn die Heeren van Teylingen gesproten uyt die Heeren van Brederode. Ende van den Heere van Brederode quam noch een Heere van der Lecke, die den witten schilt mitten swarte lewe voerde. Ende dese Heeren waren al Banner - Heeren. Noch so syn oock gecomen van die Heeren van Brederoeden die van Adrichem, dat goet Ridderscap is, mer oft van een getrout bed is, oft van bastardien, dat en weet ie niet, doch sy voeren dat wapen van Brederoeden, mer sy brekent met een rat op de syde van de lewe. Diderick die andere Heer van Brederoeden die voerde syn vaders wapen als voersz staet in dat elfde Cappitel mit al syn geslacht tot den eersten Heer Reynolt Heer van Brederoede, daer na of geschreven staet in dat XXXV. Capittel. Ende dese Diderick Heer van Brederode nam te wive Alverardin Heer Boudewyns dochter, die de sevende Heer was van Heusden, ende hy was die seste gesproten van sinte

Ead-


615

 

Eadmundus lichaem, die martelaer ende Coninck van Engelant was, ende by desen Alverady so wan Heer Diderick een soon, die Willem hiet, die nae Heer van Brederoede wert, ende van desen so syn gesproten die Heeren van der Leck, als voer geseit is. Int jaer ons Heeren CID. en acht en veertich so wert Grave Diderick van Hollant tot Dordrecht verslagen van syn vyanden. Ende want hy sonder wyf ende kinder was so gingen Heer Diderick van Brederode, ende Heer Simon van Teylingen mit Heer Gerrit van Putte ende andere Banner-Heeren ende Ridderen van Hollant, ende haelden Floris den Grave van Oestvrieslant des voerseyden Grave Diderics broeder, ende maectem hem de seste Grave van Hollant ende Zeelant. Daer na so sterf Diderick de Heer van Brederode omtrent dat jaer ons Heeren CID. drie ende t'sestich, ende Willem syn soen wert Heer van Brederoeden na hem.


Van die Heeren van Teylingen.


15. D A T  X V.  C A P I T T E L


Simon Siphridus joncste soen die wert na syn vaders doot Heer van Teylingen, ende dese Heer Simon van Teylingen die voerde oock syn ouders wapen van Troyen ende van Hollant als een schilt van goude mit enen lewe van keel getonget ende geclauwiert van lazuer, mer om een ondersceyt te hebben tusschen syn broeder Heer Diderick van Brederoede, soe woerde hy daer op drie baren stelen van sulver, ende dat is die andere divisie van Hollant. De eerste divisi als drie baren stelen van lasuer voerde de Heer van Brederoeden syn broeder mit syn nacomelingen. Simon dan die Heer van Teylingen,

die


616


die wan Heer Gerrit van Teylingen, ende men sal weten, dat die Heren van Teylingen waren Banner-heeren. Dese Heer Gerrit van Teylingen was tegenwoordich, daer die exemptie geschieden des Cloosters van Egmont int jaer ons Heeren CID. C. drie en veertig, ende doe was hy een seer out man. Dese voerseyde Heer Gerrit die de anderde Heer van Teylingen was, die wan by syn wyf Heer Huych den derden Heer van Teylingen, ende Heer Willem van Teylingen Ridder. Hugo de derde Heer van Teylingen was daer by, doe de derde Floris Graef van Hollant resigneerde de kerck van Vlaerdingen int jaer onses Heeren CIC. C. twee en t'sestich. Dese Heer Hugo die wan Heer Willam den Vierden Heer van Teylingen. Willam die vierde Heer van Teylingen † dede groote hulp den eersten Willem van Hollant tegens Grave Lodewyck van Loen int jaer ons Heeren CID. CC. ende drie, geliken wel bescreven staet in die Croniken van Hollant. Dese Heer Willem die wan Willem den vyften Heer van Teylingen, ende Joncker Dideric van Teylingen. Dese twee broeders waren in haer * blaen int jaer ons Heer CID. CC. ende twe en vyftich by Coninck Willems tyden, die was Grave van Hollant ende Coninck van Romen. Dese vierde Heer Willam van Teylingen stierf int jaer ons Heeren CID. vier ende veertig. Die vyfte Heer van Teylingen was Willem syn soen, ende hy wan Diderick den sesten Heer van Teylingen. Diderick die seste Heer van Teylingen, die wan Willem de sevenden Heer van Teylingen. Dese Heer Dideric die sterf int jaer ons Heeren CID. CC. ende twee en tachtich. Willem de sevende Heer van Teylingen die wan Heer Simon den achtsten Heer van Teylingen, ende Heer Di-

deric

† Auctor lib.20. bist. cap. 2 & seqq
* bloen forsan aut bloeyen.


617


deric syn broeder Ridder. Ende dese Heer Willem van Teylingen die sterf int jaer ons Heeren CID. CC. en LXXXIV. Heer Simon ende Heer Dideric van Teylingen broeders die bleven te Staveren verslagen mit Graeff Willem van Hollant van die vriesen int jaer ons Heeren CID. CCC. ses ende veertich.

Van Heer Willam den derden Heer van Brederoede.


16. D A T  X V I.  C A P I T T E L.

 

 Na dat Diderick de andere Heer van Brederoede gestorven was, so is Willem syn soon geworden de derde Heer van Brederode. By desen Heer van Brederodens tyden so gesciede dat Buylrugde Govert Hertoch van Lotharingen quam mit machten in Hollant ende verdreeff daer uyt Gravinne Geertruit mit horen kynde Diderick. Ende die selfde Hertoch godevaert die stichte de Stede van Delff in Hollant. Maer na vier jaren wert hy ter doot gewont tot Antwerpen van Gysbert Joncker Didericks van Hollants knecht, ende hy sterf tot Maestricht. Na syn doot so quam Joncker Diderick voerseyt mit grootc? macht van Volck, ende wert Grave van Hollant. ende in syns Vaders erf verheven int jaer ons Heeren CID. ses en t'seventich. Dese Grave Diderick was de sevende Graef van Hollant, ende hy wan Floris de vette, die na hem Grave wert. Heer Willem die derde Heer van Brederode doe hy ten volwassen man geworden was, doe trouwde hy mit grooter eeren een suverlike maget Adelheyd genoemt, ende was des Graven dochter van Seyd, daer hy by wan Diderick die vierde Heer van Brederoeden. Ende dese Heer Willem sterff omtrent dat jaer ons Heeren CID. C. ende drie.

Van


618


Van Diderick den vierden Heer van Brederoeden.


17. D A T  X V I I.  C A P I T T E L.


Doe Heer Willem o?livich was geworden, so worde Diderick syn soon die vierde Heer van Brederoeden, ende hy wort gehult als gewoonlick is. Dese Heer Diderick die heeft by rade van syne vrienden te wive genomen Agnetam des ededelen Graven dochter van Solms, ende tot dier bruloft so syn gecomen veel grooter Overlantscher Heeren, ende daer wan hy by eenen soen, die Willem hiet, ende wert na hem Heer van Brederoeden. Omtrent dat jaer CID. C. ende XXXIX. so wert dese Diderick Heer van Brederoede sieck, ende hy sterff, ende wert eerlicken begraven. By desen Heer van Brederoedens tyden so was in Vrancryck also grooten droochte, dat allefonteynen ende alsulcke water die verdroochden, ende aerde schoerde van droochte, ende uyt die scoeren so quam vuer, ende dat bernde, onbescelyck twee jaer duerende.


Van Willem de vyfde Heer van Brederode


18.  D A T  X V I I I.  C A P I T T E L.


Als diderick gestorven was ende begraven, soo trat Willem syn soon in syns vaders erff, ende wert gehult de vyfde Heer van Brederoede. Dese Heer Willem van Brederoeden die verliefde op Katherinam des mogende Gravens dochter van Salmen, dien hy oock troude. Ende hy wan daer by een schoone soen, die genaemt wert Floris, ende hy wert naer hem Heer van Brederoeden. Ende als dese Heer Willem die Heerlichheyt voergenoemt een deel jaren hadde eerlicken regiert, so sterf hy by daet jaer ons Heren CID. C. vier ende vyftich, ende hy wert met enen besceyden uytvaert begraven. By synen tyden als int jaer ons Heeren CID. C. XLVIII. so verbernde bekant alle die hele Stadt van Utrecht, als Sinte Martyns kerck, Sinte Pieters kerck, Sinte Johans kerck, Sinte Pouwels, mer de oude Monster bleef onverbrant, ,er de Capel des heyligen Cruys, die vast an de Monster staet, die ver-

brande


619


brande met al dat daer in was, uytgeseyt een beelt des cruys, ende nochtans so bernde dat cruys mit die nagelen, mer dat beelt niet. Nochtans so wast swart geworden, ende het wert gebrocht in de kerck van Oudemonster, ende het is genoemt dat swarte cruys.


Van Heer Florys den sesten Heer van Brederode.


19.  D A T  X I X.  C A P I T T E L.

 
Na Heer Willems uytvaert ende begravinge so wert die edel Florys syn soen ontfangen voer die selfte Heer van Brederoeden. In dese tyden so hadde die grootmoedighe Graeff van Ghenyp een dochter, die seer schoon was van allen leden, die hoer naem was Christina, ende die selfde dochter die creech dese Heer Florys tot eene echte vrouwe. Ende daer werde groote feest in die bruloft gehouden. Ende hy wan daer een soon by, die hiet Heer Willem, ende wert na syn Vader Heer van brederoden. Ende dese Heer Florys die sterff omtrent dat jaer ons Heeren CID. en XCVIII. In synen tyden int jaer ons Heeren CID. C. en twee en t'seventich ontrent onser Vrouwen Lichtmis so bloeyden die bomen, de spruten die wiesen, ende de vogelen saten in hoer nesten ende broeden. Ende dit was by die tiende Graef van Hollant tyden die Florys genoemt was.


Van Heer Willem die VII. Heer van Brederode.


20.   D A T  X X.  C A P I T T E L.


Doe Heer Florys was begraven so wert Willem syn soen verheven de VII. Heer van Brederoede. Ende hy sende tot den Graeff van der Lippa om te hebben Margatetam syn dochter tot enen echten wyf. Die Graef van der Lip heeft syn dochter gesonnen, ende Heer Willem voersz heeft se getrout, ende wan daer by enen soen, die Diderick hiet. Dese soon is opgewassen, ende is geworden een scoen man, ende wert nae syn vader Heer van Brederoeden. Ende ten lesten so wert Heer Willem die Heer van Brederoede cranck van

lichaem


620


lichaem, ende syn leste sacramenten werden hem gegeven omtrent dat jear ons Heeren CID. CC. een ende twintich. By desen Heer Willems tyden so was een Jode in Hisoanien, die soude syn wyngaert om bemueren, ende in die wyngaert so was een verheven cleyn steenrodse, ende doe hy die brack, doe want hy dattet daer hol was, ende hy vant daer in een boeck mit houten bladen, daer in geschreven stont, in Hebreus, griecks, ende in Latyn aldus: Christus sal geboren worden van die maget Maria, ende sal lyden om die salicheyt der menschen. Als die Jode dit gelesen hadde, so wert hy bekeert, ende liet hem dopen mit al syn huys-gesinne.


Van Heer Diderick de achtste Heer van Brederode.


21.   D A T  X X I.  C A P I T T E L.


Als Heer Willem begraven was so wert Diderick syn soon de achtste Heer van Brederoeden. In dees tyden so was Grave van Hollant Florys die Coninck Willems vader was. Dese Graeff Florys hadde noch twee broeders van een vol bedde, als Otto den Graef van Oestvrieslant, die na Bisscop tot Utrecht wert, ende Joncker Willem die President van Hollant. Dese Joncker Willem die President hadde by des Heeren dochter van Adingen een getroude eenige dochter, die genoemt was Adelheyt, ende was een scoone maget. Ende dese Adelheyt nam Diderick die Heer van Brederoeden voersz tot enen wyve. Heer Diderick die hadse seer lief, ende hy wan daer by enen soen, die Alphert hiet, ende wert na syn vader Heer van Brederode. Dese Heer Diderick is oock in sommige boecken

genoemt


 


 



621


genoemt Diderick die Drossaet van Hollant. Ten lesten so sterf hy by dat jaer ons Heeren CID. CC. ses ende dertich.


Van Heer Alphert de IX. Heer van Brederode


22.   D A T  X X I I.  C A P I T T E L.


Na dat Heer Diderick gestorven ende begraven was, so wert Heer Alphert syn soen de Negende Heer van Brederoeden. ende van desen Heer Alphert so stont Coninck Willem Grave van Hollant susterlinck over. dese deurluchtighe Heer van Brederoeden hadde te wive Beatris des Heeren dochter van Hoern, daer hy by wan Willem die na hem Heer van Brederode wert, ende een suverlike maget, die Katerina hiet, die Coninck Willem voersz gaf tot enen wyve den Casteleyn van Keyserswaert. Ende dese Heer Alphert had oock een bastaert soen in de Duynen, doe hy daer was jagende, die syn naem was Diderick, die was oock Ridder, ende van hem so syn gesproten, die van der Duyn genoemt syn. Dese Heer Alphert stierf omtrent dat jaer ons Heeren CID. CC. drie ende vyftich opte XIII. Kalende van December.


Van Heer Willem die X. Heer van Brederode.


23.   D A T  X X I I I.  C A P I T T E L.


Doe Heer Alphert begraven was, doe wert Heer Willem syn soon na erflick recht de tiende Heer van Brederoeden. Dese Heer Willem nam te wive Hillegont des edelen Heren Henrick dochter van Voerne, daer hy by wan de goedertierne Diderick, die na hem wert Heer van Brederoeden Dese Willem Heer van Brederoede was seer glorieus ende hoech verhe-

ven


622


ven in synen neve Coninck Willems Hoff die oock Grave van Hollant was. Want Coninck Willem hadde hem gemaict de meester syns Ridderscaps. Ende die dese selfde Coninck Willem soude stryden tegen die Westvriesen, so deylde hy syn Heer in twie bataelgen, ende dat een deel beval hy te regieren Heer Willem den Heer van Brederoede, ende dat andere deel bam hy self an te regieren. Ende also is Coninck Willem mit grooter macht getogen in Westvrieslant om die Vriesen te bedwingen. Heer Willem de edel Heer van Brederoeden is getogen met syn wapentuers tegen die Drechterse Vriesen, dat is tusschen Enchusen ende Hoorn, ende heeft die Vriesen al heel bedwongen, want veel heeft hy dootgeslagen, ende veel isser gevangen genomen, ende die ander syn in genade gecomen. Mer laci Coninck Willem overdat ys rydende na Hoochtwoude alleen om den wech te soecken is in dat ys gebroken, ende die vriesen syn uyt die rietbossen gecomen, ende hebben daer den edelen Coninck dootgeslagen, eer syn volck mochte by hem comen. Ende dit gesciede int jaer ons Heren CID. CC. IV. opte VII. Kalende in Februario. Ende doe wert Grave van Hollant Florys Coninck Willems soen, die doe noch een jonck kint was. Int jaer ons Heren CID. CC. LXXIX. op sinte Jorys dach so verbrande na die hele Stat van Utrecht. Want daer verbrande Sinte Johans kerck, Sinte Pieters kerck, der Minrebroederen kerck, de Buerkerck, ende Sinte Katherinen. Int jaer ons Heeren CID. CC. LXXXV. op die derde Nonas Junii so sterf die edel Heer Willem Heer van Brederoeden. ende syn wyf Hillegond diesterft int jaer ons Heren CID. CCC. ende twie.

Van


623


Van de goedertieren Heer Diderick de XI. Heer van Brederode.


24.   D A T  X X I V.  C A P I T T E L.


In jaer ons Heeren CID. CC. LXXXV. so wert die goedertieren Diderick Heer van Brederoeden. Dese Heer overmits syn grooter doecht ende goedertierenheyt is genoemt Theodoricus Pius, dat is, in Duytsche, de goedertieren Diderick. Ende hy nam te wive Mariam des edelen Heren dochter van der Leck, daer hy by wan Willem ende Diderick Ridderen, ende Jutte. Welcke Jutta te man nam Heer Johan Persyn den Bannerheer, ende Heer van Waterlant. Dese Vrou Jutta sterft int jaer ons Heeren CID. CCC. XLVII. ende wert begraven int clooster te Leuwenhorst, ende hoer man Johan Persyn sterf int jaer ons Heeren DID. CCC. drie ende vyftich. Diderick de Ridder voergenoemt die nam te wive Mariam des Heeren dochter van Bueren. Van Willem den outsten soon sellen wy noch na scryven in dat XXVIII. Capittel.


Van Heer Didericks van Brederoedens victorie onder
Graef Floris yden van Hollant.


25.   D A T  X X V.  C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CC. LXXXVII. op de XIV. dach in december so is groote storm ende winde geweest, also datter veel menschen en beesten verdrenckt zyn, ende al Westvrieslant stont onder water, ende want die Westvriesen op die tyt rebel waren, so ginck Heer Diderick de Heer van Brederoeden uyt beveel van Graeff Florys van Hollant, ende vergaderde veel schepen mit wapentuerers, ende tooch so in Westvrieslant als een onvervaert Prins, ende nam gysel uyt allen dorpen, ende bedwanck also sonder bloetstoringe al Vestvrieslant. Want die Vriesen en mochten maleander niet te hulp comen overmits dat water. Graeff Florys wert hier af seer blyde, ende doe die wateren wederom wechgelopen waren, doe timmerde hy in Westvrieslant vier stereke sloten, om die Vriesen daer mede onder dwang te houden, als Medenblick, Enigeburch,

Mid-


624


Middelburch, ende Niburch. Daer na so tooch Graef Floris over in Engelant, ende die wyl dat hy in Engelant toefde, so vergaderde Graef Ghy van Vlaenderen groot volck in Casant om daer mede te comen in Zelant, ende dat lant van Walcheren in te winnen. Ende als dit Heer Diderick die edel Prins van Brederoeden hadde vernomen, so vergaderde hy geringe mit Heer Johan van Renes een schoon heer van volck om die Vlamingen weder te slaen. Graef Florys is oock haestich over gecomen uyt Engelant, ende quam te Vlissingen an, ende vergaderde oock daer groot volck. Ende doe dit graeff Ghy vernam so en dorste hy niet overcomen in Zelant, ende te wyl dat Graef Ghy aldus toefde, so toech Heer Johan van Renes, ende verbrande de Stede van der Sluys. Ende Heer Diderick van Brederoeden toech mede in Vlaenderen, ende quam mit ontwonden banieren, ende mit geluyt van Basuynen in Casant, ende verbrande daer dorpen ende castelen, ende hy sloech ende venck veel Vlamingen, ende quam also weder mit grooten love tot Graeff Florys van Hollant. daer na wert dat oorloch gesoent.


Van dat Heer diderick Heer van Brederoden Jonker
Johan van Hollant uyt Engelant haelde.


26.   D A T  X X V I.  C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCC. XCVI. so wert Graef Florys jammerlycken vermoort, van Heer Gerit van Velsen. Ende als die wraeck daer van gedaen was, so quam Reynald die Graeff van Gelre, ende nam al Noorthollant onder syn voochdy, ende Ghye Grave Johans van Henegouwen broeder, die tresorier van Ludick was, die nam daer tegens al Zuythollant in synre voochdien, ende hier van is aldus groote twiedracht in Hollant gecomen. Dit mishaechde seer den edelen Heer Diderick van Brederoeden, ende daerom sprack hy toe Heren Flosens den Regael Abbet van Egmont, Heeren Henrick den Borchgraeff van Leyden, Heren Willem van Egmont Ridders ende sy overdroegen also, dat sy op hoer eygen costen getogen syn in Engelant, ende hebben den Coninck Eduwart van Engelant gebeden, dat Joncker Johan Graef Florys soen soude mit

hem


625


hem luden mogen overvaren om syns vaders erf te ontfangen. Dese Joncker Johan hadde des Conincs van Engelants dochter te wive. Die Coninc Eduwart heeft dese Legaten eerliken ontfangen ende verhoert, ende heeft bereyt een costelick schip mit costeliken juwelen verciert, ende sette daer in Joncker Johan mit syn dochter, ende heeft die bevolen in der voochdien van Heer Diderick van Brederoeden. Ende aldus so syn sy t'sceep gegaen, ende want die wynt hem contrary was so quamen sy an in Zeelant. Ende Heer Wolfert van der Veer, die heeft den jongen Graef van Hollant in synre huede ontfangen, ende heeft die Hollantsche Heren mit subtylheyt van hem geseth. Mer dese Graef Johan is corteliken daer na gestorven, als hy Hollant regiert hadde vierdalff jaer. Ende na hem wert Grave van Hollant Johan Grave van Henegouwen, ende als die oock regiert hadde vyf jaer, so sterf hy, ende syn soen die genoemt is die goede Graeff Willem, die wert Grave van Hollant. Dese goede Graeff Willem mercte die groote wysheyt, die in Heer Diderick van Brederoeden was, ende daerom soo maecte hy hem syn overste Raet mit Heer Claes van Putte.


Van Heer Diderics doot.


27.   D A T  X X V I L.  C A P I T T E L.


Int jaer ons Heren CID. CCC. ende achtien so toech die goedertieren Diderick Heer van Brederoden om syn bevert te doen in verre landen, ende als hy wederom quam door Vrancryck so sterf hy in die Stat te Ryemen op die CII. Kalendas Januarii. ende hy wert daer begraven totten Prekebroeders int clooster. Dese edel Heer van Brederoeden, was een sterck Prins van grooter famen, ende een milde aelmisgever, want hy gaff te Haerlem tot die Heren van Sinte Johans een kelck die van synen goude was. Hy was Heer van Brederoeden drie en dertich jaer. Syn wyf Maria die was gestorven int jaer ons Heren CID. CCC. ende seven.

Kk kk

Van


626


Van Heer Willem den Goedertieren Didericks soon.


28.   D A T  X X V I I I.  C A P I T T E L.

 Dese goedertieren Diderick Heer van Brederoedens outste soon, was genoemt Heer Willem, ende was oeck een famoes Ridder. Ende hy hadde twee wiven, dat eerste wyf was Elisabeth des Graven dochter van Luxenburch, want Luxemburch en was doe noch geen Hertochdom, ende daer by wan hy Heer Heynrick, die nae den goedertieren Heer Diderick wert Heer van Brederoden. Ende als dit wyf doot was, so nam hy een ander wyf, die Katherina hiet, ende was Heer Willem van Teylingens dochter, ende had een man te voren gehad, die hiet Heer Aelbert Heer van Voorne. Hier by so wan hy oock een soon, die Heer Diderick hiet, ende wert Heer van Brederoeden na Heer Heynrick synen broeder. Dese Heer Willem van Brederoeden en was geen Heer van Brederoden, want hy sterff twie jaer voor synen vader Heer Diderick, dat was int jaer ons Heeren CID. CCC. ende sestien. Katherina syn wyff, die hadde tot hoeren lyff verworven van Graeff Florysvan Hollant dat casteel te Teylingen, ende sy sterff int jaer ons Heeren CID. CCC. acht ende twintich.


Van Heer Heynrick die XII. Heer van Brederoden.


29.    D A T   X X I X.   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCC. ende XVIII. doe de goedertieren Heer Diderick oflivich was geworden, so wert Heer Heynrick, die Heeren Willems outste soon was de VII. Heer van Brederoeden. Dese edel Heer Heynrick Heer van Brederoeden, die nam te wive Elisabeth des edelen Heeren dochter van Fonteynes uyt Vrancryck. Ende die bruloft die worden eerlycken gehouden mit menigerhande jolyt, mer hy en wan daer geen kinder by. Ende ten lesten so wert Heer Heynrick van Brederoden crainck, ende hy wert berecht metten heyligen sacrament. Ende hy sterf int jaer ons Heren CID. CCC. seven ende twintich, na dat hy die Heerlicheyt van Brede-

roeden


627


roeden regiert hadde drie jaer, ende Elisabeth syn wyf die sterf int jaar ons Heeren CID. CCC. ses ende veertich, ende sy hadde den Clooster van Egmont pretiose ornamenten gegeven. Dese selfde Vrou Elisabeth gaf oock het Clooster Sint Johans binnen Haerlem een Cappelri, ende begaefde daer Sinte Margrieten outaer jaerlicx mit dertien pont.


Van Heer Diderick de XLII. Heer van Brederode.


30.   D A T   X X X.   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCC. XXI. na Heer Heynrics doot so wert Heer Diderick syn broeder die dertiende Heer van Brederoeden. Dese Heer Henrick was seer cloeck van leden ende vroem in syne daghen. Hi nam te wive Beatricen Heeren Walravens dochter van Valkenburch ende van Montjouwe, van wiens geslacht geschreven staet hier nae int XXXIV. Capittel. By dese Vrou Beatris so wan Heer Diderick van Brederoede Heer Reynolt, die nae hem wert Heer van Brederoeden ende oeck Grave van Gennip, Heer Diderick, Heer Willem Ridderen, Joncker Walraven, ende Katherinam de vrou van Polanen ende van der Leck. Dese Joncker Walraven van Brederoeden die nam te wive Bertjen Heeren Johans dochter van Egmont, daer hy gheen kinder by creech. Ende hy sterf int jaer ons Heeren CID. CCC. en LXIX. op de XVI. Kalende in Augusto, ende leyt begraven tot onser Liever Vrouwen broederen binnen Haerlem int choer. Ende Catharina de vrou van Polanen ende van der Leck, die sterff in jaer ons Heren CID. CCC. en twe en t'sestich, ende leyt begraven tot Monster in die kerck by s'Gravesant.


Van den stryt tegen die Vlamingen.


31.   D A T   X X X I.   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heren CID. CCC. XXVIII. so toech de goede Graeff Willem van Hollant mit Heer Diderick van Brederoeden, ende mit ander veel Heren, den Coninck Philippo van Vrancryck te hulp tegen die Vlamingen, ende Graeff Willem van Hollant

Kk kk 2

rechte


628


rechte syn tenten op Casselberch. Doe dat die Vlamengen sagen, so bereyden sy hem om den Coninck van Vrancryck onverhoets over te vallen, ende hem te slaen binnen syn tenten. Maer dat keerde haefteliken. de goede Graef Willem van Hollant, die nochtans van syn paert geworpen wert, ende soude daer doot gebleven hebben, hadde Heer Diderick van Brederoeden mit Heer Johan van Arckel, ende Heer Philips van Wassenaer, ende ander Heeren hem niet te hulpe gecomen. Daer wert vreselick gevochten, ende ten leste die Vlamingen verloren den stryt, ende werter doot geslagen veertich dusent ende ses hondert van den Vlamingen.


Van den stryt op die Maes.


32.   D A T   X X X I I.   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCC. een ende vyftich so resen op in Hollant twee partyen als die Hoecks ende Cabeljaus. Die Hoecks hieldent mit horen rechten Lants-Vrou als mit Margriet die Keyserinne. Gravinne van Henegouwen, van Hollant, Zeelant, ende Vrieslant. De Cabeljaus hieldent mit Hertoge Willem van Beyeren, die een soon was van de voersz Keyserinne, ende syn toenaem was de dulle Graef. De Capeteynen van de Hoecks waren de Heer van Brederoede, die Heer van der Leck, die Barchgraef van Leyden, ende die Heer vander Burchorft. De Capeteynen van den Cabeljaus waren die Heer van Arckel, die Heer van Egmont, ende die Heer van Heemskerck. Ende desz tweedracht wert so groot dat Margriet de

Key-


 

629


Keyserinne ende gravin van Hollant quam mit veel scepen vol volcks op die Maes tusschen den Briel ende s'Gravesande om te stryden tegens Hertoch Willem haren soen Daer quam Heer Diderick van Brederoden mit veel Ridderen ende knechten om syne rechte Lants-Vrouwe te helpen, daer gedeecht tot enen swaren stryde, overmits dat daer anxtelick wert gevochten ende veel volcx doot bleef aen beyden syden. Ten lesten die Keyserinne die weeck in Engelant. Ende Heer Diderick van Brederoede, die niet wycken en woude, wert daer gevangen mit veel gueden Ridderen ende knechten. In desen stryt was also veel volcks verslagen, dattet water in die Maes drie dagen daerna behielt de veru van bloet alst vloeyde. ende dese stryt gesciede op sint Mertyns dach in den somer na onser Vrou visitati. Daerna wert dit oerloch gesoent ende Hertoch Willem soude Grave van Hollant, Zelant, ende Heer van Vrieslant wesen, ende die Keyserinne soude Henegouwen rustelick besitten tot horen live. Doe wert die Heer van Brederoeden mit veel ander goeder mannen uyt de gevangenis gelaten ende gelost. Omtrent vier jaer hier na so sterf dese Keyserinne in Henegouwen, leyt aldaer begraven. Int jaer ons Heren CID. CCC. acht en vyftich omtrent sint Joris dach wert dese Hertoch Willem van Beyeren siner sinnen onmachtich, ende hy wert in seker hoeden geseth, daer hy in was XIX. jaer, ende doe sterf hy, ende hy leyt in Henegouwen begraven.


Van dat verraet dat die Cabbeljaus stichten tegen Heer
Henrick van Brederoeden Heren Diderick van
Brederodens outste soen.


33.   D A T  X X X I I I.   C A P I T T E L.


Als Hertoch Willem van Beyeren Grave van Hollant synre sinnen onmachtich geworden was, so woude die Cabbeljaus dat Vrou Machtelt die Gravinne van Hollant, des voersz Hertoch Willems wyf, soude dat lant van Hollant van hoer mans wegen regieren. Mar om dat sy geen kinder en had, daer dat Graefscap van Hollant op soude mogen comen

Kk kk 3

so


630


so togen die Hoecks, ende haelden Hertoch Aelbrecht, dat hy syns broeders lant als Ruwaert soude regieren, twelck also gescieden. Als dan vrouwe Mechtelt die Gravinne van Hollant toegeschiet was voer haer duwarie des jaers twaelf dusent Vranrycsche schilden, so wert Hertoch Aelbrecht Voersz Ruwairt van Henegouwen, Hollant, Zeelant, ende van Vrieslant. Als dan Hertoch Aelbrecht Heer Johan van Blomensteyn Ridder afgesettet hadde van dat Bailjuscap van Kermerlant, ende Balju gemaict hadde Reynolt des Heeren soon van Brederoeden, so worde daeromme toornich alle die heele Cabbeljaus partye. Ende doe dese Heer Reynolt van Brederoeden sonde ryden om dat Baljuscap te berechten, so hadden die Cabbeljaus lagen gestelt in Castrichemer duyn om hem daer doot te slaen, als hy daer soude comen. Ende als hy daer quam, ende dit vernam so stack hy syn paert mit sporen, ende reet haestich na Castrichom toe. Dese Cabbeljaus volchden hem, ende sloegen hem of van asteren die van syn dienaren. Heer Reynolt die weeck in de kerck, ende die van Castrichem quamen hem te baten. Doe dat die Cabbeljaus sagen so weken sy som op Heer Wouters huyse te Heemskerck, ende som die weken te Delf binnen. Ende doe wert Hertoch Aelbrecht seer toornich, also dat hy dat huys te Heemskerck beleyde, ende wan dat, ende venck Heer Wouter van Heemskerck. Daerna beleyde hy oock die Stede van Delf dese selfde Hertoch, ende wan die, ende werp om die poorten mit de mueren.

Van Heer Diderics van Brederodens doot, ende van t'geslacht
syns wyfs Beatris.


34.   D A T   X X X I V.   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCC. LXXVII. als Heer Diderick den Heer van Brederoden de heerschappie van Brederoede regiert hadde ses ende vyftich jaer, so sterf hy op sinte Mauritius dach, ende wert begraven tot onser liever Vrouwen broeders te Haerlem. Ende dat selfde clooster besprack hy jaerlycks tot renten vyftien pont Hollants uyt syn renten toe Schoten. Ende Beatris syn vrou was gestorven int jaer ons Heren CID. CCC. LIV. ende was begraven te Rynsburch int clooster. Dese Vrou

Beatris


631


Beatris en vader was Heer Walraven, die Heer was van Valckenburch ende van Montouwen. Ende hy was gesproten van een jonger broeder des Heerlicheyts van Limburch. Desen Heer Walravens dochter was des Graven van Loons dochter. Ende dese selfde Walraven hadde te wive genomen Philippam Grave Reynolds dochter van Gelre, die een vader was van Hertoch Reynolt den eersten Hertoch van Gelre. de moeder van dese Philippa was Vrou Margriet Grave Gheyen dochter van Vlaenderen. Van dese Philippa so wan Heer Walraven Heer van Valckenburch ende van Montjouwen drie sonen ende drie dochteren. Den eerste soon hiete Reynolt, ende was Heer van Valckenburch ende van Montjouwen, ende syn wyf was Elisabeth des Graven dochter van Gulick, ende hy sterf sonder kinderen. Die ander soon was genoemt Diderick, ende hy was na syn broeder Heer van Valckenburch, ende van montjouwen, ende want hy te wive hadde Vrou Margriet, die een erf dochter van Voorne was, so was hy oock Heer van Voorne,** ende Burchgraeff van Zeelant. Hy en had geen kinderen, ende hy wert verslagen in den Ludicksen stryt int jaer ons Heeren CID. CCC. XLVI. Die derde soon was Johan Heer van Valckenburch ende van Monjouwe. Hy hadde te wive Johannam des Heeren eenige dochter van Bergen an Soem. Waerom dat hy oock was Heer van Bergen, ende hy sterf sonder kinderen. De eerste dochter was vrou Beatris, die een vrou was van Brederoeden, als voergescreven is. Die ander dochter hiet Philippa, ende sterf oock sonder kinder. Die derde dochter was genoemt Maria, ende was Abdisse van Magoven. Ende aldus na rechten erfrecht so souden die heerschappien van Valckenburch ende van Montjouwen gecomen hebben op de edel Heeren van Brederoeden, maer dat keerden die Princen van Brabant, overmits dat an Brabant gecost was dat Hertochdom van Limborch ende Valckenburch, ende Montjouwen was een quaet leen van Limburch, overmits dattet een broeder scheydingh was. Nochtans so hebben de Heeren van Brederoede gehouden dat wapen van Valckenburch, dat een wapen is mit Limburch, ende dat quartileren sy mit dat wapen van Brederode.

Van


632


Van Heer Reynolt de XIV. Heer van Brederode, die oock
Grave van Genip was.


35.   D A T   X X X V.   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCC. LXXVII. als Heer Diderick van Brederoden begraven was, so wert Heer Reynolt syn soon die XIV. Heer van Brederode. Dese Heer was die eerste die dat wapen van Brederoeden quartilleerde mit dat wapen van Valckenburch, ende dat om die reden, die int voersz Capittel bescreven staet, nochtans so liet hy op Brederoeden bliven die drie baren stelen van lasuer. Hi nam bi syns vaders tyden te wive Johannam de erfdochter van Ghenip, also dat hy van syns wyfs wegen oock was Grave van Ghenip, daer wan hy by vier Deurluchtige sonen, als Diderick, Johan, Walraven, ende Willem. Diderick die eerste geboren soon die versmade die werlt mit al haer weelden, ende wert te Diest int Cathusers clooster een devoet monick int jaer ons Heren CID. CCC. negen ende tachtich. Heer Johan die hadde te wive Johannam des Heren dochter van Apcoude, ende was Heer van Brederoeden na syn vader, ende hy sterf sonder kinder. Die derde soon als Heer Walraven was Graef ende Heer na syn brueder, ende had te wive des Heeren eenige erfdochter van Vianen. De vierde als Joncker Willem van Brederoeden nam te wive des erfdochter van der Merwen in Vlaenderen. Van dese drie sonen sal ick noch eens scryven in de naevolgende Capittelen.


Van Grave Reynolts vromicheden


36.   D A T   X X X V I.   C A P I T T E L.


Als Heer Reynolt van Brederoede by syns vaders tyden Grave van Ghenip was geworden, so maecte hy dat hylick tusschen Grave Johan van Beloys ende Vrou Margriet Hertoch Reynolts van Gelres dochter, dien hy te hulp quam mit grooter macht tegens Willem den Hertoch van Gulick. Int jaer ons Heeren CID. CCC. ses en t'seventich ontrent Mey dach so tooch

die


633


die Graeff Reynolt van Ghenip mit grooter heercracht in die Velu by Wageningen, ende venck daer Henrick den Heer van Homoet, den Joncker van Borclo mit veel ander edelingen Daer na int jaer ons Heren CID. CCC. een ende tachtich des nachts op den 26. dach in Meye so waren binnen Leyden in groot pericul in Dirck van Switens huys dese Heer van Brederoeden mit Heer Philips van Wassenaer Ridder. Ende dit gescieden uyt partyen, want die Cabbeljaus hadden een oploep gemaect om dese Heeren doot te slaen, mer sy wierden verlost van hoer vrienden, ende sy quamen daer van ongeschent.


Van dat oorloch tusschen die van Arckel ende die van Vianen.


37.   D A T   X X X V I I.   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCC. acht ende yachtich so begon den oorloch tusschen Otto den Heer van Arckel ende Pirlepont an die syde, ende Heynrick den Heer van Vyanen ende erfgenaem van der Ameyde an d'ander syde. Sy deden malcander groote schade an beyden syden, want sy sloegen ende vengen melcander mit grooter wreetheyt. Ten lesten so quam Heer Otto die Heer van Arckel mit grooter macht van volck, ende beleyde t'slot van der Ameyde seer vreeselick, ende hy verbrande dat dorp te pulver toe. Die op dat slot waren die beseermden hem selven, so als hy best mochten. Doe quam daer Graef Willem van Oestervant Hertoch Aelbrechts outste soen, ende daingdet, als dat die Her van Arckel soude hebben dat slot met al syn toebehoren, ende des sonde hy lienen den Heer van Vyanen ende Ameyda sestien dusent Rynsche gulden, mit sulcken voirwaerden, wairt dat hy t'einden twie jaren syn gelt weder gaf, so soude dat slot der Ameyde mit die Heerscappie weer gaen tot den Heer van Vianen, t'welck also gesciede. Want na dattet bestant uytgegaen was, so quamen die van Gorichem, ende vernielden al dat int lant van Vianen was. Daer is tegens gecomen Heer Henrick van Vianen, mit groote macht in Laeckervelt, ende heeft daer een stryt begonnen mit basunen ende mit ontwonden banieren. Die van Gorichem die verloren den stryt, en die Heer van Vyanen creech daer also veel gevangen, dat hy die af schattede also veel gelts, dat hy

I. I  II

daer


634


daer mede lossede dat slot ende die Heerschappie van der Ameyde. Daer na int jaer ons Heeren CID. CCC. en negen en tachtich so wert dat oorloch gesoent.


Van Heer Reinolts van Brederoedens doot


38.   D A T   X X X V I I I.   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCC. ende XC. als Heer Reynolt Grave van Ghenip de Heerlicheyt van Brederoeden hadde regiert dertien jaer, so wert hy sieck ende sterff. Dese edel Graef van Ghenyp ende Heer van Brederoeden die gaf om die eere Gods alle dat onse Vrouwen broeders binnen Haerlem behoefden, tottet dack van onser liever Vrouwen kerck in hoeren Clooster. Dese Grave Reynolts wyf als Johanna de Gravinne van Ghenyp die sterf int jaer ons Heren CID. CCCC. ende dertien op den XXIX. dach in Maert, ende leyt begraven . . . . . . . . . Int jaer ons Heeren CID. CCC. twe en t'negentich op sinte Mauritius nacht so dede Graef Willem van Oestervant Hertoch Aelbrechts outste soon dootslaen Joncfrou Alyt van Poelgeest in den Haech, die syns vaders ami was, ende op hoer lyf worden mede dootslagen Willem Kuser Hertoch Aelbrechts Hofmeyster. Ende van desen dootslach quam groot onlust in Hollant.


Van Heer Johan den XV. Heer van Brederoeden.


39.   D A T   X X X I X.   C A P I T T E L.


Doe Heer Reynolt gestorven was, doe wert Johan syn soen de XV, Heer van Brederoeden, overmits dat Diderick syn outste soon was geworden een Cathuser by Diest in Brabant int jaer ons Heren CID. CCC. LXXXIX. daer hy een devoet monnick sterf. Dat Graeffcap van Ghenyp dat behielt Vrou Johanna syn moeder tot hoer lyff, want sy was d'erfdochter van Ghenip. Dese Heer Johan van Brederoeden die nam te wive Johannam des edelen Heer Willems dochter die een Heer was van Apcoude ende Wyck te Duerstede, daer hy geen kinder by en creech. Int jaer ons Heren CID. CCC. XCVIII.

so


635


so toech dese Heer Johan van Brederoeden mit Hertoch Aelbrecht den Graef van Hollant in Vrieslant mit grooter heercracht, ende sy wonnen die victori van den Vriesen. Ende in dat selfde jaer so wert dat Nonnen clooster gefondeert binnen Wyck te Duerstede van der Predicaren oerden. Int jaer ons Heeren CID. CCC. negen en t'negentich in die vasten so ginck dese Heer Johan in Sinte Patricius vegevyer in Ierlant, ende hy quam wederom t'huys op St. Odulphus dach in dat selfde jaer. Hy stichte oock die Capel in de Santpoort in die eer Gods ende Sinte Patricius mit twee missen ter weeck.


Van Heer Johan van Brederoedens leven na dat hy
Monnick geworden was.


40.   D A T   X L. C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCCC. ende een so wert die kerck gewyt int Nonnen-closter te Wyck te Duersteden op ons liefs Heren Hemelvaert dach. Ende als die dienst gedaen was so worden die Nonnen besloten. Des jaers daer na doe ginck Vrou Johanna de Vrou van Brederoeden te Wyck te Duersteden in dat selfde Nonnen clooster, ende Johan de Heer van brederoeden hoer man die wert in dat selfde jaer een Lekebroeder tot den Cathusers buten Utrecht. Ende want hy hem seer

wel


636


wel verstont op de Walsche tonge, so oversette hy doe een boeck, dat hiet Coninck Son, uyt den Walsche in Duytsche, ende is een seer devoet boeck. Oeck so dichte hy veel schone rymen ende dichten ter eeren onser liever Vrouwen van de Engelsche groet, Ave Maria. Int jaer ons Heeren CID. CCCC. en seven, so sterf Heer Willem die Heer van Apcoude ende Wyck te Duersteden, ende wert begraven te Wyck voerseit int Nonnen clooster, ende hy en liet geen kinder after, dan Johannam de Vrou van Brederoeden, die in dat selfde Nonnencloester woende, mer hy had een broeders soen, als Joncker Jacob van Gaesbeeck, Heer Sweer van Gaesbeecx soen, die ontfinck doe die Heerlicheden van Apcoude ende Wyck te Duersteden. Doe wert Heer Johan van Brederoeden geraden, dat hy uyt den Clooster soude gaen, ende crygen oorlof van den Paus syn wyf weder te nemen uyt den cloester, ende also self te besitten die Heerlicheden van Apcoude ende Wyck te Duerstede. Ende als dit aldus gesciede, so wert hem nochtans syn wyf geweygert. Hierom so wert Heer Johan van Brederoden seer toornich, ende quam mit veel gewapender mannen int jaer ons Heeren CID. CCCC. ende thien, ende quam mit machte in die Stede te Wyck, ende nam syn wyf uyt den clooster. Ende als dit verhoerde den Bisscop van Utrecht Frederick van Blankenheim, so quam hy mit grooter macht, ende wan die Stede weder hem off, ende venck Heer Johan van Brederoeden, ende gaffen over gevangen Joncker Jacob van Gaesbeeck, ende syn wyf de Vrou van Brederoden, die besloot hy weer int clooster, ende sy sterf binnen een jaer van rouwen. Ende doe wert Heer Johan van Brederoeden uyt de vangenis gelaten. Endealdus so quam Joncker Jacob van Gaesbeeck an die Heerlicheden van Apcoude ende Wyck te Duersteden. Int jaer ons Heeren CID. CCCC. ende vyftien op Sinte Crispyn ende Crispinianen dach, so was een groot stryt tusschen den Conick van Vranckryck ende den Coninck van Engelant tot Blangys, sommige boecken houden tot Alencoert, ende daer bleven doot veel groter Heren, als Antonis de Hertoch van Brabant, de Hertoch van Baer, de Hertoch van Alentson, Philips die Graeff van Nyvers ende Stampoys, die Heer van Truwy, ende Heer Johan van Brederoeden, die ten dienst was gecomen Hertoch Johans van Bourgoengen. Ende dese stryt

was


637


was gewonnen van den Coninck van Engelant, want die Fransoysen verloren den stryt.


Van Joncker Walraven die Grave van Ghenyp was,
ende de XVI. Heer van Brederoeden.


41.   D A T   X L I.   C A P I T T E L.


Na Heer Johan van brederoeden so was Joncker Walraven syn broeder die XVI. Heer van Brederoeden. Hy was oick Grave van Ghenyp, want Johanna syn moeder de Gravinne was binnen twie jaren daer te voren gestorven, ende hadden dat Graefscap te samen gelaten hoer sonen, als Joncker Walraven ende Joncker Willem. Dese Joncker Walraven Heer van Brederoeden was seer ryck, want hy hadden dese jaers in sekere renten vier ende twintich dusent oude Vrancrycksche schilden. Die zee heeft dees veel genomen ende gedrenct voor Dordrecht korts na syn doot. hy was oock mit al syn broeders deurluchtich geboren. Dese edel Heer was die eersten Heer, die afnam van dat wapen van Brederoeden die drie baren stelen van lasuer, ende hy voerde voertan syn wapen sonder baren stelen, vri gequartilleert mit dat wapen van Valckenburch. Hy was seer vroem van leden, ende een cloeck oirlochs man. Hy nam te wive Johannam de eenighe erfdochter des Heren Heinricks van Vianen ende Ameyde, daer hy by wan Heer Reynolt, die na hem wert Heer van Brederoeden, Vianen, ende ameyde, ende Gysbrecht den DomProest ende Elect Bisscop van Utrecht, ende Vrou Walraven, die een Vrou was van Waerdenburch, Ameroyen, ende Broechuysen, daer hier na of gescreven staet.


Van Joncker Walraven den Heer van Brederoedens gesten tot Vrou
Jacobs tyden.


42.   D A T   X L I I.   C A P I T T E L.


Dese Joncker Walraven Heer van Brederoeden die tooch int jaer ons Heren CID. CCCC. van Hertoch Aelbrechts

LI  II 3

wegen


638


wegen mit veel volcs uyt Staveren, dat doe in der Hollanders macht was, ende hy bevocht dat blochuys te Molckenhuys by Staveren, dat nu heet Molewere. Ende want syn gesellen hem niet trouw by en stonden, so wert hy daer gevangen van de Vriesen, mer niet langh daerna, want hy niet wel en worde bewaert, so quam hy subtiliken uyt dier vangenis. Daerna int jaer ons Heeren CID. CCCC. ende twie op Sinte Pieter ende Pauwels dach so beleyde Graef Willem van Oestervant Hertoch Aelbrechts soon die Stede van Gorichem mit veel edelre Heren ende Jonckeren uyt Hollant ende Zeelant, ende daer was dese Joncker Walraven van Brederoeden mede. Daer gescieden veel slagen by menigerhande tyden ende manieren, ende Johan de Heer van Arkel, daer dit oorloch tegens was, die venck veel Hollantsche Heren, also dat Joncker Walraven van Brederoeden mede gevangen wert. In welcke vangenis dat hy was seven jaer, mer hy creech diewyle geleye uyt te gaen, ende also vryden hy hem selven ten lesten uyt dier vangenis. Int jaer ons Heeren CID. CCCC. ende IV. sterff Hertoch Aelbrecht, ende syn soen Graef Willem van Oestervant die wort Hertoch, ende graef van Henegouwen, Hollant, Zeelant, ende Heer van vrieslant. Dese Hertoch Willem hadde Joncker Walraven van Brederoeden seer lief, ende maicte hem syn overste Raet. Oeck so wan dese Hertoch Willem den Heer van Arkel al syn lanen van Arkel off. Ende ten lesten int jaer ons Heeren CID. CCCC. ende XV. so wert Heer Johan die Heer van Arckel gevangen tot Arpenbrug van den Heer van Sevenbergen, Heer Diderick van der Merwen, ende Philips van der Leck, ende wert Hertoch Willem gelevert. Doe wert die Heer van Arkel in seker gevangenis geset, daer hy in was thien jaer langh.


Van die stryt te Ghorichem, der Heer Walraven die Heer van
Brederoeden in doot bleeff.


43.   D A T   X L I I I.   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCCC. ende XVII. in de Pinxster heyligen daghen so sterff Hertoch Willem Grave van Henegouwen ende Hollant, ende syn dochter vrou Jacoba die was Gra-

vinne


639


vinne van Henegouwen, Hollant, Zeelant ende Vrieslant. Ende Heer Walraven die Heer van Brederoeden, die was in dien tyden Regierer van Hollant. Maer dese Hertoginne en mocht haer vaders erf niet rustelick besitten, want Hertoch Jan haer oem die was hoer contrari mit die Dordrecht, ende Joncker Willem van Arckel, also dat Joncker Willem van Arckel creech weder in die Stede te Gorichem, ende dat slot en conde hy niet crygen. Ende als dit Vrou Jacob vernam so vergaderde sy groot volck, ende liet dat comen tot Gorichem opt slot, ende daer was Joncker Walraven die Heer van Brederoeden een Capeteyn of. Ende doe maicten sy een gat in der Stede muyr om in Gorichem te comen, ende den Joncker van Arckel te bevechten, t'welck also gesciede. Ende Joncker Walraven van Brederoeden dede hem Ridder maken, ende desgelycx Joncker Willem van Arckel wert oock Ridder geslagen, ende daer na so began den stryt. Daer wert vreeselick gevochten, want daer bleven veel Heren doot ende gevangen, ende Vrou Jacoba die won den stryt. Daer bleven beyde doot Willem de Heer van Arckel, ende Walraven den Heer van Brederoeden. Desen stryt gescieden op ten eersten dach van December int jaer ons Heeren voersz. Dat lichaem van Heer Walraven van Brederoeden wert gebrocht in Vyanen, ende is begraven int Choer voer dat hoech outaer des Prochikercks. Dese Heer Walraven Grave van Ghenyp ende Heer van Brederoeden was in syn tyden seer ryck, want hy hadde des jaers in sekere renten vier en twintich dusent olde Vrancrycse scilden. Van welcke renten hy seer veel heeft vercost in den dienst van Hertoch Willem ende Vrou Jacoba syn dochter. Dat Graefschap van Ghenyp heeft hy oock versettet den Hertoch van Cleeff om een groote som van penningen. Ende want syn kinder dat ny en hebben op sekere tyden gelost, so syn sy dat Graefscap quyt geworden. Doe Heer Walraven tot Gorichem verslagen was, doe was Reynolt syn outste soon twie jaer olt, Gysbrecht syn ander soen een jaer, ende Johanna syn Vrou gine grof van hoer derde kint, daer sy an sterf van groot verdriet. Ende dat derde kint was een dochter ende wert genoemt Walraven. Ende als Johanna de Vrou van Brederoeden gestorven was, so wert sy begraven tot Vianen by haer man.

Van


640


Van Joncker Willem van Brederoeden.


44.   D A T   X L I V.   C A P I T T E L.


Joncker Willem van Brederoeden was Heer Walravens broeder, want hy was Heer Reynolts den Heer van Brederoeden syn vierde soen, gelyck voerscreven staet in dat XXXV. Capittel. Dese Joncker vercoste syn andeel an dat Graefscap van Genyp den hertoch van Cleeff. Dese Joncker Willem van Brederoede die was na Heer Walraven den Heer van Brederoeden syns broeders doot momber van syn broeders kinder mit Heer Johan van Vianen Ridder, mer sy en regierdent niet wel. Ten lesten so wert Joncker Willem Momber alleenlick over die goeden te Brederoeden, ende hy gaf hem selven also seer tot die partye, die doe in Hollant regneerde, dat die Cabeljaus partye tot Haerlem dat Hoff tot Brederoeden neder worpen, dat al te schonen casteel plach te wesen. Daer na so wert hy by Wieringen gevangen van den Cabeljaus mit veel volcx, ende sy worden tot Enchusen gebrocht, ende aldaer onthooft, uytgeseyt Joncker Willem van Brederoeden, ende weynich mit hem. Daer na so troude Joncker Willem van Brederoeden de outste dochter van den Heer van Merwen ende Steyn in Vlaenderen, die een edel Bannerheer was, ende syn na neeff was Heer Johan van Hensberch de Bisscop van Ludic, mer hy en wan daer geen kinder by. Dese Heer van Merwen ende Steyn die en liet geen kinder after dan twie dochteren, daer Joncker Willem van Brederoeden den outsten of hadde te wive, ende sy maicten malcanderen al haer goet. Ende daer na int jaer ons Heeren CID. CCCC. ende vyftich so was dat gulden jaer te Romen, ende Joncker Willem van Brederoeden die ginck tot Romen mit syn wyf om die gratie des gulden jaers te verdienen. Ende in dat weder comen so sterff Joncker Willems wyf van die pestelenci, ende omtrent achte dagen daer na so sterf Joncker Willem oock van de pestelenci. Ende als dit vernamen Heer Johan van Hensberch de Biscop van Ludick so toech hy tot Steyn, ende tot alle ander plaetsen, daer Joncker Willem syn cleynodien, juwelen, ende ander guet hadde staen, ende gaf dat Joncker Willems wyfs

suster


641

ende hy brack oock Joncker Willems segel ende brieven, ende maicte ander brieven tot Joncker Willems wyfs suster behoef na syn wil.


Van Heer Reynolt de XVII. Heer van Brederoeden.


45.   D A T   X L V.   C A P I T T E L.


Als Heer Walraven de deurluchtige Heer van brederoeden tot Gorinchem in den stryt was doot gebleven, so is Reynolt syn outste soon geworden de XVII. Heer van Brederoeden. Ende binnen een vierendeel jaers daerna so sterf Heer van Vianen ende Ameyde, ende hy wert begraven tot Vyanen, ende syn Heerlicheden syn gecomen tot Johannam syn eenige dochter de Vrou van Brederoeden, ende leyt begraven tot Vianen. Ende aldus is Reynolt, die Heer van Brederode was, oock geworden Heer van Vyanen ende van Ameyda, welck twie verscheyden Banner - Hofsteden syn. Ende aldus so was hy een Heer van drie Banner - Hofsteden, als Brederoede, Vianen, ende Ameyda. Oeck so was hy Burchgraef van Utrecht, mer want hy noch niet dan twie jaer out was, so hadde hy twie momboirs, als geseyt is in voerdz Capittel. Als hy dan aldus een ellendich weeskint mit syn broeder ende suster gebleven was van vader ende moeder, corts daerna gingen die van Haerlem, ende worpen dat huys om tot Brederoeden, so men noch mercken mach, want dat selve luttel dat daer nu is, dat heeft hy in synen tyden wederom doen maken. Doe benam Hertoch Johan dese voergenoemde weeskinder den dienst van dat lant van Arkel, ende mede een deel dusent cronen, die vrou Jacob van Hollant Heer Walraven van Brederoeden had gegeven in afcortinge van syn uytgeleyde gelden.


Van de dochter van Brederoeden, die een Vrou was
van Waerdenborch.
 


46.   D A T   X L V I.   C A P I T T E L.


Dese Heer Reynolt van Brederoeden hadde als voersz staet een suster, daer syn moeder Vrou Johanna an sterff, ende haer naem was Joncfrou Walraven. Ende dese troude na tot

M m  m m

enen



enen man Heer Gerit, den Heer van Waerdenburch, van Ameroyen, ende broechusen. Ende dese Heer van Waerdenburch is oock een erf hofmeester des Hertochs van Gelre. Ende hy wan by Vrou Walraven de dochter van Brederoeden vyf sonen. die eerste soon was Johan die Heer van Waerdenburch, die voort wan een soon, die Gerit hiet, die ick in myn Vrou van Brederoedens Hof gesien heb by Joncker Frans van Brederoeden. de ander soon was Walraven de Heer van Ameroyen, ende de derde soon was Heer Reynolt van Bruechusen, die Stede van Leyden wan mit hondert en dertich man op eenre morgenstont in de winter, alst over al bevroren was. Ende dat was int jaer ons Heeren CID. CCCC. een tachtich op sinte Agnieten dach. De vierde soon hiet Heer Willem Canonick in den Dom t'Utrecht. Ende de vyfde soon hiet Heer Adriaen, ende was Canonick in de Oude munster t'Utrecht.


Van den opset die gemaect was tegen den Joncker van
Brederoede om hem doot te slaen.


47.   D A T   X L V I I.   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCCC, ende drie en dertich als Reynolt de Joncker van Brederoeden out was XVIII. jaer, ende Vrou Jacob de gravinne van Hollant hadde getrouwet Heer Franck van Borsselen, die na wert Grave van Oestervant, doe quam Hertoch Philips van Bourgongen in den Haech by de selfde Vrou Jacob van Hollant syn nichte, om dat hylick te beletten, of t'lant van haer over te nemen, t'welck also gesciede. Ende in dien tyden was in den Haech een dachvaert geordineert, ende een Ridder, geheten Heer Colaert van Massemen, wert gesonden tot Vyanen om den Joncker van Brederoeden totter selver dachvaert te halen. Als den Renolt de Joncker van Brederoeden in den Haech was gecomen by Vrou Jacob, ende die Cabbeljaus dit sagen, doe maeckten sy een opset mit malcanderen, ende solden hebben gecomen in Vrou Jacobs camer om den selven Joncker daer doot te slaen. Maer alst God woude so vernam dit die goede Ridder van Massemen, ende die quam doe Haestelyck voor Vrou Jacobs camer, ende bleeff voer de doer staen, ende seyde, Hy was die geen die de Joncker van Brederoeden gehaelt hadde, ende daerom watmen den Joncker van Brederoeden dede, dat sol men hem

doen


643


doen. Hier en binnen so wert de Joncker van Brederoeden heymelick van syn vrienden wech geholpen.


Van syn Ridderlycke Oerde die hy te Jerusalem
opt heylich graf ontsinck.


48.   D A T   X L V I I I.   C A P I T T E L.

 

Luttel jaren daerna so toch dese selfde Joncker Reynolt van Brederoden ten heyligen grave te Jerusalem om te visiteren de heylige plaetse, die onse Heere Jesus Christus mit de tegenwoordicheit mit syns selfs persoon geheylicht heeft, ende op dat heylich graf ons Heeren Jesu Christi so ontfinck hy mit groter devotien syn Ridderlike Oerde, ende daer na so quam hy weder tot sine lande. Daer na als hy weder t'huys gecomen was, so ginck Hertoch Philips van Burgoengen Grave van Hollant, ende stelde dese Heer Reynolt Heer van Brederoeden in syn Ridderlike Oerden des gulden vlies, want hy sende ende gaf hem dat gulde vlies te dragen om syn hals, dat was een brede halsbant, daer ommegaens in stonden de vierysers van goude mit die vuerstienen, ende voer op die borst so henck Jasons gulden vlies in een manier van een vel. Ende in dese selfde Oerden waren veel grooter Heren als Coninghen, Hertogen, Graven, ende Princen, als ick noch na wel setten sal in dat LIII. capittel. Als dan Hertoch Philips Heer Reynolt van Brederoden syn Oerde gesent hadde, doe gingen die Cabbeljaus, ende informeerden Hertoch Philips, ende seyden, dat de Heer van Brederoden gecomen was van bastardien uyt Hollant, ende datmen syn wapen solde breken mit den stock, alsmen den Oerden hielt vant gulden vlies. Doe sende Hertoch Philips tot Egmont int clooster, ende in den Hage, om alle die oude scriften te oversien, ende doe vantmen al t'samen gelogen.


Van syn vrouw ende syn getroude kinderen.


49.   D A T   X L I X.   C A P I T T E L.


Daer na om dattet edel geslachte van Brederoeden sonder edel kinder niet en soude bliven, so heefr dese Heer

Reynols


644


Reynols Heer van Brederoden getrouwet by rade van syn vrienden een suverlike edel maget, die genoemt is yolanda, ende haer vader was Heer Willem Heer van Lalleyn, een edel Banner-heer, ende President van Hollant. Ende die selfde Heer van Lalleyn hadde drie broeders, als Heer Sampson van Lalleyn, Heer van Oppervaes, ende Heer Simon van Lalleyn Heer van Montigni, die oeck hadde om den hals dat gulden vlies. Ende Heer Simons soon was Heer Joost van Lalleyn, die namaels oock dat gulden vlies droech om syn hals, ende was Stedehouder van Hollant. Dese edel Vrou van Brederoeden hadde oock vier broederen, als Heer Jacob van Lalleyn, Heer van Vingekoert, Johan de Domproest van Ludick, Philips, ende Antonis Ridderen. De suster hadde tot een man Heer Jacob van Buschuyt, ende sy was joncste suster. Ende deser kinder moeder was des Heeren dochter van Cricky. Dese edel Heer Reynolt Heer van Brederoeden die wan by Yolenda syn edel vrouwe vyff dochteren, ende twie sonen. De outste dochter hiet Juffer Joest van Brederoeden, ende sy ginck int Nonnen cloester te Jerusalem buten Utrecht. Die ander dochter hiet Joffer Johanna van Brederoeden, ende sy was lange tyt de overste Camenier by Vrou Margriet die Hertoginne van Burgoengen, die Hertoch Karels van Burgoengen wyff was, ende sy was Coninck Eduwaerts suster van Engelant. Dese Joffer Johanna liet ten lesten de werelt mit al haer genoechten, ende is geworden een Clarissa binnen Gent. Die derde dochter hiet Vrou Walraven, die getrout heeft Heer Johan van Gavere Heer van Rott. De vierde dochter hiet Joffer Anna, ende die sterff jong. De outste soon hiet Heer Walraven van Brederoden, ende hy wert geboren int jaer ons Heeren CID. CCCC. ende LXII. op sint Seveers dach. De ander soon hiet Joncker Franciscus van Brederoeden, ende hy was geboren int jaer ons Heeren CID. CCCC. en vyf en t'sestich, daechs na sinte Blasius dach. De vyfde dochter hiet Joffer Yolanda van Brederoeden, ende is een Canonissa te Bergen in Henegouwen.

Van


645

van Heer Reynolts victorien tegen die van Gent


50.   D A T   L.   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCCC. en LII. so wert een fel oerloch tuss. hen Hertoch Philips van Bargoengen, ende de Stede van Gent. Ende daer gescieden an beyde syden groote bloetstorting. Ende ten lesten so ontboet Hertoch Philips de Hollanders, dat sy hem te bate comen wouden tegens die van Gent, t'welck also gesciede, want daer toech Heer Johan van Lannoy de Stedehouder van Hollant, Johan de Heer van Wassenaer, ende Joncker Philips van Wassenaer syn broeder, ende Johan van Heemstede mit noch meer ander edel mannen uyt Hollant. Die Stedehouder van Hollant voergenoemt badt oock den Heer van Brederoeden, ende syn broeder Gysbrecht den Domproest van Utrecht, dat sy wilden op hem selven brengen dusent man te wapen, belovende hem goede soudy ende wedding te geven, als sy in Vlaenderen quamen by den Hertoch int heer. T'welk sy also volbrachten, mer sy en ontfongen geen wedding. Die Heer van Brederoeden is dan mit ontwonden banieren, ende blasende basunen, tegens die van Gent int lant Waes gecomen, ende heeft cloeckelicken die van Gent weder gestaen. Ende ten lesten so heeft hy Hulst begrepen mitten Hollanders, om daer veylich in te leggen. Doe dit die van Gent vernamen, so quamen sy wel mit acht dusent man om die Hollanders over te vallen, ende brachten mit hem basten, daer sy de Hollanders mede wouden hangen. Ende als dat die Hollanders vernomen hadden, so togen sy hem tegens mit gescutte ende gerust also vervaerlycken, dat die van Gent de rugge keerden ende gingen loopen. de Hollanders volchden hem na, vengense ende sloegense by groten hopen. In dit selfde oerloch so worden Ridderen gemaict van den Heer van Brederoeden, Johan

die


646


die Heer van Wassenaer, Rutger die Heer van Boetselaer, Asperen, ende van Langeraeck, ende Walraven van Haeften mit noch meer edel mannen. Dit vernam Hertoch Philips van Bargoengen, ende hy wert van dese victory seer verblyt. Ten lesten so wert dit oerloch gesoent, ende nedergeleyt, ende een ygelyck tooch weder thuys. Mer Heer Reynolt die Heer van Brederoeden en ontfinck niet dat hem belooft was, mer wat anders daer voer. Dats quaet voor goet altyt.


Van die electi die Heer Gysbrecht van Brederoeden ontfenck
om Bisscop t'Utrecht te wesen.


51.   D A T   L I.   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCCC. LV. op die XXIV. dach in Maert so sterff Rodolphus de Bisscop van Utrecht, ende wert begraven t'Utrecht in den Dom. Doe sende Hertoch

Philips

[Deze en de navolgende pagina's bevatten veel latijnse stukken. Deze zijn niet overgenomen.]


647

Philips van Burgoengen t'Utrecht Graef Johan van Nassouwen om de eclesi van Utrecht te bidden, dat sy wouden kiesen Heer David syn bastert soen den Bisscop van Trawaen. Arnolt de Hertoch van Gelre quam selfs tot Utrecht, ende bad dat sy kiesen wouden Hertoch Steven van Beyeren den Canonick to Coelen. Die Capittelaer Heren van Utrecht hebben aengeroepen der Heyligen Geest, ende daer na so gingen sy

Kiesen


648

kiesen ende koren eendrachteliken Heer Gysbrecht van Brederoeden, die t'Utrecht op die tyt Domproest was, ende oick

Proest


649

Proest van Oudemunster, uytgeseyt Heer Gerrit van Massche,

ende


 

650

ende Heer Johan van Wittenhorst, die koeren Hertoch Steven

van


651

van Beyeren. Mer na dat sy electi so eendrachtich sagen

op


652

op Heer Gysbrecht van Brederoeden, so riepen sy hair stemmen

weer


653

weer, ende koren oick Heer Gysbrecht den Domproest. Ende

desen


654


655


656


655


656


657


658


659


660


661

desen elexi was also eendrachtich alst oyt geschiede van sinte Odulfs tyden tot dese tyt toe. Dese selfde elexi gesciede des

daechs


662

daechs na Paschen op den VII. dach in April int voersz jaer. Ende aldus so was Heer Gysbrecht van Brederoeden die LIV. gecoren Bisscop van Utrecht, ende hy regierde dat Bisdom een jaer ende vier maenden. Ende hy sloech goude nobels, daer ick'er een af gesien heb, die seer fyn was. Ende in dat selfde jaer so wert hy mit confent des Raets ende

der


663

der Gilden van Utrecht in dat Biscops Hof ingeleyt, als een Bisscop, om daer in te sitten ende recht te doen als een

Heer


664

Heer van Utrecht. Ende in dese tyden so hadden binnen Utrecht grooter macht die Gilden, ende de Gemeente van

der


665

der Stat. Mer Heer Gysbrecht de Elect die ginck hem mit soete woerden an, ende brochtse daer toe, dat sy confenteerden

in


666

in de Stat te comen Heer Reynolt de Heer van Brederoeden syn broeder, Jacob de Joncker van Gaesbeeck, Johan

van


667

van Renes, de Domdeken, ende meer Edelen, die van Bisscop Roelof verdreven waren. Ende als dese Heeren ingecomen waren, so vergaderde hy die meent van beyden partyen, ende begeerde, dat sy een volck wouden wesen, ende hy soude hem een goet herder wesen. Als sy dat allegader belooft hadden, so is een ygelick t'huys gegaen mit grooter vrolicheyt. Mer sommige die 'tregiment gehadt hadden, als sy sagen, dat die geen die verjaecht geweest hadden, aldus weder in gecomen waren, ende begonden macht te crygen in der Stat, so syn sy vervaert geworden, ende sy syn allensken uytgetogen, ende syn gecomen tot Amersfoert, om dat sy wisten, dat die van Amersfoert goet Biscop Roelofs waren geweest, ende sy maecten dair haer vergaderingen ende overdrachten mit melcanderen. Heer Gysbrecht de Elect van Utrecht, die heeft te Romen gesent totten Paus Calixum om de confirmaci des Bisdoms syn Ambassatoers, Heeren, ende Meesters, als Willem Paets, Alfert van Montfoert, Everard Zoudenbalch, Herman van Ryn, Dirck uyter Weer, Ludolf van Horen. Ende dese waren welsprekende Heeren ende Meesters. Hy stelde oick syn gelt in de wisselbanck te Romen, als vier dusent ducaten, die men voor de confirmaci plach te geven, op dat syn Ambaciaten voersz geen gebreck daer by en souden ?yden. Oick so sende hy totten Keyser

Fre


 

 

 


668
 

Frederik om dat swaert ende temporael jurisdixi te ontfangen, 'twelck de Keyser hem oock gaf ende sende.


Van de beletters deser Confirmaci


52.   D A T   L I I.   C A P I T T E L.


Als dan die saem van dese elexi gecomen was over al Hollant, so bedroefden hem die Cabbeljaus partye, ende sy dochten hoe dat sy schalekelicken dese Confirmaci souden mogen beletten, ende sy fenden haer boden tot Bruesel tot Hertoch Philips van Bourgoengen, die aldus spraken ende seyden. O edel Prins, wy hebben lange tyden in vreden geleeft, ende dat overmits uwe groote wysheit, die ons in rusten geregiert heeft. Mer lieve Heer, ist dat Heer Gysbrecht van Brederoeden de confirmaci erget van syner elexi, so syn wy beducht, dat wy al in groten onvreden sullen comen, ende dat ghy oock wel mocht verliesen dat lant van Hollant. Want Heer Reynolt van Brederoeden syn broeder sel staen na lant van Hollant, ende seggen, dat hy van den rechten stam van Hollant gecomen is. Ende dat sel hy goet te doen hebben, als syn broeder Heer van Utrecht is. Want hy heeft thans veel vrienden in Hollant, ende die Oestvriesen staen hem thans oock bereyt. Hierom genadige Heer op dat geen stryt en oerloch en come int lant van Hollant, so waert profyt dattet gekeert worde, dat Heer Gysbrecht geen Bisscop en worde. Ende ist dat uwe Genade dat wil keren, so willen wy u bystant doen mit lyf ende goet, also wy best mogen. Ende als Hertoch Philips dese woerden gehoert hadde, so heeft hy dit gelooft te doen, dat nochtans onreden was. Want die Heer van Brederoeden hadde hem een trou Prins geweest, geliken dat wel scheen int oerloch van Gent, ende in ander wercken. Ende oeck so en quamen niet alsuleke gedachten in syn edel hert, als die verraders daer vertelden voer den Hertoch, want hy was een vreetsamich Heer, ende begeerden nye, dat hem niet toe en behoerde. Doe sende Hertoch Philips te Roem den Biscop

van


669


van Atrecht, dat hy die provisi voer David soude brengen tegens Heer Gysbrecht den Elect van Utrecht. Ende Alfuncius de Coninck van Arragonien die bad oock de Paeus voer David. Ende Hertoch Philips Ambassaten die aalegeerden tegen den Elect van Utrecht, ende seyden dat hy onbequaem was tot dat Bisdom, ende seyden dat hy geen Priester en mochte werden, om dat hy geweest hadde in dat oerloch van Gent. Hierom so hielt die Paus de Ambaciaten des Elects van Utrecht int vertreck. Ende ten lesten so gaf hy Heymeliken

de

[Zes pagina's met latijnse tekst]


670


de provisi Heer David Hertoch Philips bastaert soen, ende sende die totten voersz Hertoch. Ende nochtans so nam hy

de


671


de vier dusent ducaten die Heer Gysbrecht den Elect gesonden hadde voor de Confirmaci, ende en sende hem niet de Con-

firmaci


672


firmaci. Hierom so hadden Heer Gysbrechts Ambaciaten herde woorden mit den Paus. Mer die Paus en vraechden daer niet

veel


673


veel nae, ende hi gaf hem luden al soene woerden, ende dede dat hem beliefde. Ende hy hieltse vast mit een vertreck

daer


674


daer leggen, ende Davids provisi die quam neder tot Hertoch Philips van Bourgoengen.

Van


675


Van dat Hertoch Philips in Hollant quam om David syn Bastaert
soen Bisscop tot Utrecht te maken.


53.   D A T   L I I I.   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCCC. LV. dewyl dat de Ambaciaten voerseyt van beyde int Hoff van Romen waren, so quam op Alreheyligen avont in Hollant in den Haech her

toch


676


toch Philips mit Karel de Graeff van Charloys syn soen, ende mit meer andere mogende Princen ende Heren om David syn bastaert soen te brengen in dat Bisdom van Utrecht. Ende dewyl hy aldus in den Haech lach, so hielt hy daer de staci van synre Oerden, als dat de Princen van dat gulden vlies doe quamen, ende hilden hoer staci mit malcander. Ende dier Princen en syn int getal van ses en twintig, also dat Hertoch Philips, die de Deken was, die was de seven en twintichste. Die Heeren die dan in der Oerden die syn dese, als Alfancius die Coninck van Arragon, Karel de Graef van Charloys, Hertoch Philips soen, Carel die Hertoch van Orliens ende van Valoys, Johan die Hertoch van Halentson, Johan de Hertoch van Cleeff, ende Graeff van der Marck, Ritsaert de Graef van Nuenaer, Franck van Borselen Graef van Oestervant, Reynolt Heer van Brederode, Vianen, Ameyde, ende Burchgraef van Utrecht, Henrick van Borselen Heer van der Veer, Johan de Heer van Truwy ende Chymay, Antonius van Truwy Heer van Persi ende Rent??, Simon van Lalleyn Heer van Montigni, Johan die Heer van Lannoy Stedehouder van Hollant, Willem van Lannoy Heer van Wilrevael, Lovegnus van Lannoy, Heer van Molenbays, Hugo van Lannoy Heer van Santys, Johan die Heer van Cricky, ende van Tannaples, Dilbalt die Heer van Nucasteel, Johan de Heer van Auxi, Baldewyn de Heer van Noyele, Johan van Nucasteel, Heer van Montange, Andreas die Heer van Humieres, Johan die Heer van Foudens, Johan van Melin de Heer van Anthoing, Pieter de Heer van Sarny Johan de bastaert van Santpol Heer van Haudbordin. Ende behalven dese Heeren so quamen daer noch meer ander Heren tot deser feesten, ende daer was groote fierheyt ende jolyt alle dage gemaiet. Doe die van Utrecht vernamen, dat Hertoch Philips syn bastaert soen mit machten woude brengen in dat Bisdom van Utrecht, so dochten sy, dat sy dat wouden wederstaen, ende sy vergaderden victali ende soudenaers in hoer Stat om by hoeren Elect te bliven. Mer die Dekenen van den Gilden had-

den


677


den groote macht op die tyt, ende die togen tot hem die Ribauden ende dat geboeft, also dat sy groot quaet deden in der Stadt, ende sy verdructen de rycdom, guede mannen, die sy som sonder schult vengen, ende som soe setten sy uyt den Raet. Ende dese Gemeent quam op de Noey int jaer ons Heeren CID. CCCC. ses ende vyftich op Sinte Marcus

dach


678


dach ende hadde in den sin veel quaets te doen. Mer als dat hadden vernomen Heer Gysbrecht die Elect van Utrecht, so quam hy hem daer tegens mit den Heer van Brederoeden syn broeder, ende mit Henrick den Burchgrave van Montfoert, ende mit veel volcks om dat quaet te beletten. Ende als sy den Elect sagen, so worden sy vervaert, ende begeerden pays, ende hy gaf hem pays op dusdanighe manieren, als dat sy al hoer wapen souden uytdoen, ende die 't mit hem wouden houden, die overtreden an syn syde, ende terstont so ginghen sy al over ryck ende arm, ende woudent houden mit horen Elect. Doe sette Heer Gysbrecht alle hoer quade ordonnantien off, ende verboet opten hals dat becken slach niet meer te slaen, ende hy sette Regierers van der Stat guede rycke mannen na ouder gewoerden. Ende nae dese tyt so en gesciedet niet meer de oploop van der Gemeente. Johan de Hertoch van Cleeff die dede dikwyl syn best om pays te maken tusschen Hertoch Philips ende Heer Gysbrecht den Elect, mer hy en mochtet niet maicken. Oick Heer Johan van Hensberch de Bisscop van Ludie Heer Gysbrechts neeff, die dede oock seer veel om den pays te macken. Ende op een tyt so beloofde hy den Elect van Utrecht, wairt saeck dat hy die pays niet en mochte maken, hy soude trecken van Hertoch Philips, ende comen den Elect van Utrecht te baten op syns selfs cost mit dusent paerden. Ende als dit hertoch Philips hadde vernomen, so dwanck hy den Bisscop van Ludick, dat hy overgaff dat Bisdom te Ludick Heer Lodewyck van Bouron syn suster soen, dien die van Ludik nochtans niet rustelick en ontfingen.


679


Hoe dat Bisschip David int Bisdom t'Utrecht quam.


54.   D A T   L I V.   C A P I T T E L.


Als Hertoch Philips de provisi voer syn soen David vercregen hadde van Roem, so quamen sommige uit Amersfoert ende uit Renen tot Hertoch Philips in den Haech, ende dair maicten sy hoer overdrachten mit malcander. Ende David die sende Adriaen van Borselen, die zyn bastaert suster hadde te wive, mit veel volcx tot Amersfoort ende Renen om die Steden in te nemen. Ende als dit aldus geschiet was, so quam Everart van der Eyst die Casteleyn van der Horst, die dat Castelynschap belient hadde om seven dusent Rynsche gulden, ende seyde tot Adriaen van Borselen voersz, waert datmen hem syn gelt woude weder geven, hy woude dat Casteel overgeven. T'welck also daer na geschiede. Een weynich tyts daer na so tooch Bisscop David mit Johan den Heer van Wassenaer, ende ander meer volcx tot Gorichem, ende van daer so toch hy te Tyel, ende so voert tot Renen, daer hy ontfangen wert als een Biscop van Utrecht, ende des gelycks te Amersfoort mede. Int jaer ons Heeren CID. CCCC. LVI. op Sinte Marien Magdalenen dach so quam Hertoch Philips mit Carel den Graeff van Charloys syn soen uytten Haeg tot Leyden, en daer bleeff hy leggen een weeck om hem te bedencken, hoe dat hy Utrecht soude mogen winnen, ende David syn soon daer in brengen. De quamen daer tot hem op seker geleyde Heer Reynolt die Heer van Brederoeden, Henrick die Burchgraef van Montfoort, Johan van Renes die Domdeken met syn brueder Jacob Proeys. Ende dese Heeren gingen mit Johan den Hertoch van Cleeff tot Hertoch Philips om die pays te

maic-


680


maicken, Mer daer en quam doe niet aff, ende daerom is een ygelick weder wech gereyst. Doe tooch Hertoch Philips te Woerden, ende van daer tot Yselsteyn. Ende als hy daer was mit Karel den Graeff van Charloys, so sya oock daer toe gecomen Jacob des Hertogen soon van Bourbon, Johan Hertoech van Cleeff, Lodewyck den Graeff van Stampoys, Antonis de Bastaert van Bourgongen, Adolff van Cleeff die Heer van Ravesteyn, den graef van Marle, Wolfert de Graeff van Bochain, de Heer van Truwy, de Heer van Wassenaer, Willem de Heer van Egmont ende Yselsteyn, Johan de Heer van Lannoy Stedehouder van Hollant. Ende de Hertoech van Cleeff is t'Utrecht gecomen, ende heeft mitten Elect gesproken, ende heeft hem veel schone dingen toegelooft, also dat hy begon te luysteren, ende Johan van Renes de Heer van Wulven Ridder, die heeft oock den Elect dair toe gebrocht, dat hy 't soude laten dadingen, dat hy syn elexi soude overgeven, ende men soude hem anders genoech daer voer geven. Ende Heer Gysbrecht den Elect gaf hem selven hier in over, eer dat hy 't syn broeder den Heer van Brederoeden te kennen gaff, die nochtans om syn wil op die tyt veel leets van Hertoch Philips geleden hadde, want hy hadde al syn goeden, die in Hollant lagen, tot syn tafel geleyt. Alfmen dan die soen soude enden, so sende Heer Gysbrecht de Elect tot Hertoch Philips mit den Hertoch van Cleeff syn broeder den Heer van Brederoeden, den Burchgraef van Montfoert, Johan van Renes, de Heer van Wulven, Johan de Domdeken, en Jacob Proeys syn broeder. Ende die pays is aldus gemaickt, dat Heer Gysbrecht van Brederoden soude wycken van syn elexi, ende hy soude voortaen blyven Domproist, als hy te voren was, mer die Proefty van Oudemonster hadde hy overgegeven Willem van Montfoert, ende die soude dat behouden. Voert daer boven so soude Heer Gysbrecht van Brederoeden een Proest wesen tot Sinte Donaes te Brugge, t'welck een ryck Proefty was, ende hy soude oock Raet te Hollant wesen met dubbelde weddinge tot syn lyf. Oeck so soude hy alle jaer tot syn lyf hebben uit dat Bis-

dom

 


681


dom van Utrecht vier duysent ende twee hondert Rynsche gulden, ende voor syn oncosten, die hy om 't Bisdom gedaen

had-

[verder latijnse tekst]


682


hadde, so soude hy eens hebben vyftich dusent goude leuwen. Ende hier voer is borch geworden die Hertoch

van

[verder latijnse tekst]


683


van Cleeff. Ende aldus so is Hertoech Philips mit syn soon David in Utrecht gecomen. Ende als Biscop David in den Dom ginck, so gingen Heer Gysbrecht van Brederoeden de

Dom-

[verder latijnse tekst]


684


Domproest an syn rechter syde, ende Heer Johan Proeys de Domdeken an syn lefter syde. Ende dese twie setten hem in den Bisscop stoel, ende hy swoer alle die privilegien ende rechten van Utrecht te houden, na ouder gewoenten. Na achte dagen beval Hertoch Philips den Heer van Brederoeden, ende syn broeder den Domproest, dat sy die Stat Utrecht regieren ende bewaren souden, ende hy is getogen in dat belech voer Deventer. David de Biscop is getogen ter Horst.


Van den dootslach die Walraven de Bastaert van
Brederoden dede op de Bilt.


55.   D A T   L V.   C A P I T T E L.


In desen tyden so brack een scip mit wol by Santvoert in die heerscappie van Brederoede, ende die Heer van Brederoed-

den

[verder latijnse tekst]


685

 


den die sende daer Walraven syn bastaert soen, om dat te berechten ende te regieren, mer Lubbrecht van Raephorst de Schout van Haerlem mit Claes van Yperen ende Gerrit van Noortwijck die quamen met die schuts van Haerlem, ende spraicken Walraven spytich toe, ende deden hem veel oneers, ende overvielen hem mit machten, ende benamen hem die wol, ende brochtense tot Haerlem, daer hem nochtans die wol niet toe en behoerde, want sy quam uyt Schotlant, ende behoorde toe die Schotten. Walraven wert seer toornich, mer want hy sach, dat sy hem te machtich waren, so liet hy 't doe goet wesen, mer hy dochte op een ander tyt so soude hy 't hem vergelden. Aldus dan so ist gebeurt daer na int jaer ons Heren CID. CCCC. seven ende vyftich so wouden die van Haerlem excys hebben van de Clesi van Haerlem, ende die Priesteren en woudens niet geven. T'is gecomen so verde, dat sy tegen malcander getreden syn in een proces voer den Bisscop, also dat van der Stede wegen getogen syn te Utrecht om mit der Bisscop te spreken Nicolaes van Yperen die Borgemeester van Haerlem, Gerit van Noortwyck Scepen, ende Willem Paeds Secretarius van Haerlen. Ende als sy vernamen dat de Bisscop tot Amersfoert was, so bereyden sy hem daer toe te varen. Dat heeft vernomen Walraven die Bastaert van Brederoeden, ende hy is heymeliken getogen op die Bilt mit een deel gesellen, datter syn Vader die Heer van Brederoeden niet of en wist, en hy heeftse daer gewacht. Als sy daer quamen, so sloech hy daer doot Claes van Yperen, ende Gerrit van Noortich. Ende als dit Heer Reynolt, due Heer van Brederoeden verhoerde, so was hy seer toornich op syn soon Walraven, dat Walraven in lange tyden niet en mocht comen in syn tegenwoordicheyt.

Van


686

 


Van die vereeninge des Bisscops mit den Heer van Brederoden,
ende syn broeder den Domproest.


56.   D A T   L V I.   C A P I T T E L.


Daer na int jaer ons Heeren CID. CCC. ende LX. so maecte Johan de Heer van Lanoy de Stedehouder van Hollant een vriendelike soen van nieus tusschen den Bisscop van Utrecht mit syn vrienden an die een syde, ende de Stat van Utrecht, de Domproest, de Heer van brederoeden, de Burchgrave van Montfoert mit hoir vrienden an de ander syde, ende in dat tractaet so was verdadingt, ende versproken van den ballingen van Utrecht dat sy souden bliven buten der Stadt, als Meester Jan Brant, Gerrit van Ryn, Heer Willem van Bochorst, Evert Proeys, ter tyt toe dattet de Stat van Utrecht, de Domproest, de Heer van Brederoeden, die Burchgraeff van Montfoert, hem dat samentlick gonden in te comen, ende anders niet. Ende dese soen is vriendelike gemaict. Een deel jaeren hier na so badt de Bisscop den Heer van Brederoeden, dat hy hem doch helpen woude, dat hy mocht hebben een braspenninck op den morgen in syn Bisdom, t'welck die Heer van Brederoeden hem te lieve dede syns deels. Ende doe daer sommige waren onwillich, so bad den Bisscop den Heer van Brederoeden, dat hy van Vianen woude laten comen vier hondert man by hem, op dat die onwilligen geen oploep en souden maken tegens hem. Ende dat heeft die Heer van Brederoeden hem oeck te lieve gedaen, ende die Biscop heeft also gecregen opten morgen een baspenningh. Daer na een deel jaren so bad die Bisscop den Heer van Brederoeden, dat Meester Jan Brant mochte confent hebben in Utrecht te comen. Ende die Heer van Brederoeden heeft hem daer oock toe geholpen. Daer na als Meester Reynier des Biscops Raet was geworden, so quam op een morgenstont omtrent ten seven uren Meester Reynier voorseyt tot Heer Reynolt den Heer van Brederoeden, ende Heer Gysbrecht den Domproest syn broeder, ende seyde tot hem beyden, alse dat sy veel woerden hadde gehadt met den Biscop van hem luden, ende dat den Biscop onder ander woerden geseyt hadde; Mocht ik my verlaten op

den


687



den Heer van Brederoeden, ende op syn broeder den Domproest, ick soude my seer verblinden, ende my selven al heel tot hem lieden geven, ende laten ander luden varen. Doe antwoerden de Heer van Brederoeden mit syn broeder, ende seyden tot Meester Reynier: Conden wy hem enich dienst of werck te lieff doen, of yets goedts helpen raden, daer souden wy altoes wel guetwillich toe wesen. Mer als wy geraden ende gedaen hadden, ende t'best volbrocht na ons vermoghen, soude by ons dan verwerpen, ende mit onwaerden van hem setten, als hy sommige gedaen heeft, so en quamen wy niet wel toe. Want wie de Heren helpen wil, die sel veel wedersiens ende onweer die heyt van den gemeenen volck crigen. Ende aldus so heeft Meester Reynier den Heer van Brederoeden ende syn broeder Heer Gysbrecht tot Biscop David gebrocht. Ende den Biscop heeft hem luden geseit, geliken Meester Reynier te voren gesproken heeft. Ende doe antwoorden sy ende seyden: Heer ghy moget u wel vriliken tot ons verlaten, indien wy ons tot u oock verlaten mogen, want als wy al gedaen hadden, dat wy mochten, sond ghy ons dan laten varen, ende ander luden ons over den hals brengen, so souden wy ons  selven verderven. Die Biscop antwoerd; Neen trouwen, dat en is myn meeninge niet. Dat moet verde van my wesen. Ick en sal u niemant over den hals brengen, daer ghy verdriet of foud mogen crigen, ende ick en sal myn hant ende myn trouheit nimmermeer van u beiden halen, ende altyt so sal ick u bystaen mit alle dat ick kan. Dit seide hy al sonder meninghe mit noch meer vrientlicker woerden, die daer aen beiden syden gesproken waren. Ende also syn sy mit grooter vrientscapen van Malkander. Daer na op een tyt so ontboet den Biscop den Heer van Brederoeden ende syn broeder Heer Gysbrecht den Domproest, ende hielt raet mit hem luden van den quaden regiment van Utrecht. Ende int eynde begeerde hy van hem luden, dat sy hem raden ende helpen wouden, dat hy een jaer die vier Overste

setten


688


setten mocht, ende sy holpen hem daer toe, dattet also gefciede, dat niet Biscop in lange jaren gegont was. Ende als sy gecoren waren, drie daghen daer na, so quamen die Overste op des Biscops camer, daer die voerseide Heeren by hem stonden. Ende die Biscop namse by hem mit meester Reynier, ende sy hadden veel woerden van den qaaden regiment van Utrecht. Ende int eynde so beval die Biscop die vier Overste, dat sy in synre absentie souden gaen tot den Heer van Brederoeden, ende syn broeder die Domproest, als sy eenigen raet begeerden. T'welck sy dicke gedaen hebben.


Van dat die Heer van Wassenaer buten Utrecht gehouden
worde.


57.   D A T   L V I I.   C A P I T T E L.


Item corts daer na so quam Johan de Heer van Wassenaer voor die poort t'Utrecht, ende hy wert daer uytgekeert, om dat geseyt hadde tegens die Poertiers, dat hy uyt Vrancryck quam, ende woude tot den Bisscop trecken, ende dat en was niet waer. Doe riet de Domproest , om dat hy loech, datmen niet inlaten soude, ende laten buten omryden, ende dat wert gedaen. Hier wert die Biscop seer toornich, ende beval die vier Overste, dat sy 't den Raet t'Utrecht te kennen souden geven, dattet van synen sin niet en waer, ende

hy


 

 689


hy en woudet niet meer gedaen hebben. Ende hy en sende hier of niet tot den Heer van Brederoeden of tot synen broeder den Domproest. Als dan den Heer van Brederoeden t'Utrecht gecomen was, ende hy dit vernomen hadde, so toech hy na vyf daghen tot den Biscop, ende seyde tot hem aldus: Heer ick heb gehoort dat gy die Overste by u gehalt hebt, ende weert toornich, dat de Heer van Wassenaer buten de Stede gehouden wert, ende daer dunckt my, dat ghy ongelyck in hebt. Want doe ghy die vier Overste bevaelt, dat sy in uwer absentie hem beraden souden met mynen broeder ende met my, ende wat wy voor t'beste rieden, daer waert ghy mede te vreden, aldus so soudt ghy mogelick ierst mynen broeder by den Oversten ontboden hebben tot u, ende soudet hem u Meninghe geseit hebben, ende had minen Broeder dan daer en boven gedaen, so had ghy toernich mogen wesen mit reden. Ende off myn Broeder of ick wat deden, dat u niet en behaechden, soud ghy 't ons eerst niet te kennen geven,  ende seggen wat u meninghe waer. Ende soudet ghy also terstont toornich op ons worden. So mochten wy liever t'huys blyven, dan veel ondancks an beyden syden te vercrigen, daer wy alrede genoech of hebben. Doe antwoerde den Bisscop: Hy hadden t' beste geseit, ende sach node, dattet gerucht in Hertoch Karels Hof quame, dat men syn Ridderschap in synre Stadt buyten sluiten soude sonder reden. Die Heer van Brederoeden seyde daer op aldus: Heer ghy hebt recht daer mede, met ghy seltet ons mogelick seggen, ende weten wy dan iet, dat sellen wy u  wel te kennen geven.


Van den heymelicken opset tegens Heer Reynolt den Heer van
Brederoeden.


58.   D A T   L V I I I.   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCCC. en LXX. so begon de tribulacy des edelen Heren Reynolts van Brederoeden. Welck jaer ons Heeren men mach vinden in de tellicke letteren des vaers Davids des heyligen Propheets inden souter, als in die Psalm Attendite. Welck vaers is aldus: Non sunt occultata à filiis eorum in generatione altera. Als ick dan denck om die tribulaci des edelen Heers van Brederode, so lust my bet te screyen, dan yet daer of te scriven. Waer is dat verstiende hert, dat niet met

me-


690


medelyden bewogen wort, alst hoert hoe dattet edel Hollants bloet sonder schult lelicke gepynicht wort van een bastaert van Bourgongen. Dese tribulaci is te geloven, dat Godt over hem verhenget heeft, op dat syn patienci allen anderen Heeren soude wesen tot een exemel des lydsaemheits, geliken als Sinte Jobs patienti allen anderen menschen tot een exampel gecondicht wert. Veel so syn dan syn tribulatien geweest, ende uyt allen tribulatein so heeft hem de Heere verlost. Syn vianden, die hem dit gedaen hebben, syn geweest sommige edel van geslachte, ende sommige onedel als van die Cabbeljaus partye, die anders geen saken en hadden, dan die parthye, die sy in haer hert drougen. Ende op een tyt als die Heer van Brederoeden van Utrecht soude comen in den Haech, so leyden die Cabbeljaus onder weech lagen van groot volck tot twien steden als op die Hoge wech, ende op die Lage wech, om den Heer van Brederoeden te wachten, ende doot te slaen. Mer wan er op die tyt t'Utrecht een vechtelick geschiede, so bleeff die Heer van Brederoeden t'Utrecht, ende quam doe niet in den Haech, mer een wyl tyts daer nae so quam hy in den Haech. Doe gingen sy hoer volck al heymelick leggen in die kelre van dat huys van Oestervant, ende in de kelre van Gaesbeecks huys, ende van Wassenaer, op dat als sy hoer open sagen, dat sy dan uyt comen souden, ende slaen hem doot. Mer Godt die heeft dat verhanget, dat hy 't vernam, ende hy is als heymeliken wech getogen. Daer na so syn sy al heymeliken getogen tot Hertoch Karel ende tot Biscop David syn bastaert broeder, ende hebben hem mit zyn broeder den Domproest mit valsche logenen vermaict, ende lelike dingen aengebrocht. Want sy dochten schalkeliken, ende seyden tot malcander. Dat wy onse handen daer of houden, mer wy willen hem leveren in de handen des Hertoch Karels, ende Biscop Davids, ende seyden; Laet wy hem dootslaen, dat men niet en weet, dat wy 't gedaen hebben. Wy sellent al doen, ende het sal seinen, of wy daer tie niet gedaen en hadden. Hier toe was Biscop David seer geringe bereit, ende geloofde lichtelick, dat men hem anbrochte, ende dochte, waer die Heer van Brederoeden wech mit syn broeder, so waende hy meerre macht te hebben binnen die Stede van Utrecht

Van


691


Van des Heer van Brederoedens vangenis.


59.   D A T   L I X.   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heren CID. CCCC. ende LXX. op Sinte Vitus dach, dat was des Vrydachs na Pinxter, Heer Reynolt de Heer van Brederoeden, die van dese opsetten niet en wist, is getogen mit syn bastaert sonen ende mit Gerrit van Ryn te Wyck te Duersteden om mit den Biscop te spreken. Ende als hy daer was gecomen, so sach hy een van de Bisscops dienaers, ende syn naem was Phillipot, ende hy bad hem, dat hy gaen woude totten Bisscop, ende seggen hem, dat hy daer gecomen was om wat mit hem te spreken. Phillipot die dede also, ende quam weder, ende seyde: Mun Heer de Bisscop die heeft wat te doen mit syn meester, ende daerom vermoedelick, dat ghy hem voer den eten niet en selt spreecken, off by hem connen. Die Heer van Brederoden ginck horen misse, ende daer na ginck hy in syn herberge om te eten. Ende als hy over syn maeltyt sat, so quamen daer twee des Biscops dienaers, de een mit een overdeckte Scuttel, daer stoer in was, ende de ander hadde twie kannen met wyn, ende seyde totten Heere van Brederoeden aldus: Dit sent u myn Heer van Utrecht, om dat ghy vroliken sout wesen. Die Heer van Brederoeden die danckte de gesellen seer, ende liet hem drincken schwncken. Ende als de Heer van Brederoeden bekant gegeten had, doe bad hy Herman van Wy, die mit hem sat, ende at, also als hy des Biscops dienaer was, dat hy woude gaen tot den Biscop ende vernemen, wanneer hy den Biscop soude mogen spreken. Herman seyde, hy woudet gaerne doen. Ende hy ginge totten Bisscop, ende quam weder, ende seyde tot den Heer van Brederoeden, dat hy wel een ure slapen mocht, de Bisscop soude hem wel laten halen, alst tyde was. Die Heer van Brederode ginck slapen, ende na een ure quam Herman van Wy, ende wecte hem op, ende seyde, dattet tyde waer tot den Bisschop te gaen. de Heer van Brederoede stont op, ende doe hy voert t'Sot quam op die trappen, doe wert hem geseyt van des Biscops gesinde, dat hy Gerrit van Ryn ende syn bastaert sonen mit hem op soude laten comen, ende die ander beneden

laten


692


laten bliven. Ende hy dede also, ende doe hy boven quam, ende daer een wyl tyts gestaen hadde mit meester Antonis Potagi, Heynrick Minneprys, ende meyster Luloff van Campen, so wert een ander duer opgedaen, ende men seyde tot hem, Heer comt gier in tot den Biscop. Ende hy ginck daer in. Ende als hy daer oock een wyl tyts geweest hadde, so quam Alfons mit drie gesellen, daer hy in de Camer sat, tot hem, ende seyde: Myn Heer die ontbiet u, dat ghy niet van hier en gaet buten sinen oerlof. Doe sprack den Heer van Brederoeden, Watbeduyt dit. Ick bid u, dat ghy my brengen wilt by myn Heer den Biscop. Ende kan ick my dan niet verantwoerden, so ist reden, dat ick 'et misgelde. Men sprack weder tot hem; Weest te vreden, ghy sult noch wel by myn Heer comen. Een wyl tyts daer na seyde Alfons tot den heer van Brederoeden. Myn Heer geeft my u mes. Ende als hy dat gedaen hadde, so seyde Alfons: Gaet nu met my, myn Heer wilt het aldus hebben. Ende hy leyde den Heer van brederoeden als een onnosel lam boven in een Camer. Daer was hy den eersten nacht. Ende des anderen nachts so wert hy inden toren gewesen, daer hy in sliep Bartholomæus avont. Dat edel bloet van Brederoeden was hier al lytsaem in, want syn conscenti en tuychden hem niet, dat hy eenich quat hadde gedaen, daer hy om soude vervaert syn. Hy most dan wat lyden, ende het woort Gods most in hem volbracht wesen, dat onse lieve Heer Jesus seyde tot syn discipelen, Die knecht en is niet boven syn Heer. Hebben sy my vervolcht, ende sy sullen oock u vervolgen. Hier en binnen so waren syn bastaert sonen beneden, ende sy kaetsten mit des Biscops dieners, want sy waenden dat haer vader mit den Biscop was sprekende. Mer ten lesten so quam daer een van des Biscops dienaers, ende seyden, Gaet van hier in u herberghe. Doe antwoerde die bastaert Reynolt, Wy en willen nergens gaen sonder onse vader. Als onse vader comt, so sellen wy wel mit hem gaen. Een wyl tyts daer na so wouden die bastaerde weten, waer hoer Heer vader bleeff. Ende doe sy also toornich worden, doe worden die schuts ontboden, ende die bastarden die moesten op hoer sekerheid gaen in hoer herberghe went des anderen daechs.

Van


693


Van den Domproests vangenis mit die andere.


60.   D A T   L X.   C A P I T T E L.


Dese edel Heer van Brederoeden had enen broeder die Gysbrecht hiet, ende was Domproest t'Utrecht, ende hadde hier voertyts gehadt de elexi des Bisdoms, mer hy hadde dat Bisdom Biscop David overgegeven, dat hem ende syne vrienden nu qualicken geloont wert, Waerom dat hy wel mit recht mocht spreken totten Biscop ende segge. En wert my nu niet quat loen gegheven voer dat goet, dat ick u gedaen heb. Dat Bisdom van Utrecht was myn, ende ick hebbet u overgegeven, ende ghy geeft my nu dat loen dat after lande gaat; Dat is: Doet my goet, ick doe u quaet. Dat die Biscop aldus dede, dat machmen in dese schriften wel bevinden. Want also geringe als hy den Heer van Brederoeden gevangen hadde, so dochte hy oeck den Domproest te vangen. Ende van dese selfde achter middach, dat hy den Heer van Brederoeden gevangen hadde, so reet hy mit vier paerden haesteliken nae Utrecht, ende als hy in de Stadt gecomen was, so het hy de xlock luden, ende hy quam geharnast onder syn Blauwen fluwelen tabbert aldereest mit luttel volex op de Plaets. Heer Gysbrecht de Domproest verwonderde hem seer hier of, ende qaum met vier hondert gewapent tot den Biscop, ende dochte den Biscop te helpen. Den Domproest heeft dan den Bisscop gegroet, ende vraechden watter doens was. Die Biscop leyde syn hant op syn schouderen, ende seyde: Het is om u te doen, gaet mit my, ende geeft u gevangen. Ende als hy dat hoorde, so heeft hy hem seer hier van verwondert. Jorys des Domproest bastaert soen, als hy dit sach, so wonde hy mit syn hulpers den Bisscop geslagen hebben, ende hy was bereyt, want hy sach, dat aen syn syde wel was vier man tegens een van des Bisscop syde. Mer die edel Domproest die was edel van gedachten, ende dochte, hy en woude syn hant niet slaen aen den gesalfden Bisscop, ende die heeft dat benomen. Ende want die Domproest dochte, dat hy den Biscop mit soete reden wel soude onderwysen, so is hy mit hem gegaen in des Bisscops Hoff. Ende als

hy


694


hy daer was, so wert hy daer gevanghen, ende en mocht oock niet den Biscop comen te spreken, dien hy self in des Bisscops stoel gesettet hadde. Ende daer was dat edel Hollants bloet die nacht in grooter droefheit. Oeck so dede de Biscop van den selfden avont mitter clock uyt die Stat bannen alle die broetknechten des Heers van Brederoeden, ende des Domproests. Des anderen daechs omtrent den middach so dede die Biscop den Domproest op een wagen setten voer des Biscops Hof op die straet. Ende als die Domproest Sinte Martyns kerck an sach, so liepen hem die tranen uyt syn ogen, ende hy groete Sinte Martyn, ende also quam de Biscop doe mede te wagen, ende sy syn gereyst  te Wyck, ende daer dede de Biscop den Domproest op een ander Camer leggen verscheyden van den Heer van Brederoeden. Doe ontboet die Biscop de bastarden van Brederoeden, datse op t'Slot souden comen. Ende jonge Johan de bastaert, want hy clerck was, ende soude noch Priester worden, so leet men hem gaen, mer die ander vier die worden in een vervaerliken kercker geleyt by malkander. Ende als sy daer vyf dagen in geweest hadden, so worden de drie laten gaen, als Reynolt, Heynrick, ende oude Johan, mer Walraven worden seer vast gesettet. Hier en was Joest die Bastaert niet mede, want hy doe noch seer jong was. Ende om dat de Biscop te bet in syn quaetheit gestyft ende gesterct soude wesen, so is hy getogen t'Utrecht, ende

heeft

[rest latijnse tekst]


695


heeft alle die ballingen in laten comen, die in voerleden tyden uyt Utrecht gejaecht waren, of oock self uytgelopen waren.

Die

[verder latijnse tekst]


 696


Die edel Vrou van Brederoeden, die nu een bedructe Vrou was, die is mit haer kinderen uyt Utrecht getogen, ende is

geco-

[verder latijnse tekst]


 

697


gecomen te Vyanen in haer Stede, om haer daer in te bergen. Ende oick so syn tot Vianen gecomen, om haer te helpen

houden

[verder latijnse tekst]


698

 


houden de Stede van Vianen, de Heer van Brederoedens suster soen uyt Gelrelant, als Walraven de Heer van Ameroyen,

ende

[verder latijnse tekst]


699

 


ende Walraven van Haeften. De Heer van Brederoedens vyanden gingen terstont sayen onder dat volck over al Hollant ende Utrecht, aldus seggende: Hadde de Biscop dese Heeren niet gevangen, hy soude binnen drie daghen een verdreven Biscop geweest hebben, ende so souden sy voert getaelt hebben om Hertoch Karel uyt Hollant te verdriven. Ende dat dit al een versierde logen was, dat machmen hier weten, Want hadden sy dat in den sin gehadt, so en mocht dat nimmermeer het te pas gecomen hebben, dan doe de Biscop den Domproest venck, want doe had de Domproest een faeck, om dat syn broeder gevangen was, ende hy had oeck wel de macht, want hy hadde vier man tegen een. Ende als die Biscop sach dat hem dit wel ter handen ginck, ende dattet de Cabbeljaus selfs wel behaechde, so dochte hy oock mede te vangen Johan van Amerongen den Schout van Utrecht, ende die vinck hy op Sinte Pieters ende Pouwels dach, ende dat aldus: Na dat de Biscop voersz de voergenoemde Heren aldus

ver-

[verder latijnse tekst]


700

 


verraderliken gevangen hadde, so toech Johan van Amerongen uytter Stat om sommige dingen te bescicken van syn selfs wegen, ende hy quam weder in op Sinte Pieters ende Pauwels dach, ende ginck des avonts mede mitten Biscop totter statien in Sinte Pieterskerck. Ende als die Biscop Johan van Amerongen gesien hadde, so ginck hy tot den Biscop ende groetede hem. Die Biscop die toende hem een vriendelick aensicht. Aldus soen dochte Johan geen arch, ende heeft den Bisscop geleyt na dier statie tot des Bisscops Hof. Ende als hy daer was, doe sprack de Bisscop al spottende tot Johan van Amerongen in deser manieren, Jan weest wellekom van den jongen Heer van Gelre. Ende daerom so sprack hy also, recht of hy seggen woude, Ghy hebt tot myn viant geweest om die Heren van Brederoeden te baten te comen tegen my. Johan die dede valst syn ontscult, mer ten mocht hem niet baten, want hy wert daer gevangen, ende wert oock te Wyck gesent inde gevangenis. Oeck so dochte die Biscop te vangen Johan den Burchgraef van Moentfoert, ende Jacob van Nyevelt, mit noch meer andere Edelen, die hem dochte, dat goede gunners waren des Heers van Brederoeden, maer sy by den Biscop niet en quamen.


Van dat Walraven de bastaert ende Johan van Amerongen
gepynicht worden.


61.   D A T   L X I.   C A P I T T E L.


De Heer van Brederoedens vyanden die waren nu seer bly, sy staecken ende braicken in den Haech, ende werschapten, ende waren in dusent vroechden, ende seyden; Die van Brero heeft men eens gesien; recht of se seggen wouden, Men en selfe niet meer sien, ende sy sochten scherpen raet tot allen plaetsen in Hollant, ende int Bisdom van Utrecht, om saicken te vinden, daer die van Brederoeden mede verbuert souden hebben hoer lyf ende goet, mer sy en conden geen saicken vinden, die bewyselick waren. Ten lesten sloten sy hoer raet, dat sy Walraven ende Johan van Amerongen mit pynen souden angaen, ende die souden dan overmits pynen genoech lyden, ende dat docht hem goet raet te wesen. Aldus so syn sy gecomen in den eersten tot Walraven de bastaert,

ende


701

 


ende hebben hem van veel dingen gevraecht, daer Walraven nergens of en wist, ende sonderling so vraechden sy hem ten lesten van dien dootslach, die hy opte Bilt dede, of hy die niet gedaen en hadde uyt beveel syns vaders, welcke dootslach Walraven doe al gesoent hadde. Hy antwoorde ende seyde, dat hy dat gedaen hadde buyten syns vaders weten, ende dat syn Vader seer toornich op hem was daerom. Voert so vraechden sy hem, of hy niet en wist van enich verbant, dat syn vader ende den Domproest gemaect souden hebben mit den jongen Heer van Gelre tegen Biscop David ende Hertoch Carel. Oeck so vraechden sy hem doe Yselsteyn van de Gelresche verbrant worde, of syn vader ende die Domproest daer te voren niet of en wisten. Ende doe hy nergens of en wiste, doe gingen sy hem pynigen op Sint Johannes Baptisten avont, ende die hem pynden waren Gerrit van Zulen, Tyman de Maerschalck, ende Phillipot. Ende sy togen hem syn clederen uyt, ende sy bonden hem seer wredeliken op een banck. dat de teykenen van de koerden menige dagen aen syn lyff bleven staen. Ende als hy in der pinen was, so vraechde hy, Waerom doet ghy dit, wat wilt ghy van my weten, Wist ick wat, ick soudet wel seggen. Sy spraken en seyden, Ghy selt ons de waerheyt seggen van punten, die wy u gevraecht hebben. Ende hy seyde; Ick heb u doch de waerheyt geseyt, dattet also niet geschiet en is. Des anderen daechs, als op Sinte Johans Baptisten dach, so pynichden sy hem weder, ende oock op onser liever Vrouwen visitaci avont, ende op onser Liever Vrouwen dach so hebben sy hem oock seer wredeliken gepynicht mit water, dat sy in syn lyf gegoten hebben, ende hebben op syn buyck gesprongen, om dat hy te wreder gepynicht soude wesen. Sy en hebben niet aengesien de heylige daghen of de heylige avonden, want sy en hebben hem niet gespaert op onser liever Vrouwen dach. Ende aldus is hy gepynicht geweest wel veertich of vyftich reysen, geliken hy self nae vertelt heeft, somwylen eens daechs, somwylen twie reysen daechs, of oeck som wilen driewerff of vierwerff daechs heeft hy moeten lyden die sware tormenten ter tyt toe, dat hy leet al, dat syn geleden wouden hebben. Ende dat en was geen wonder, want hy was diewils gepynicht ter doot toe. Ende wat dat hy leet, dat screven sy in een cedel. Ende desgelycks gingen sy oock py-

nigen


702

 


nigen Jan van Amerongen, ende seyden; Walraven die heeftet doch geleden, Waerom soe wil dy 't versaken. Ghy seltet lyden of wy sullen u also lange pynigen, went ghy 't garen sult seggen. Ende aldus so moste hy mede lyden al dat sy wouden. Dese scriften die sonden sy terstont tot Hertoch Karel, ende seyden, dattet dese twi geleden hadden, op dat Hertoch Karel te toerniger soude worden, ende dat hy soude gebieden, datmen se souden doden. Ende als Hertoch Karel dese scriften gesien hadde, so wert seer toornich, also dat hy die Vrou van Brederoden niet meer en woude hooren bidden voor haer man den Heer van Brederoeden.


Hoe dat Walraven uytter vangenis is gebroken.


62.   D A T   L X I I.   C A P I T T E L.


Als Walraven in dusdanige noot was, so docht hem, dat hy een kint des doots was, ende syn vadet mit Johan van Amerongen den doot niet en mochten ontgaen, hy en wist niet tot wien dat hy hem soude keren, daer hy troest soude mogen vinden, anders dan tot die moeder der gracien, tot die moeder des ontfermherticheits, onse lieve Vrou Maria, die niemant en begeeft, dan die hoer begeeft. Tot haer so heeft hy hem gekeert ende heeft haer syn noot te kennen gegeven mit vierige gebeden, die hy gesproken heeft, ende die heeft hem verlost in dusdaniger maniere: Na dat hy syn peregremagi gelooft hadde te Tienhoven te doen tot onser liever Vrouwen beelt in die gevangenis, so hy die boeyen an syn bienen had, ende hy bad diewils om vers stroo, so sochte hy die harde strootges, ende daer stack hy mede op dat slot van de boejen, ende maecte hem selven los. Ende also maecte hy doe voert trappen in de muer, want hy nam sommige stienen uyt die muer al tot dat veynster dat boven de kerker stont. Doe hy dan sach datter hoep toe was, so bad hy onse lieve Vrou, dat inde ure als hy uyt soude climmen, dattet dan seer soude stormen ende wayen, op dat men hem niet en hoorde. T'welck also gesciet is. Hy scoerde syn klederen, ende breyde daer snoeren of mit dat hoy, ende werp dat snoer an dat veynster, ende maectet daer an al vast, also als

hy


703

 


hy buten was, dat hy 't oock soude mogen of doen, op dat dat snoer hem oock niet en melden. Des nachts dan opter Oclaven van onser liever Vrouwen assumptie, so heeft hy die reys bestaen, ende is uyter gevangenis gecomen, na dat hy gevangen geweest hadde negen weken ende vier dagen. Doe hy dan beneden quam, ende soude dat snoer of doen, so quam een van dese Biscops dienaers, ende soude pissen. Als Walraven dat vernam, so stont hy al stil, ende als die knecht syn water gemaict hadde, so is hy ras weer in de sael gegaen, want het was seer cout, duyster, ende het stormde ende wayde seer, ende het was omtrent elf uren in der nacht. Ende als die knecht ingegaen was, so swam Walraven over, ende quam int voorwerck, daermen tymmerde, ende hy nam mit hem een sperre, daer hy dochte die Leck over te swemmen, op dat hem die cramp niet hinderen en soude in syn bienen int overswemmen. Ende als hy gedoelt hadde overmits de duysternis, ende moste noch eens overswemmen, so quam hy al swemmende by de swanen, ende die swanen worden vervaert, ende sloegen haer vloegelen, ende maecten groot geluyt. Als des Biscops knechten dat geluyt hoerden, so liepen sy ras uyt mit veel bernende keersen, om te besien wat daer waer. Ende Walraven als hy al die keersen sach, so hielt hy hem al stille in dat water. Ende als die knechten de swanen sagen, so spraken sy tot malcander, dattet Walraven hoerde, Het syn die swanen, die hebben gevochten. Laet ons binnen gaen. Ende al dus gingen sy wederom binnen. Doe wist Walraven die wech veel beter te vinden overmits dat licht van de keersen, ende quam also op ten dyck, ende hy ginck voert swemmen in de Leck om an de ander syde te wesen, mer als hy in de Leck quam bekant ten halven, so en mocht hy niet overswemmen, overmits dat die stroem hem te swaer worde. Ende also is hy weder op den dyck gecomen. Doe liep hy omtrent een myle, ende quam daer scepen lagen die over plagen te varen. Ende hy wecte een veerman op, ende begeerde over te varen mit grooter haesten, ende hy veynsde hem, of hy sieck ende gewont hadde geweest. Doe vraechden hem die veerman ende seyde, Van waer com di. Hy antwoerde. Ic com haestelick van Emenes, ende daer was gister een dach gehouden van een dootslach, ende sy worden wederom vechtende, ende ick worde gequetst, ende

ick


704


ick heb anxt, dat sy my noch achtervolgen sullen, ende daerom bid ick u vriendeliken, dat ghy my haesteliken overvaren wilt. Ick selt u wel lonen. Mittien so dede hy syn buydel op, ende gaf hem een gouden penninck, want hy had noch al syn gelt. Sy en hadden hem in de vangenis niet benomen, dan syn silveren halsbant ende syn oraci boeck. Die veerman was bly van den gouden penninck, ende hy maecte syn ever ree, ende gaf hem zyn knecht, ende lietse also t'samen overvaren. Ende diewyl dat de knecht roeyde, so creech Walraven by hem des knechts dagge mit syn messen. Walraven vraechde hem Tot wat plaets seldi my aenbrengen, Hy seyde, by Culenburch. Doe sprack Walraven ende seyde, Neen ick en wil daer niet wesen, mer brengt my in Hagesteyn. Ick selt u wel loonen, of wil dy des niet doen, so wil ick't u doen doen mit dese dagge. Ende als die knecht dit hoorde, doe wert hy vervaert, ende dede also Walraven woude, ende brocht hem in Hagesteyn. Doe gaf Walraven die knecht oock een goude penninck, ende is gegaen voer t'Scouten huys, ende clopte daer an, ende riep, datmen hem in laten woude. De dochter van den huys kende al der eerste syn stem, ende also wert hy daer ingelaten. Sy togen hem cleder an, ende hy warmde hem wel, ende van daer is hy voert gecomen tot Vianen, ende sy hebben hem allegader verwondert hier van. Walraven is hier na getogen tot onse lieve Vrou te Tienhoven, ende heeft syn peregremagie gedaen, ende heeft onse lieve Vrou geoffert een stuck lants, dat jaerlicx rente ses gulden. Ende oock so liet hy schilderen in een bort de maniere, hoe dat hy uyt de gevangenis quam, ende dede dat hangen voor onse lieve Vrou te Tienhoven. Ende als Walraven dus wech gecomen was, so was de Bisscop mit synen quaden Raet al wat begaen, want hy dochte dat Walraven over al vertellen soude, dat hy gepynicht waer geweest, ende dat alle menschen wel souden dencken, dat men met pynen wel doet lyden, dat een nye en dochte. Ende aldus so dochte die Biscop, dat syn wreetheyt uyt comen soude, ende dat hy dan niet bedriven en soude. O wat grooter onderscheyt isser tusschen desen David ende David den heyligen Propheet. Want de eerste David dede goet de geen die hem doden wouden, maer dese David conde wel quaet doen die hem goet deden. Ende dit quam al uyt quader informatien,

ende


705


ende logenen, dien die partyedragers hem aengebrocht hadden. O hoe wel behoeren die Heren voer hem te sien, dat sy niet lichteliken allen logentalen, ende aenbrengers, ende alle geesten en gelooven. Want een logenaer verderft sommels menich goeden mensch, alst hier wel schynt.


Van dat die Heer van Brederoden gepynicht wert.


63.   D A T   L X I I I.   C A P I T T E L.


Omtrent drie weken eer dat Walraven uitgebroken was, ende hy al geleden had, dat sy wouden geleden hebben, so hadde die Biscop mit syn quade Raetsluden enen fellen raet, hoe dat hy den Heer van Brederoeden soude mogen daer toe brengen, dat hy oeck soude lyden, al dat Walraven geleden hadde. Ende laci, dat schant is te seggen, so hebben sy in hoeren raet gesloten, dat eer 't die Heer van Brederoeden niet en soude willen lyden sy souden hem liever mit sware tormenten ende pinen doen lyden. Ende aldus hebben sy hoer ogen verkeert, ende hebben niet aengesien den genen, die in den hemel sit, ende geboden heeft aldus seggende in de oude wet? De onnosele ende rechtveerdige en suldi niet ter door brengen, Mer dat gebot hebben sy al vergeten, ende hebben dat onnosel bloet, ja dat alder edelste Hollant bloet gehandelt oft een dief of moordenaer waer geweest, want sy hebben met swaren pynen hem angegaen, om hem te doen lyden, dat hy nye en dochte, om also saken te vinden, dat sy hem souden mogen doden. Mer God die en heeft dat nochtans niet verhanget, alsmen hier na noch wel horen sal. In dese navolgende manier so hebben sy hem gepynt, want deselfde maniere heb ic gelesen in scriften, die hy self mit syn eygen hant achtergelaten heeft. Omtrent dan des hoochtyts Sinte Petri ad vincula des avonts op Donredach omtrent negen uren so quam Phillipot, Alfons, ende Johan Dauci de Maerschalck totten Heer van Brederoeden opte camer, daer hy lach, ende seyden tot hem: Myn Heer van Utrecht die heeft ons hier tot u gesent mit dese cedule, die wy hier hebben, dat wy u souden vragen van sommige punten. Ende sy begonden hem te vragen van den dootslach die Walraven gedaen hadde op die Bilt, ende van den brant van Ysel

steyn,


706


steyn, ende van den verbant tusschen Adolf den jongen Heer van Gelre, ende dat den Heer van Brederoeden mit syn broeder den Raet, ende die Overste van Utrecht, souden willen verset hebben op enen dach, alsmen een eerste mis soude singen mit noch meer versierde woorden. Ende sy seyden dattet Walraven ende Jan van Amerongen also geseyt hadden. Die Heer van Brederoeden die dochte in hem selven; Nu is my groote bangheit an beyde syden, Want lyde ick dit, soben ick een doot man, ende lyd inckt niet, so en sel ick hoer pyn niet mogen ontgaen. Nochtans geve ick myn selven God op, ende ick sel die waerheyt seggen; ende hy sprack tot hem luden aldus: Men selt nimmermeer van my vernemen, dat ick van dien dootslach yet te voren wist, ende het was my herstelycken leet, dattet geschiet was, ende ick heb daer oock in der staci van der Oerden om gevraecht geweest. Ende van die ander punten, daer ghy my na vraecht, en weet ick niet met allen of, daer wil op leven en sterven. Ende willen Walraven ende Jan van Amerongen anders seggen, later my by comen, sy en sullent niet dorren seggen. Doe spraken sy tot den Heer van Brederoede spitich, ende seyden; U schoone woerden en sullen u niet helpen; ende sy lieten den Bollert op die camer comen mit syn rescap om hem te pynigen. Ende Jan Dauci trat an, ende nam den edel Heer van Brederoden dat gulden vlies van den hals, dat hy niet waerdich en was an te tasten. Ende daerna sagen sy hem an al offet wolven ende leuwen geweest hadden, die hem verschoren wouden, ende sy togen hem syn clederen uyt, ende bonden hem daerna op een pynbanck seer wredelicken, ende sy goten hem dat lyf vol waters also lange dat hy van hem selver niet en wiste een wyl tyts, ende lach al voor doot. Als sy dat saghen, so haesteden sy hem seer, ende ontbonden hem van den banck, ende maickten

groot


707


groot vuer, ende Alfons nam des Heeren lange tabbert, ende deedse hem om, ende sy wreven syn armen, ende syn handen. Ende doe dat een goede wyl geleden was, doe gingen sy hem weder an te vragen, ende seyden; Ghy moet weder op de bank, of ghy sullet ons seggen. Die edel Heer antwoerde met sachten sin: Ghy moget my wel doden, mer dat ick niet en weet, dat en kan ick u niet seggen: Segget my, wat gy geseyt wilt hebben. Ick selt gaeren seggen. Sy seyden van den dootslach, van den brant van Yselsteyn, van den verbant mit Adolf den jongen Heer van Gelre, ende die Overste van Utrecht te versetten. Hy antwoerde: Ghy wilt dat ick u hier van seg. Ick neemt by dat oerdeel, dat God over myn siel oerdelen sel, dat ick hier off niet en weet, off oeck gehoert en heb voer dese tyt. Sy spraken; Ghy moeter weder an. Ende de Maerscalck nam hem by der hant, ende woude hem weder opte banck hebben. Die goedertieren Heer die bad genade an den ongenadigen, ende badt hem luden om Goets wil, dat sy die Biscop seggen wouden, dat hy hem om Goets wil bade, dat hy toch tot hem comen woude. Hy soude hem bedencken, ende soude hem al seggen, dat hy wiste, of bedencken konde. Ende also syn sy gesceyden van hem, want die schone dach begon te comen. Op die selfden dach dan des morgens so quam Phillipot weder tot hem, ende seyde; sy haddent den Bisscop geseyt, ende die had hem bevolen, dat hy hem seggen woude, dat hy 't  scryven soude, dat hy hem seggen woude. Doe seyde die Heer van Brederoeden. Al wist ick die heele werelt mit scryven te winnen, soen soude ick een woort niet connen scryven datmen soude mogen losen. Aldus so ginck Phillipot wech, mer des avonts quamen sy weder om hem een onrustige nacht te maicken, ende seyden tot hem, dat de Biscop veel quaets gesproken hadde, dat sy aldus sonder besceyt van hem gesceyden waren, dat hy hem luden nu seggen

woude,


708


woude, dat hy den Biscop geseit woude hebben. Die Heer van Brederoeden seyde; Segget myn Heer van Utrecht, dat by niet vinden en fel van sulcke punten in my. Mer ick wil myn hooft geern in syn schoot leggen van enich punte, die ick tegens hem misdaen mach hebben, ende wat hy dan van my gedaen wil hebben dat wil ick gaeren doen. Phillipot die seyde, Wat soude myn Heer u doen off seggen, als ghy niet en bekent misdaen te hebben. Ende hy antwoerde; Hy en sel in my niet vinden. Hy laet my hier bleyven ongepynt een jaer lang of twee, ende verneemt hy dan yet in 't waer, dat ick anders weet, dan ick nu seg, soo geef ick hem al, dat ick van hem te leen houde, ende hy laet oock myns Geduchtichs Heren mannen comen. Ick sel my verwilcoren op myn lyf ende goet, ende voert van myn leengoeden ende eygen goeden, die ick in der werlt heb, vintmen dat ick van dese punten weet, so ist my lief, dat myn Geduchtige Heer Hertoch Karel my doe houden an so menigen stuck, als ick leden an myn lyff heb, ende hy neem al myn goet, ende laet myn wyf ende kinder landt lopen om broot. Doe seyde die Maerscalck. Al uwe parabelen en sellen u niet helpen, Wel op ghy moeter weder an. Hy bad genade, ende bad, dat sy beyden wouden went des anderen daechs. Hy soude hem bedencken, ende wat dat hy wiste, dat soude hy hem garen seggen. Sy seyden. Neen, daer en moochdy niet mede deur, Ghy sult ons ander besceyt seggen. Hy seyde, Wildy my immer doot hebben, wilt u God gunnen, ghy hebt'et guet te doen. Sy seyden; waerom wilde 't versaken, want Jan van Amerongen ende Walraven die seggent goet ront. Ende oick so isser een gecomen uyt dat Hof van Gelrelant, als Gysbert van Randwycks soen, die claer genoech seyt, dattet goet te verstaen is, datter verbant is. Doe seyden die Heer van Brederoeden: Wy hebben wel vrientlicke woerden mit den jongen Heer van Gelre gehadt, mer daer en syn geen scriften of, ende men sel daer anders niet vinden. Sy en wouden daer mede niet te vreden wesen, ende daerom doe hy sach, dat hy weder gepynicht soude worden, doe ginck hy wat versieren om de pyn te ontgaen, geliken hy na noch geseyt heeft Philips de bastart van Brabant, den Heer van Crubeeck, ende Meester Jan van Haelwyn, ende na den Heer van Bergen, ende Meester Jan Wael. Des Sonnendachs daer na als die Heer van Brederoeden misse hadde gehoort, so ontboot hy Phillipot, ende seyde tot hem; Myn lieve Heer Casteleyn. Ick hebbe nu misse

gehoort,


709


gehoort, ende hebbe God van hemelryk in des Priesters handen gesien. Ick seg u by den selven God, die over myn siel oordelen sel, ende by den eedt, die ick myn Heer van Bourgoengen gedaen heb, al dat ick geseyt heb, dat heb ick versiert ende gelogen, om de pynen te ontgaen, ende ick bid u om Goets wil, dat ghy 't myn Heer van Utrecht te kennen wilt geven, Hy en sel nimmermeer ander in der waerheyt vinden. Phillipot seyde, hy woude geerne doen, mer hy had anxt, datter de Biscop niet mede te vreden soude wesen. Des Dynsdachs s'avonts daer na quamen sy weder, ende seyden tot hem, of hy met spotten woude, dat hy hem eens geseyt hadde, dat hy dat nu wederriep. Ende sy seyden, Wel op, Ghy moet'er weder an. Hy seyde, Ghy moget my wel doden, mer ghy en seltet nimmermeer anders bevinden. Sy seyden. Wel op, Ghy moet'er an. Hy antwoorde. Ic en wil my selven niet doden, Wilt dy 't my doen. Ick en kans niet keeren. Aldus so togen sy hem uyt den bedde, daer hy in lach, ende gingen mit hem te werck, tot dat hy al overgaf dat hy in syn lyf hadde. Doe seyden sy, Wil dy 's ons niet seggen. Hy antwoerde; wat wildy geseyt hebben. Sy seyden; Jan van Amerongen, ende Walraven hebbent docht bekent, ende ghy wiltet versaken. hy seyde, Laetse by my comen, Ghy sultet vinden, dat sy 't niet seggen en sullen, daer ick 't hoer. Doe seyde Phillipot, ende sat optie trappen, daer men in quam in eenen langen tabbert, die hem de Domproest des Heeren van Brederoedens broeder gegeven hadde, Ghy sultet ons seggen, al soudmen twie jaer lanck alle avont aldus mit u spelen. Doe die Heer van Brederoeden dat hoerde, doe seyde hy. Het is waer, dat ick te voren geseyt heb. Doe seyde Jan Dauci, Ghy sultet vlus weder versaken. Hy seyde, Ick en sal niet. Jan Dauci sprack doe voort, Wildy nemen op u Ridderscap. Daer er woude hy niet op antwoorden. Mer hy bad, dat sy hem doch ontbinden wouden. Want de Maerschalek had hem de houten, daermen mede woelt, op syn scheenen doen woelen, die de Bollert voer onder gewoelt had, ende lach also lange tyt, eer sy hem ontbonden. Ende voert so bad hy al dat hy bidden conste, dat sy hem die nacht voert mit vreden laten wouden. Ende also ontbonden sy hem, ende lieten hem blyven. Des  anderen daechs so quamen sy weder, ende doe had hy hem wat bedocht, hoe dat hy hem seggen soude, om de pyn te ontgaan, ende also als sy doe screven, mer sy screven wel so

veel


710


veel als hy seyde, ende oock meer daer toe, dat hy oock tot Phillipot seyde, doe hy 't teykende. Ende dit bleef doe alsoo staen tot Sinte Bertelemeus avont, dat was daechs daer na als Walraven uytgebroken was. Ende doe quam Phillipot mit Alfons ende meer ander, ende seyden tot hem, dat hy sonde op een ander Camer wesen, de Bisscop woude dat vermaken ende afbreken. Hy ginck mit hem luden, ende sy leyden hem boven op den groten toren, ende sloten hem twee sware boeyen an syn beenen, ende lieten hem daer mede nacht ende dach omtrent een maent lang. Daer na so quam Philips de bastart van Brabant, de Heer van Crubeeck, mit Meester Jan van Haelwyn Raetsheer van Hollant, ende examineerden hem, ende hy waende, dat sy hem gepynicht wouden hebben, want hy sach daer oock de vier, die hem plagen te pynigen, ende daerom so seyde hy de waerheyt van al dat sy hem vraechden. Ende hy was dat gemoet, doe Hertoch Karels raet hem vraechde, dat hy liever gestorven hadde dan eens gelogen.


Van dat die Heer van Brederoeden vervuert werde.


64.   D A T   L X I V.   C A P I T T E L.


Die Biscop van Utrecht die sende scriften tot Hertoch Karel synen broeder van al dat geen dat de Heer van Brederoeden geleden hadde, ende was begeerende, datmen den voerseyden Heer verwysde ter doot, ende datmen daer doden sonde. Ende dit dede de Biscop daerom, op dat hy nietr comen soude tot Hertoch Karels tegenwoordicheit. Want hy dochte, dat hy 't dan versaken soude, ende sonde seggen, dat hy 't van pynen geleden hadde. Hertoch Karel die is seer toernich geworden uyt dier scriften, ende heeft raet mit synen Heren gehouden, watmen mit den Heere van Brederoeden doen soude. Ende sy hebben allegader geraden, datmen hem soude laten comen tot Hertoch Karel, op datmen also te bet tot die waerheit mochte comen. Doe sende Hertoch Karel Johan den Heer van Bergen mit Meester Johan Haelwyn tot Biscop David, om den Heer van Brederoeden ende Johan van Amerongen van daer te brengen tot Hertoch Karel. Aldus so is dan die Heer van Bergen ende Meester Johan Haelwyn tot-

ten


 

 


711


ten Heer van Brederoeden gecommen, ende hadden by hem Phillipot ende die Maerscalck mit enen Scryver, ende eeden hem by God, ende by syn Kerstenheit, ende by den eedt, die hy Hertoch Karel gedaan hadde die waerheyt te seggen van al, dat sy hem vragen souden. Ende hy dede dat gaern. Doe wert hem al veel gevraecht ende seer scerpelick, al had hi den Heer van Bergen bisonder synen vader dootgeslagen, he en mocht hem niet naerre gaen, dan hy dede, mit quade ende vervaerlike woerden, ende dan mit suete bedriechlike woerden, om hem van der waerheyt te leyden. Ende die Heer van Brederoeden heeft hem geseit, daer hy by blyven woude, datmen in der waerheyt so vinden sal, ende oeck noch veel bet verclaten woude, alst Hertoch Karel beliefde, wantet hem luden al veel te scriven was, als hem dochte, na de woerden die sy hem seyden. Mer doe sy twee dagen gescreven hadden, doe quaemen sy opten derden dach weder omtrent vier uren voor middach, ende vraechden hem, of hy 't niet bet verclaren en woude, ende seyden, dat Hertoch Karel hem hadde bevolen dat waerheyt te vernemen, op dat alrescerpste. Ende sy hadden den Bollert by hem, ende lieten hem mit banck ende rescap op die camer comen, ende sy ontkleden hem, ende setten hem op de pynbanck. Ende als hy daer op was gaen sitten, soo seyden sy, Verclaert u sonderlinge van den verbant, ende den dootslach. Die edel Heer van Brederoeden die antwoerde ende seyde. Ghy hebbet my by mynen God end eed besworen. Ik heb u de waerheyt geseyt, ende wil dy 's niet geloven. Siet de Bollert is nu heer. Ick sal myn hals uytsteken, ende besegelent met myn bloet. Ghy en wilt niet dat ick liege, ende ghy en wilt my niet geloven, dat ick u in der waerheyt geseyt hebbe. Doe stont die Heer van Bergen op mit Meester Jan van Haelwyn, ende gingen daer Phillipot ende die Maerscalek stonden op die selve camer, ende spraken een weynich t'samen. Ende doe seyde die Heer van Bergen, Heer van Brederoeden, In der eere Gods so selment u nu verdragen ter tyt toe, dat wy weder comen tot u, Bedenct u wel, wy willent doch weten. Hy antwoerde en seyde; Ik heb u de waerheyt geseit van dat ghy my gevraecht hebt. Vraget my vriliken. Ick sal u de waerheyt wel seggen, daer ick op leven ende sterven wil. Doe seyde die Heer van Bergen; Ghyhebtet al eer wel geseit by uwen eede, dat ghy 't gedaen hebt. Daer

op


712


op so sprack hy aldus: Hier syn dese twie, die by my in myner pienen geweest hebben. Dat yemant van hem beiden segge, Dat ick by minen God off eedt geleden heb, dat ick 'et gedaen soude hebben, ick sel my een lit van mynen vinger of laten houden. Ende die die Heer van Bergen sach, dat hy niet naerre en conde comen, so heeft hy den Heer van Brederoeden mit Johan van Amerongen uyt der vangenis genomen int jaer ons Heeren CID. CCCC. LXXI. omtrent Sinte Pauwels dach conversi, ende is daer mede te scheep getogen tot Bergen an Zoom, om van daer voert te trecken tot Hertoch Kaerl. Mer die Heer van Bergen hadde also lang onder weech geweest, dat Hertoch Karel was getogen in dat oorloch tegen den Coningh van Vrancryck mit syn belegh, dat hy maicte voor Amiens. Ende doe wast bevolen, datmen den Heer van Brederoeden soude brengen mit Jan van Amerongen tot Cortryck in Vlaenderen, om te wachten, went Hertoch Karel weder quam uyt dat oerloch van Vrancryck. T'welcke also gesciede, ende daer so was de Heer van Brederoeden in een hiesche vangenis. Ende syn bastaert soen Reynolt was eens by hem int beginsel al heymelick. Ende na dat Hertoch Karel weder gecomen was omtrent Mey, so worden sy gebrocht opt slot te Repelmont, ende daer waren sy omtrent een jaer langh noch gevangen.


Van dat de Heer van Brederoden vry ende quyt gewyst wert van
Hertoch Karel.


65.   D A T   X L V   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCCC. LXXII. als die Heer van Brederode onsculdich was gevonden van al, datmen hem overgeseit hadde, so daechde Hertog Karel alle de geen, die tegen den Heer van Brederoeden yet seggen woude. Mer daer en quam niemant dan Biscop Davids raet, ende eyste hem weder in syne vangenis te halen. Ende dat en worde niet toegelaten, mer Hertoch Karel gingh te recht sitten op den vier-

den


713


den dach in de Mey, ende die Heer van Brederoeden quam eerliken int recht staen, hebbende by hem Graef Engelbrecht van Nassouwen, Johan den Heer van Cricky, Heer Simon van Lalleyn Heer van Montigni, Heren van der Oerde des gulden vlies, ende noch wel negen of tien Bannerheeren, oft sonen van Bannerheren daer toe van Vrouwe Yolande syns wyfs wegen. Ende syn Advocaet dede de relaci syns onschults also eerliken, dat alle die Heeren hem daer of verwonderden. Ende Hertoch Karel na dat hy den Heer van Brederoeden quyt gewyst hadde, so sprack hy daer na tot Johan den Heer van Cricky, ende Simon van Lalleyn aldus: Want den Heer van Brederoeden aldus Strengelicken besocht is geweest, ende hy nochtans onsculdich gevonden is, so heb ick in den sin hem noch also hoech te verheffen, als hy ye verdruct iss geweest. Ende aldus so is dat onnosel bloet behouden in dien dach. Ende Heer Reynolt die edel Heer van Brederoeden en is God niet ondanckbaer hier van Geweest, mer hy heeft Godt altyt gedanct in syn gebeden van dat hy hem aldus verlost heeft van de handen synre vianden. Ende na dat hy in eerliker manieren in Hollant quam, so ontfingen hem die van Dordrecht mit groter eeren, ende desgelycx so deden oock die van Scoenhoven. Ende also quam hy ten lesten in Vianen tot syns selfs ondersaten. Ende aldaer so quamen oock alle de Overste van den lande van Vianen, ende van der Ameyd, ende ontfengen hem oock mit betamelike manieren. Ende desgelycks so gesciede hem oock in ander Steden van Hollant, in Noordhollant, ende in syns selfs landen van Brederoeden. Ende daerna so is Hertoch Karel in Hollant gecomen, ende die dede hem oock groote eer. Want waer dat hy in Hollant reysde van Stede tot Stede, daer nam hy den Heer van Brederoeden an syn sy, dat alle de Heeren van Brederoedens vianden seer mishaechde. Daerna int jaer ons Heeren CID. CCCC. LXXIII. op Meydach so hielt Hertoch Karel de staci van de Oerden der gulden vlies

tot


714


tot Valencyn in Henegouwen, ende daer so quam die mede Heer Reynolt die edel Heer van Brederoeden als een Heer van der Oerden mit syn gulden vlies om den hals, ende hem so wert daer oock groote eer gedaen. Des jaers daerna want Jan van Amerongen oock onschuldich was gevonden, so is hy mede vry ende quyt gewyst, ende was noch na weder Schout tot Utrecht.


Van Heer Reynolt van Brederoedens doot.


66.   D A T   L X V I.   C A P I T T E L.


Na dat Heer Reynolt de Heer van Brederoeden uyt syn noot ende last vri was geworden, so dochte hy voert, hoe dat hy syn lieve Broeder de Domproest soude helpen mogen uyt Biscop Davids vangenis. Hierom so heeft hy diewils subtielen raet gehouden mit syn magen ende vrienden, die hy oock gebeden heeft, dat sy hem hier helpen wouden, t'welck sy hem geloeft hebben. Als hy dan Hertoch Karel daerom mede gebeden hadde, so screef deselve Heer tot Biscop David syn broeder, biddende hem voer den Domproest, also hy geliken hi sonder misdaet waer, dat hy hem oock soude laten vry uyt de vangenis gaen. Ende in dese tyden dat die edel Heer van Brederoeden dese saick onledich was mit reysen ende mit vrienden te maicken, so is hy haestich sieck geworden van quaden wyn, die hy tot Hairlem hadde gedroncken. Alle die geen die mit hem geweest hadden, die spogen en gaven over alle sat sy gegeten ende gedroncken hadden, mer die Heer van Brederoeden mocht niet overgeven, waerom dat hy sieck tot Vianen quam, ende was daer sick omtrent elf dagen eer hy sterff. Ende doe hy voelde, dat hy sterven soude, so liet hy hem geven syn uytterste sacramenten, ende oock so dede hy tot hem comen syn twie sonen, de Pastoer van Vyanen mit dat volle gerecht van Vyanen. Als dese al by een waren in syn Camer, daer hy sieck lach, ende die Vrou van Brederoeden syn wyff by hem stont, so beval hy die voechdi van syn kinderen syn Vrou na synre doot in tegenwoordicheit van hem allen. Ende daer na so wert hem op syn bedde gelanget Joncker Walraven syn outste soen, ende hy cussede hem, ende beval hem dat

hy


715


hy syn Vrou - moeder alle tyt onderdanich soude wesen. daerna so sterft hy int jaer ons Heeren CID. CCC. Drie en t'seventich op die XVI. dach in Octobri, dat doe vridach was. Ende na syn doot so wouden sommige, datmen op soude sniden, om te vernemen, of hy vergeven waer geweest. Sommige ander meenden, hy war doot, ende men mochts niet weder levendich maken met opsnyden, ende het mocht veel fantesien maken. Waerom dat sy rieden, datmen hem also begraven soude. Ende aldus sonder opsnyden so wert hy binnen Vyanen by syn vader eerliken begraven, na dat hy Heer van Brederoeden waer geweest ses en vyftich jaer. Ende bysonderlinge is te mercken, dat dese edel heer op een Vridach was hy gevangen, op een Vridach was hy verlost van des Biscops vangenis, ende op een Vrydach was hy quyt gewyst van Hertoch Karel, ende op een Vrydach quam hy weder tot Vianen. Noch op een Vrydag so was geboren Joncker Walraven syn outste soon, ende op een Vrydach so sterft hy, als geseyt is, doe hy out was acht ende wyftich jaer. Syn bastert soen Reynolt die nam tot enen wyve Joffer Margriet Jan Ruychrochs dochter, die een Raetsheer van Hollant was, daer hy by wan twie sonen, als Joest ende Reynolt, ende een dochter, die Johanna hiet. Hy timmerde dat hoge huys by de Cappel binnen Heemstede. Ende Jan de bastaert nam te wive Lysbeth Gelis Willemsen dochter binnen Haerlem, daer hy by wan een soon die Joest hiet. Ende jonge Jan de bastert die wert Pastoer van Tienhoven.


Hoe dat Joncker Gysbrecht de Domproest uyt de gevangenis
gecomen is, ende daerna gestorven is.


67.   D A T   L X V I I.   C A P I T T E L.


Als Biscop David vernam, dat die Heer van Brederoeden gestorven was, so hielt hy hem veel te straffer, tegens alle die geen, die arbeiden om den Domproest te verlossen uyt de vangenis, ende ten lesten so worden die Bisscop van dien sin, dat hy hem wel woude uyt de vangenis laten, behoudelicken dat hi de Domproesti over soude geven, ende dat hy hem oock soude verbinden met syn eygen segel te varen uyt

dat


716


dat Bisdom van Utrecht, ende daer niet weder in te comen also lang als hi leefde. Doe dit de Domproest vernam, ende mede dat syn broeder de Heer van Brederoeden gestorven was, so heeft hy dit liever willen doen, dan langer in de vangenis te blyven. Na dat hy dan de Domproesti resigneert

hadde,

[verder Latijnse tekst]


717


hadde, so is Domproest t'Utrecht geworden Meester Simon vander Sluys, die Hertoch Karels medicus was. Die renten, die Joncker Gysbrecht voersz op dat Bisdom van Utrecht tot syn lyf hadde, die heeft hy noch behouden, mit meer andere beneficien ende geestelyck provenuen. Ende aldus so is hy

uyt

[verder Latijnse tekst]


718

 


uyt des Biscops vangenis gecomen int jaer ons Heeren CID. CCCC. en vier en t'seventich omtrent onse liever Vrouwen dach assumptio, na dat hy gevangen geweest hadde

vier

[verder Latijnse tekst]


719

 


vier jaer ende twie maenden. Ende hy is te scheep getogen de Leck neder verby Vianen. Ende doe hy voor Vyanen by dat lant was, so stonden daer op dat Hoeft syn twie neven als

Joncker

[verder Latijnse tekst]


720

 


Joncker Walraven ende Joncker Frans syn broeder soonen, die in syn schip gedaen worden. Ende als hy die gecusset hade, so seyde hy, Hadiu myn lieve neven. Als sy dan weder uyt syn scip gedaen waren, so reysde hy voert tot Breda by Graef Engelbrecht van Nassouwen om aldaer te wonen. Ende als hy daer een jaer gewoont hadde, so sterft hy daer int jaer ons Heren CID. CCCC. LXXV. ende wert tot sinte Geertrudenberch begraven in dat Cathusers clooster. Hy hadde oock veel bastarden, als Meester Mathys Canonick tot Sint Johans t'Utrecht, Joris, Walraven, Heer Reynolt Canonick tot Maestricht, Heer Henrick Canonick tot Borchlo, Antonis, Pieter, ende Pons, Johanna een nonne tot Delf in sinte Agnieten clooster, Heylwich, Willem van der Gouden wyf, Elisabeth, Lambrecht van Hamersvelts wyf, ende Machtelt Gysbert Piecken wyf. Joris nam tot syn andere wyf ..... Philips Ruychroecks enige dochter, die een Raetsheer van Hollant was, en de was Jan Ruychocks soon, die oock Raetsheer van Hollant geweest hadde, ende hy hadde veel sonen ende dochters after gelaten. Item de Biscop van Utrecht en is sonder verdriet na dese tyt niet gebleven, want na twie jaren so is Hertoch Karel van syn vianden verslagen geweest in een stryt voer Nancy. Ende na syn doot so rebelleerden tegen den Biscop die van Utrecht ende die van Amersfoert. Ende de Biscop wert gevangen t'Utrecht, ende tot Amersfoert gebrocht. In die vangenis was hy by twintich

weken

[verder Latijnse tekst]


721

 


weken. Ende hem bewaerde Heer Reynolt van Nruechusen Ridder des Heer van Brederoedens suster soon.


Van Heer Walraven de XVIII. Heer van Brederode.


68.   D A T   L X V I I I.   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCCC. LXXVI. na dat Heer Reynolt die Heer van Brederoeden gestorven was, so in Joncker Walraven syn outste soon, die doe was out elf jaer, geworden Heer van Brederoeden, van Vianen, Burchgraef van Utrecht, ende Heer van der Ameyd. Hy was de achtienste Heer van Brederoeden, ende was geboren int jaer ons Heeren CID. CCCC. ende LXII. op Sinte Seveers dach, die doe was op een Vrudach. Ende Joncker Frans syn broeder, die was geboren int jaer ons Heren CID. CCCC. vyf ende t'sestich daechs na Sinte Blasius dach. Ende want dan Joncker Walraven noch seer jong was soe heeft Vrou Yolenda de Vrou van Brederoeden al hoer soens Heerlicheden aengenomen te regieren, ende sy liet haer die voochdy toe besegelen van Hertoch Karel van Bourgoengen, Grave van Hollant, in alsulcker manieren als die Heer van Brederoeden die voochdy in syn uterste haer bevolen hadde in tegenwoordicheyt des Pastoers, ende des vollen gerechts van Vianen. Sy heeft dan die voochdy geregeert.

vier

[verder Latijnse tekst]


722

 


vier jaer langh, mer sy en mochte niet rustelick regeeren, als men wel lesen mach in dese navolgende Capittelen. Int jaer ons Heren CID. CCCC. LXXIV. so lach Hertoch Karel voer Nuys, ende dat beleg duerde bekant een jaer langh.


Van een oploop die binnen Vianen gesciede.


69.   D A T   L X I X.   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCCC. en LXXV. omtrent ses dagen voer Sinte Severyns dach so waren tot Vyanen gecomen Walraven de Heer van Ameroyen, ende Heer Reyner van Bruechusen Ridder, gebroeders uyt vervolch der Bastarden van Brederoeden, ende wouden hem der voechdyen onderwynden, ende te niet maken, dat de Heer van Brederoeden saliger gedachten in syn uyterste de Vrou van Brederoeden syn wyf bevolen hadde, so hy niemant en wist, die syn kinderen bet regieren soude dan die moeder. Ende hier of so quam een opstal van partien onder de gemeente van Vyanden, also dat de Bastert Walravens knecht Jan genoemt, ende Gerit de Griemer quamen op Sinte Severyns nacht voer Batesteyn ten huse luysteren, ende de wakers worden gewaer, ende riepen van den huse, Wie daer. Mer sy en gaven geen antwoert, ende worpen met steenen na die wakers. Des so quamen doet twie wakers van den huse, als Jan van Beest ende Allert Coel, ende schoten elck enen schoot, also dat Jan de bastarts knecht geraict wort in syn arm. Doe liep hy ende claechdet Heer Reyner voergenoemt, van weleken wort een groot rumoer in der Stat van Vyanen, want de clock wert geslagen alle den heelen nacht deur, ende Heer Reyner sloech de Vyansche poort op by de kerck mit hameren, ende Gysbrecht van Beest nam dat yserwerck uyt de wyntmolen, dat men daer niet mede malen en mocht. Ende die Vrou van Brederoeden seynde twie sack korens op de molen om die te malen, mer Gysbrecht voersz nam dat koren, ende lietet tot sinen huse draegen. Ende sy stonden den gantsen nacht int harnas, ende hadden een bernende heerpan uyt den Raethuse gesteken. Ende die Joncker van Brederoeden mit syn Vrou moeder, broeder, fulteren, ende sommige van syn vrienden, magen ende ondersaten ble-

ven


723


ven op den huse. Ende die Vrou van brederoeden wert mit haer vrienden des nachts te rade, also dat sy boden uyt van den huse seynden mit scriften an den burchhraef van Montfoert, Heer Willem den Proost van Oudemonster, ende die Joffer van Beverweert. Welcke vroech voor de middach tot Vianen quamen, mer binnen tyde eer dat dese voersz quamen, so hadden Walraven van Ameroyen ende Heer Reynier mit de bastarden voersz des Jonckers vrienden van hoer bedden gehaelt, als Willem van Wael, Lubbert van Groenewou. Dirck van Alphen, ende meer ander, ende hem wert groote versmaetheit bewesen mit woorden ende wercken. Ende ten lesten so worden sy also te rade, dat sy Willem van Wael, Dirck van Alphen, ende meer ander boven seyden an die Vrou ende hoer vrienden om te dadingen. Hier en binnen so quam Heer Johan de Burchgraef van Montfoert, Heer Willem die Proost, ende de Joncfrou van Beverweert, de welcke seer lang ende breet tusschen beyden overgingen om gonst ende vrientscap te maken, mer sy en condent niet narre comen, dan dair wort gemaict een compromisse, ende alle ding wert opgestelt tot Meydage toe naestcomende tot verclaringe dan te doen by den Heer van Humbercoert, of die hy daer toe deputeerde. Doe worden daer acht of negen balling slants geleit, als Gerit die Griemer, Henrick Coenensse, Lau Adriaensse, Gerit Struyck, Herman van Mynen, Jan Plunis, Jan Struyck, ende Henrick van der Wey. Ende Walraven van Ameroyen ende Heer Reyner van Broeckhusen mit die bastarden van Brederoden die mosten oeck gaen uyt Vianen, want die Vrou van brederoeden hadde an Heer Walraven van Haeften gescreven, ende die brocht een grooten hoop volcks mit hem. Ende Jan Lueff brocht oock tot der vrouwen behoeff een deel gesellen mit een Capiteyn van den Heer van Humbercoert. Ende aldus so heeft die Vrou van Brederoeden de overhant gehouden, ende sy bleef tot Vianen ende behielt een deel ruteren by haer, ende dede groote cost. Item doe Meydach quam, daer of voersz is, so lach Heer Reyner in dienst des Hertochs Karels van Bourgoengen, also dat dat compromis ende geblyf bleef leggen, want Heer Reyner nye uyt den dienst en quam, dan doe de voersz Hertoge was verslegen voor Nansi, ende Heer Reyner wert in den strijt gevangen, mer corts daer na so coste hy hem selven uyt de

van-


724


vangenis. Ende dit gesciede int jaer ons Heren CID. CCCC. ende LXXVII. op den dertien avont.


Hoe dat Heer Reyner die Stede van Vianen heeft in gecregen.


70.   D A T   L X X.   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCCC. LXXVII. als Hertoch Karel op dertien avont voor Nansi in Loreynen in de stryt doot gebleven was, so is Vrou Mari syn eenige dochter Vrou geworden van syn landen en Heerlicheden. Dese Vrou dede corts daer na Adolf den Prins van Gelre uyt syn vangenis halen, ende tot Gent brengen hy haer. Oeck so maecte dese voersz Vrou in de vasten des jaers voersz Heer Wolfert den Heer van der Veer Stedehouder van Hollant. Welcke Heer van der Veer oock Graef wert van Gramprey, ende Graef van Bochain. In dese selfde vasten, so quam Meester Gerit Calslagen van Gent in Vyanen tot die Vrou van Brederoeden, aldus seggende; Lieve Vrou, myn Heer van Gelre doet u weerdelick groeten, ende hy laet u weten, dat men de ordinanci ende staet van onse Hertoginne Vrou Mari nu by Paescen stellen ende ordineren sal. Ende daerom bid hy u, dat ghy mit u sonn, ende dochteren tot Gent voor Paschen comen wilt, op dat men u kinderen stellen mach mit ander edelen die dienst ende int Hof van onse Hertoginne Vrou Mari. Die edel Vrou van Brederoeden, als sy dit gehoort hadde, so is sy omtrent midvasten getogen tot Gent int Hoff voersz mit alle hare kinderen, sonen, ende dochteren. Ende sy hadde Sweer van Vyanen bevolen dat huys ende Stede van Vyanen mit dat lant van Vyanen te bewaren mitten vrienden, die sy tot Vianen hadde. Daer na opten beloken Paeschdach na middach so quam Sweer van Vyanen van den huse op die Voerstraet, ende daer quam Wouter van der Donck, ende wert scelende mit scerpen woorden tegen Sweer voersz. Ende tot twee herbergen waren vergaderinge van poerteren, ende die quamen Wouter te baten, also alst scheen, dattet een opset was, ende leydent Sweer also na, dat sy hem weder dreven tot Batesteyn opt huys, ende hem so volchden een deel poerters opten huse, die 't mit hem daer onthielden. Als dit aldus gesciet was, so quam Herman Coenen mit een deel gewapenderhant voor die lant-

poert,


725


poert, ende cyseede van den poertier die slotel van des Jonckeren wegen van brederoeden, nochtans was hy contrari den Joncker. Ende die Poertier gaf hem die slotel, ende hy seynde terstont om die ballingen voersz, die tot Hagesteyn lagen, ende wachten op haer hant. Ende als dese by Vyanen gecomen waren, so sloten sy die poort al vast toe, ende sy waren seer sterck int harnas op te straet by een, also dat op ten huyse niemant comen en mocht. Ende sy ontboden Reynolt den bastart van Brederoeden, die op die tyt tot Culenborch lach, dat hy by hem comen woude om hoer Capiteyn te wesen. Doe quam Reynolt die bastaert tot Vyanen, ende had by hem vyf gesellen van Culenburch. Doe screeff Sweer van Vianen een brieff an de Vrou van Brederoeden, om te weten, hoe hy hem hebben soude. Ende hy sende Henrick Maertensse uyt, die op die tyt bode was, after van van Batesteyn off, ende beval hoe hy hem hebben soude int uytgaen ende int weder comen, dat hy al te samen vergat, ende ginck voer de Viaensche poort, ende liet hem daer in laten, ende ginck in Melis huys van Beest, daer was Reynolt die bastart, Henrick van der Wiers, ende meer ander, ende sy visiteerden den brief, ende slotense weder toe. Ende die bode loefde hem luden, als hy weder quam, so soude hy syn antwoert tot hem luden brengen, op dat sy hem daer na rechten mochten, ende also is de bode gereyst na myn Vrou van Brederoeden. Ende Reyner van Broechusen hadden sy oock beschreven by hem tot Vianen te comen. Ende hi quam terstont des Vridachs na beloken Paschen, ende brocht mit hem Ludolf van den Berge, Heere tot Hedel, Albert van Bommel, Govert van Scherpenseel mit veel ruteren, ende doe gingen sy terstont, ende leyden een bolwerck after Batesteyn. Ende des anderen daechs so quamen Johan van vueren, ende Gerit van Broechuysen van Brakel oock mit een deel knechten, ende doe setten sy een waeck after Batesteyn alle nacht. Oeck so hadden sy gesellen geleit in Willem Hysinx huse, die seer schoten int Hof. Ende sy schoten weer van den toern met een groote bosse boven deur Willem Hysinx huse groote gaten. In deser mangelinge so quam die Joncfrou van Beverweert tot Vianen met Philips den Bastert van Bochout om wat goets te doen tusschen beyden, ende sy maeckten een bestant, dat

niemant


726


niemant van genen syden yet doen soude, ende ginck over ende weder over. Mer doe sy sach, dat sy niet bedriven en mochte, so sende sy Philips de bastart voergenoemt boven om Sweer mit syn vrienden te seggen, dat sy niet goets daer in doen en conde, ende dat sy scherp toe souden sien. Ende doe Philips weder van den Hove ginck, so wert hy mit een knipbosse gescoten in syn lyf uyt Willem Hysinx huys boven gelove, daer die Joncfrou voergenoemt seer toornich om was, ende toech terstont uit Vianen. Ende onder desen so quam Walraven de bastart van Brederoeden in Vianen, ende had by hem een deel gesellen uyt Langerack. Ende Reyner van Broechusen wert tot Vyanen Ruwaert gecoren van der Stede ende van den lande van Vyanen, ende van der Ameyden, ende hem wert doe gelooft al sulke costen, als hy in voorleden tyden in de vedemerct ende oick nu gedaen hadde, ende noch doen soude. Item doe begeerde Heer Reyner, dat men hem een deel personen by setten soude uter Stede ende Lande van Vianen, daer hy by doen ende laten mochte, so werden daer gecoren uyt Vyanen Joest Adriaensen, Burger Wouterssen, Heinric van der Wys, Jan Lambrechtsen, ende Gerit Mourissen uyt Heycoep, oude Lubbert van Merkerck, Meynert Dircksen van der Ameyde, Lambert Pieterssen, ende Barent Barentsen van Lexmonde, Herman Albertssen, ende Heyric de With, mer Heynrick en quam niet te Vianen.


Hoe dat Heer reyner van Broechusen Batesteyn als dat slot
van Vianen in creech.


71.   D A T   L X X I.   C A P I T T E L.


Hier na so ontbiet Heer Reyner dese Raetsluden tot Pieter s'Beren huys, ende leyde hem te voren, dat sy hem souden helpen raden, hoe sy Batesteyn beclimmen souden, mer dat wort mit soete woorden hem ontraden, also dat daer niet of en quam. Des anderen daechs so worden geordineert, om tusschen beyden te gaen, Aelbert van Bommel, Wouter Tengnagel, ende Joest Adriaensse om een middel daer in te vinden. So gingen dese drie voorsz boven om te dedingen menichwerff, mer sy en conden daer niet maicken. Ende dewyl

dat


727


dat men dus overginck ende weder over, so quam Heynrick Maertensse de bode van de Vrou van Brederoeden als een verrader, ende had den wech altemael vergeten, die hem Sweer van Vyanen gewesen hadde. Ende hy quam voor Johan van Sand, ende liet hem daer vangen, ende hy had hem der Vrouwen segel, ende slotelen, ende brieven, daer sy haer meninge in geschreven had, daer die van den huse nae gerecht souden hebben. Ende hy wort gebrocht voor Heer Reyner, ende die nam hem al dat hy had. Ende hy had oock mede gebrocht vier of vyf brieven, daer niet in gescreven en was, dan daer stonden onder der Vrouwen ende des Jonckers handt teyckenen om an den vrinden te scriven, ende met den segel te besegelen, dat Heer Reyner tot groter ondeuchden tooch. Des anderen daechs so seynde Heer Reyner Aelbert van Bommel, Govert van Scherpenseel, ende Joest Adrianssen weder boven, ende hy gaf hem mede der Vrouwen segel, ende enen brief, die Joncvrou Oede Zand gescreven had, ende dien de Vrou voersz beteykent hadde, daer in gescreven stont, dat sy hem lieden niet en wist te ontsetten, mer conde sy die deding crygen, dat sy dat nemen souden. Doe Sweer van Vyanen dat hoerde, doe liet hy de dadinge maken. Ende doe wort daer een geblyf gemaeck, als dat alle die poerters, die by Sweer op ten huse waren, souden van den huse gaen, ende Sweer soude daer op bliven met syn gesellen, ende Aelbrecht van Bommel, ende Govert van Scherpenseel, souden by Sweer op ten huse gaen, ende sy souden even sterck wesen, Ende sy deden elck den anderen een eedt, dat sy dat huys mit malcanderen trouwelick bewaren souden, also lange dat die Joncker van Brederoeden, ende Heer Reyner van Broechusen samentlick eendrachtich worden souden in een manier, die sy doe mit malcanderen begrepen. Een corten tyt hier na soo quam die Vrou van Brederoeden tot Scoenhoven ende seynden enen Doctoer, als Meester Jacob den Prior van onser liever vrouwen broederen binnen Scoenhoven, ende Gerit van Peolgeest, an Heer Reyner tot Vianen, om dagen te maken tusschen hem luden om alle ding ten besten te vuegen. Ende daer wort een dach geraemt tot Scoenhoven te komen by Heer Jacob den Grave van Hoern, Heer Wolfert Grave van Gramprey, Heer van der Veer, den Stedehouder van Hollant, Heer Adriaen den

Heer


728


Heer van Cruningen, Burchgraef van Zeelant, Heer Johan van Montfoert den Heer van ackoy, Heer Heynrick van Naeltwyck, Heer Johan van Hamert, Heer Johan van Vyanen Ridderen, ende Gherit van Assendelft. Ende Heer Reyner quam ten dage mit Walraven die bastart, Aelbrecht van Bommel, ende mit sommige poerters van Vyanen. Ende die vrou van Brederoeden hadde by haer Heer Walraven van Haeften Ridder, ende Martyn van Pu?royen. Ende gingen die Heeren over ende weder over, mer daer en quam niet off, overmits dat die Stedehouder van Hollant genen tyt en hadde te verbeyden, want hy terstont ter Goude moste, om dattet daer qualick stont, ende tot anderen plaetsen desgelycx. Ende daer wort eenen anderen dach gemaict op eenen corten tyt, als des Dingesdachs na Pinxteren. Ende doe die Stedehouder mit den anderen Heeren gereyst was, so viel die Graeff van Hoern mit Heer Johan van Hamert an die Vrou van Brederoeden, ende dadingde also mit hoer, dat sy hoeren soon Joncker Walraven den Grave van Hoern mede gaff tot Vyanen te brengen op gelove. Want hy swoer by syn Ridderscap, dat hy hem wederom tot Scoenhoven by syn Vrou moeder soude brengen, 't welck hy niet en dede. Als dan die Grave van Hoern mit den Joncker van Brederoeden tot Vianen quam, ende brocht hem so in Heer Reyners handen, soo gingen sy samentliken op ten huse tot Batesteyn, ende daer most terstont Sweer van Vyanen mit syn gesellen after of van den huse gaen. Ende Heer Reyner nam t'huys in, ende die Joncker van Brederoeden bleeff tot Henrick Pelgrimssen by den Grave van Hoern, Daer na so ginck den Grave van Hoorn mit die Joncker op dat Raethuys, ende daer was die heel Gemeente ende dat lantvolck vergadert. Doe vraechde Heer Reyner hem allen, of sy hem niet ontboden hadden om bystant te doen, dat sy niet overvallen worden. Doe riepen sy allegader ja. Doe vraechde hy noch, of sy hem tot enen Ruwaert gecoren hadden dat lant te regieren tot orber des Jonckers van Brederoeden. Doe riepen sy echter ja. ja. Doe bad dat gemeen volck al samen hoeren lieven Joncker, dat hy dien koer believen woude, sy wouden den Joncker al doen, dat een goede Gemeente horen Heer schuldich is te doen. Ende die Joncker sprack, dattet hem beliefde, want het also

stont


729


stont binnen Vyanen, dat hy niet wel bet en mocht. Want Heer Reyner toende alsulken gelaet mitter Gemeenten opter straet, ende seyden, dat sy horen Joncker by hem houden wouden, also dat die Grave van Hoern mit den Joncker anders niet doen en dorst, dan sy gedaen wouden hebben. Ende doe gingen sy gelyck in den Sloctel teren, ende daer wort terstont gemaict een tractaet, in wat maten Heer Reyner regieren soude. Daer na op ten Manendach na Pinxteren in die heylige dagen doe schoot myn Joncker van Brederoeden mit den Grave van Hoern die Papegay tot Vianen mit noch meer ander Heeren, die daer gecomen waren. Des Dingesdachs daer na so quamen tot Vianen van Scoenhoven Joncfrou Joest ende Joncfrou Johanna myns Jonckeren susteren om te besien hoe dattet met myn Joncker was, ende Heer Reyner ginck met hem tween op Batesteyn, ende leydense in een camer, daer sy lange tyt in blyven mosten. Ende Joffer Oede Zand, die mit de voersz Joncfrouwen quam, moest buten der poerten bliven. Doe ginc sy wandelen op dat bleecvelt an Batesteyn, ende sprack tegen die Joncfrouwen, ende dat wert terstont vermelt, ende Heer Reyner geseit. Doe ginck hy, ende haeldese terstont binnen Vyanen, ende brochtse tot Porslikerts op de camer, ende lietse wel bewaren van vyf gesellen, ende doe ginck Heer Reyner teren by de Heren. Ende na der maeltyt so ginck Heer Reyner mit den Grave van Hoorn tot Batesteyn by de Joncfrouwen, ende spraken daer mede, ende gingen toe tot Juffer Oede Zand, ende spraken mit haer, ende gingen veel reysen over ende weder over. Ende doe Joffer Oede Zand aldus geexamineert was, so gaf men haer oerlof, dat sy weder reysde tot Scoenhoven by myn Vrou van Brederoeden. Ende als myn Vrou voersz van deselve Joffer verstaen hadde, hoe sy hoer lieve kinder tot Vyanen geseynd hadde, ende in wat schyn dat sy daer waren, hoe haer doe te moede was, mach elck by hem selven dencken. Na dat dan alle ding aldus by den Grave van Hoorn gesciet was, so woude hy t'huys reysen, doe dede Heer Reyner syn costen over al in de herberghen rekenen, ende dat most t'gemeen lant betalen voer die goede dadinge, die hy gedadinget hadde. Oeck so wort hem een heynxt gescenckt, daer t'lant van

Vya-


730


Vyanen voor betaelden vyftich Rynsche gulden. Corts daer na so wert Joncfrou Johanna van Vyanen gebrocht tot Breda by der ouder Joncfrouwen ende weduwe van Nassouwen, ende daer na quam sy by Vrou Margriet de oude Hertoginne van Bourgoengen. Ende myn Joncker mit syn suster Joncfrou Joest waren also nau bewaert, dat sy nergent scryven en mochten, of Heer Reyner en had die brieff eerst in syn hant. Noch sy en mochten geen brieven ontfangen, noch mit ymant spreken, ten mosten Heer Reyner eerst wel believen.


Van een opset, die gemaict wert om Vianen weder in te nemen
tot myns Vrouwen behoeff.


72.   D A T   L X X I I.   C A  P I T T E L.


Als dit vast langh gestaen had, dat myn Joncker ende myn Joncfrou aldus scherp bewaert worden, so begant ten lesten wat te vercouden, also dat sy daer na diewyl onder malcanderen gingen, ende mit malcander spreken mochten. Doe dan Joncfrou Joest hoer open sach, so sprack sy op een tyt mit Pieter Pieterssen Tamboryn, of hy genen raet soude mogen vynden om vry te worden van die benauwicheit, daer sy in waren. Pieter Tamboryn gaff hier consent in, want hem docht, dat hy oock wel halff gevangen was, overmits dat hy myns Jonckers Camerlinc was, ende wel so nau bewaert worde als myn Joncker. Ende want daer een deur was in de keucken toorn, daer men deur mocht gaen in de wrande, ende so voert op ten dyck, so ginck Joncfrou Joest al heymelick daer die slotelen hengen, ende hadde een stuck was, daer sy die sleutel in dructe, ende seynde dat tot myn Vrou, die doe woenden tot utrecht. Ende myn vrou liet drie sloetelen maken na dat teycken. Ende Tamboryn besocht die sloetelen ende sy deden dat slot wel op. Doe spraken sy voort myn Joncker, dat hy an syn Vrou moeder screeff, dat sy doch vrienden sien, ende scriven woude, die hem hier in bystant deden. Ende die Vrou van Vyanen verwerff vrienden, als Sweer van Vyanen, Heer Jan van Vianen van Jaersvelt mit Adrian Hack, ende meer ander ruteren, Voert so sprack myn Joncfrou ende

Tam-


731


Tamboryn mit Jan Dircksen de waker, ende hy loofden oock trou te wesen, ende hy soude op de groene tent slaen ende blasen, ende die van buten souden dan angaen. Ende hy soude mede seggen; Weest doch niet al dwaes. Ende want Heer Reyner een hont hadde gaen tusschen die mueren, so seynden sy an myn Vrou, dat sy hoer seynden soude venyn, daer sy den voersz hont mede vergeven mochten, op dat hy niet en baste, als 'et gescien soude. Ende myn Vrou seynde hoer de vergiffenis in een bus, ende screef an hoer dochter mede, als sy dat geoirboirt hadde, dat sy dan die bus in een heimelicheit werpen soude, ende den brief soude sy bernen, t'welck sy niet en deden, daer na veel onrusten of quam. Als dan dese voirsz saicken lang stonden, eer't volbracht werde, so began Heer Reyner hier of wat te vernemen, waerom hy die waker of settede, ende stelde een ander waker in syn stede. Oeck so liet hy ruteren in komen, ende sach self seer scerp toe. Item op Sinte Valeriaens nacht int jaer van LXXVII. so quam Sweer van Vianen mit den voergenoemden personen voer Vyanen, ende meenden op hoer opset voert te gaen, mar sy en vondens daer also niet, als hem toegeseit was, daer sy doe niet wel in te vreden en waren, ende hielden hem stil after onder t'huys. Soe sagen sy ten lesten licht op t'huys, ende Heer Reyner riep enen toe opt huys, ende oock so hoorden sy harnas rammelen. Doe seyde Adriaen Haeck, laet ons oftrecken, want dat opset is begroken Ende so reysden sy weder of sonder meer gerusts te maken. Des morgens vroech so dede Heer Reyner die Bastarden, by hem comen, ende ginck in die camer by myn Joncker ende myn Joncfrou, die op die tyt by een waren, ende gaff hem die saicke te kennen seer wredelyck, ende sprack seer spitich, ende hy woude myn Joncker van syn Suster versceiden hebben. Mer myn Joncker nam syn Suster om den hals, ende en woude niet van haer wesen, Doe tooch Jorys die bastart by den arm myn Joncker van syn suster, ende brocht hem in de ander camer, ende myn Joncfrou wert doe gedaen in die Staet-camer, dat niemant by haer comen en mocht, dan een dienst-Joffer, die altyd by hoer was. Ende Pieter Tamboryn die waicker worden in den stock geleyt als quade verraders. Doe ginck

Heer


732


Heer Reyner ende dede Joffer Joosten koffer op, ende socht of hy enich bescheit van den opset vinden mochte ende hy vant den brief van der vergiffenis, daer of gescreven is. Doe maecte Heer Reyner syn beclacht daer op seer groot, ende gaft der Stat van Utrecht ende den Burchgraeff van Montfoert te kennen, hoe dat myn Vrou van Brederoeden mit hoer dochter hem vergeven wouden, ende toenden hem den brieff. Doe most myn Vrou by sonneschyn uyt der Stat van Utrecht, ende sy wort uytgeleyt, of sy een misdadich wyf waer geweest. Ende myn Vrou ginck tot Jherusalem buten Utrecht int cloester, ende bleeff daer lange tyt leggen. Niet lange hier na so liet Heer Reyner den Bolsert halen, ende Tamboryn ende den waicker dede hy seer pynen, ende examineren, ende woude geseyt hebben, wie sy waren, die van den opset wisten. Doe liet Heer Reyner noch meer luden vangen van den ondersaten, mer ten lesten, want sy geen schult en hadden, so quamen sy weder uyt. Mer want Tamboryn ende die waker seer gepynicht waren, ende hoer saicken mosten setten na Heer Reyners wil. so leyde hem Heer Reyner een dach van rechten, ende hy liet drie of vier karren sands voer dat Raethuys halen, want hy daer die justici woude laten gescien. Doe seynden die van Utrecht goede mannen uytter Geestelicheyt ende Weerlicheyt tot Vianen, ende en hadden niet gaerne gesien, datter justici geschiet had, want die saeck was myns Jonckeren saeck. Ende sy begeerden op Heer Reyner, dat hy die Justici vertrecken woude. Ende die van Utrecht reysden vast ging ende weder. Ende int eynde so gaf Heer Reyner die gevangen. die Stadt van Utrecht, ende so worden sy voert myn Vrou van Brederoeden weder gegeven. Ende myn Vrou was doe weder in Utrecht gecomen.


Hoe dat Heer Reyner weder uyt Vianen gedadingt wert.


73.   D A T   L X X I I I.   C A P I T T E L.


Heer Reyner van Broechusen heeft dan also geregeert tot Vyanen, ende in de landen van Vyanen ende der Ameyde, ende bewysde hem so in myns Jonckers renten ende gueden,

dattet


733


dattet syn magen ende vrienden began te verdrieten. Ende die Burchgraeff van Montfoert, ende die Proost van Oudenmonster mit meer ander brochtent also verde, dat tot Utrecht eenen dach ordineert wort, so myn Vrou daer lach. Ende Heer Reyner quam tot Utrecht, ende bracht myn Joncker mede. Die van Utrecht ontfingen myn Joncker seer eerliken, ende costeliken. Van den eersten dach en quam niet, ende daer worden ander dagen gemaect, ende elck setten syn dingen int scrift. Ende doe die arbiters der dadincx eens waren geworden, ende die brief daer of besegelt was int jaer ons Heeren CID. CCCC. LXXVIII. op den vyftien dach in Junio, so wert Heer Reyner gescreven t'Utrecht te comen om die uytsprake te horen. Ende als Heer Reyner t'Utrecht quam, so worden die arbiters van sulcken rade, datmen tot Montfoert reysen soude, om daer die uytspraeck te doen. Ende als sy dan daer gereyst waren, so deden sy dair hoer uytspraeck, ende gaven elck syn brieven. Mer Heer Reyner en woude geen brief ontfangen, want hy en woude dat seggen niet houden, ende heeft myn Jonckers lant ende goet geregiert na syn wil. Waerom dat myn Vrou is getogen tot Brederoeden mitter woen, ende heeftet God opgegeven. Ende sy heeft beyde hoer sonen tot Loven ter scolen geseynt om te leeren, ende Joncfrou Joest is gegaen int clooster te Iherusalem buten Utrecht. Daerna int jaar ons Heeren CID. CCCC. negen en t'seventich so verdreef Heer Reyner tot Vianen alle die bastarden van Brederoeden, ende noch sommmich ander van hoer vrienden, die hem tot Vianen gebrocht hadden, t'welck hoer loen wel was. Ende daerna op dertien dusent martelaren dach s'morgens vro voer den dage, so liet Heer Reyner vierdalff hondert ruteren after op Batesteyn in comen. Ende daer dwang hy mede de Gemeente van Vyanen, dat sy hem alle hulde ende ede mosten doen hem hout ende trou te wesen, syn best te doen, ende hem alle gewelden te helpen wederstaen, het waer oock tegen wie dattet waer, alwaer oock tegens haer selfs Heer, die tyt van syn Ruwaertscap duerende, ende daet en tenden niet van hem te sceyden, hy ende de Gemeen waren eerst tegen myn Joncker ende syn broeder ende susteren versoent ende

ver-


734


vereenicht. Hierna so heeft Heer Reyner een rekeningh voortgebrocht, die seer groot was van penningen, die hy voer ende na verleyt ende claechde, dat hy 's niet langer te verleggen hadde, ende dat hem oock geloeft was, datmen hem al syn costen voor ende na wel betalen soude. Waerom dat hy eyste vier stuvers van den mergen, myns Jonckeren lant uytgeseyt, twelck hy al creech. Ten lesten als syn Ruwaertscap ten eynde begon te comen, so sprack Willem van Wael ende Willem van Nes, ofmen geen manier soude mogen vinden, datmen Heer Reyner mit een redelicke dading uyt Vianen soude mogen crygen. Als dan Heer Reyner hier of gesproken was, ende het hem wel beliefde, so seynden die van Vyanen tot Heer Johan den Heer van Lalleyng, ende tot die vrou van Brederoden, dat sy tot Vianen comen souden om een dading te vinden, datmen Heer Reyner uyt Vyanen mochte crygen. Als sy dan daer gecomen waren, soo heeft die Burchgraef van Montfoert daer mede also in gedadingt, dat Heer Reyner soude Vianen rumen, ende tot Montfoert soude hy ontfangen vier dusent gouden Rynsche gulden. Aldus dan int jaer ons Heeren CID. CCCC. ende LXXXX. des Manendachs na Paschen, so quam Joncker Lodewyck van Montfoert tot Vianen, ende nam Vianen in tot myns Jonckers behoef van Brederoden, ende Heer Reyner gaf hem die slotelen van Stede ende van huse, ende hy reusde uyt Vianen tot Montfoert, ende daer ontfeng hy syn vier dusent Rynsche gulden. Hier na so is Joncker Walraven van Brederoeden tot Vyanen gecomen mitten Heer van der Veer ende mitten Heer van Lalleyng syn Oem. Daerna so gingen sy t'samen op dat Raethuys, daer die heel Gemeent ende dat lantvolck van Vyanen ende van der Ameyd vergadert waren, ende daer wort myn Joncker gehult, ende swoeren hem alle hout ende trouwe te wesen. Ende die Heer van der Veer ende myn Joncker, dat hy een goet Heer soude wesen. Ende myn Joncker sette t'Gerecht tot Vyanen, ende myn Joncker maecte Dirc van Zuylen Drossaet tot Vianen, ende hy was een jaer Drossaet. Daer ten enden so wort Drossaet van Vyanen Joris die bastart, ende doe toech myn Joncker weer ter Veer by den Heer van der Veer.

Hoe


735


Hoe die Heer van Swanenburch heeft Vyanen ingenomen.


74. D A T   L X X I V. C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCCC. twie ende tachtich so was een groot oerloch tusschen de Hollanders ende die van Utrecht, ende sommige die uyt Utrecht verdreven waren, die waren geweken tot Vianen, ende onthieldent daer, dat die van Utrecht niet en beliefden. Op die tyt so woonde binnen Vyanen een, die genoemt was Gysbert van Baest, ende was myns Jonckeren Dyckgrave van den Lande van Vyanen, ende die partide seer mit die van Utrecht tegens Hollant. Want hy besorchde provande op dat Blocjuys op de Vaert, daer die van Utrecht op lagen om Hollant te beschadigen. Mer Joris die drossaet mit de heele Raet van Vianen seyden hem, dattet also niet en behoerde, mit veel meer ander woerden. Mer hy en woudet niet laten. Daerna is Gysbrecht tot Utrecht getogen, ende heeft die van Utrecht belooft Vyanen te leveren, om daer uyt te oorlogen tegens de Hollanders, also veer als sy hem ruteren ende hulp daer toe doen wilden. Die van Utrecht hebbent hem beloeft te doen. Ende hy is weder in Vyanen gecomen, ende heeft op haer hant gewacht in de waeck op Geenkens poert des nachts na den Sonnendach Lætare in de vasten. Ende in de selfde nacht so seynden die van Utrecht na Vianen Heer Vincent van Swanenborch Ridder, die een van hoer principael Capiteynen was, ende deden hem mede veel ruteren. Ende also syn sy heymelick mit ladderen ende instrumenten gecomen in der nacht voer Vyanen, ende sy syn ten lesten ingecomen. Ende want die Poerters hem te weer setten, so bleven mitten eersten een deel doot, mer ten lesten so worden de ruteren de Stede machtich, want sy waren ontrent drie hondert int getal. Als sy dan ingecomen waren, so gingen sy mit groot bongeslach ende trompen geslach op die Voerstraet voer dat Raethuys. Ende doe togen sy voer die Lantpoert, ende togen die in. Doe gingen sy affter Batesteyn, ende hadden Jacob van Sweten een poerter te Vyanen by hem mit syn instrumenten, ende

stack


736


stack die poert op. Ende daer quamen noch veel meer ruteren in, dan daer in gecomen waren. Doe dit gedaen was, doe gingen sy weder op die Voorstraet, ende so voert voer de Leckpoert om die in te winnen. Mer Walraven de bastart en woude die poort niet opgeven, ende beschermde de poert seer stoutelick. Doe gingen sy van daen voor Batesteyn, ende eysten dat huys, dat sy't opgeven souden, behouden lyf ende huet, mer die ballingen van Utrecht woude hy gevangen nemen. Jorys die bastart die nam syn beraet, ende beriet hem also, dat hy's niet opgeven en woude, hy en woude daer eerst meer voor lyden. Doe streeck Heer Vincent ten huse, ende taste dat styf an, ende wan dat huys terstont, ende sy roefden dat huys terstont, also dat daer nyt en bleeff, gout noch silver, noch brieven, noch geenrehande guet. Ende Joris was mit al den hoop, die hy by hem hadde, op den toern Simpol geweken. Ende Arnt Pieterssen, ende Jacob in de Clock, ende oude Jan van Reness bastart soen worden gevangen in de camer, daer men uyt dat Somerhuys gaet, mer daer blevender wel thien of twaelf doot. Daerna eyste noch Heer Vincent, dat Jorys hem opgeven soude, ende in genade gaen. Ende so Jorys geen hardicheyt hadde dat huys te houden, so gaf hyt' op, ende ging in genaden. daer worden alle die mannen, die daer op waren, ende die ballingen geeedt, ende Gysbrecht van Baest screeff hoer alre namen, ende sy lieten alle heur harnas daer blyven, ende gingen of in der Stadt, ende lieten al heur gelt, gout, sulver, ende al ander goet, dat sy daer opgesleept hadden, ende Heer Vincent ende syn ruteren namen al, ja also schoen, datter niet een stoel bleef op te sitten. Hier na so ging Heer Vincent weder voor de Leckpoert, ende eyste die noch weder in van Walraven de Bastart. Ende want Walraven vernam, dattet slot gewonnen was, so gaf hy die poert op, behouden syn lyf ende goet, ende also gingen sy alle off, ende sy deden elck een eedt. Ende een wyl tyts hier na so mosten alle die geen, die een eedt gedaen hadden vier Rynsche gulden tot vangen gelt geven. Ende een wyl tyts daer na mosten sy Heer Vincent een pont groot geven, ende hy schoude hem also hoer vangenis quyt ende eedt. Hier na heeft Heer Vincent oock geschattet

sommi-


737


sommige Poerteren, daer hy groot gelt ende goet of gecregen heeft. Corts hier na so creech Heer Vincent mit den Hofluden een wedersien op Gysbert van Naest, ende schuwede hem, ende bewesen hem geen vrientscap meer, alsinen verraders sculdigh is te doen. Ende Gysbert die mercte dat hy geen gehoor langer en hadde, ende is uyt Vyanen gereyst tot Utrecht, ende bleeff aldaer. Die van Utrecht waren Heer Vincent groot gelt schuldich van syn soudi, want sy hem in lange tyt geen gelt gegeven en hadden. Hierom so dochte dese Heer Vincent, dat hy uyt Vyanen niet en woude reysen, hy en soude eerst betaelt wesen, Waerom dat hy meer dan vier maenden in Vyanen bleeff, ende maecte menigen reys mit syn ruteren tegen die Hollanderen. Als dit die Hollanders sagen, so hebben sy oock ruteren gesonnen daer tegens int lant van Vyanen, om Heer Vincent weder te slaen, ende weder te verdriven uyt Vyanen. Ende van dese onlede so is dat lant van Vyanen seer verdorven geworden.


Hoe dat Heer Vincent uyt Vianen gecost is geworden.


75.   D A T   L X X V.   C A P I T T E L


Als dan Heer Vincent van Swanenburch Ridder aldus lange tyt tot Vyanen bleeff leggen, ende sy van der Stadt van Utrecht geen penningen gecrygen en conde, so liet hy by hem comen Walraven die bastart, Dirck van Alphen, ende Gerit van der Molen, ende sprack mit hem, als dat hy gelt hebben most, ende dat hy node Vyanen an ymant soude brengen dan an myn Joncker, ende dat sy 't an myn Joncker versoecken souden, ende mit sommige vrienden hem beraden, want hy most gelt hebben. Ende waer dat sy geen raet vinden en conden, so syde hy, dat die Biscop van Utrecht of Heer Frederick van Egmont de Heer van Yselsteyn raet wisten om penningen, mer so most hy Vianen hem overleveren, t'welck hy node soude doen, als hy seyde. Dese drie voergenoemt namen hoer beraet een een wyl tyts, ende gaven dese saeck int heymelie te kennen Joest Adriaenssen, ende Sweer Henricksen, ende Rutger Wouterssen, ende die sloten mit een, datmen terstont Frederick van der Sevender

seynden


738


seynden tot myn Joncker, om te weten, wat syn meninge waer, ende wat raet hy wiste. Frederick is dan wederom gecomen, ende seyde, dat myn Joncker vrienden hadde gevonden, die hem lienen souden tot derdals duysent Rynsche gulden, mer daer en volchde niet na. Aldus so gingen sy self den coop an mit Heer Vincent om sestals duysent Rynsche gulden ende anderhalf hondert Rynsche gulden. Ende Joncker Belle ende Willem de Secretarius hadden elcx der dalf hondert Rynsche gulden, dat sy goede dadings lude wesen souden. Ende dit ginck by der Gemeenten toe, mer het wert lastich eer 't t'betaelt wert, ende het most binnen achte dagen betaelt wesen. Ende dewyl datmen hier in onledich was, so togen vyff of ses poerters van Vyanen tot Woudrichem by den Grave van Hoern, so myn Joncker van Brederoeden daer was, ende baden hem seer vriendelik, dat hy mit myn Joncker tot Culenburch comen woude, ende daer was t'lantvolck by hem. Ende die Grave voersc bracht myn Joncker tot Culenburch, ende hadde oock veel ondersaten van Woudrichem by hem. Ende die Graeff van Hoorne quam voert tot Vyanen, ende was daer by de Gemeente om wat goets te doen tusschen beyden. Als dan Heer Vincent betaelt was, so reet hy uyt Vyanen, ende die Graef van Hoorn reet mit hem uyt. Ende doe sy tot Everdingen quamen, daer was myn Joncker van Brederoeden mit allen den lant volck van Vyanen, ende van der Ameyde en Woudrichem, ende Joris die bastart. Ende daer waren sommige, die garen gesien hadden, datmen Heer Vincent bestreden hadde, mer die Graef reet tusschen beyden, ende brocht Heer Vincent by den Joncker van Brederoeden. Ende Heer Vincent dede veel onscult, ende seyde, dat hy 't van der Stadt wegen van Utrecht gedaen hadde, ende by rade des Burchgraefs van Montfoert, Heer Dirc van Zulen Ridders, ende Jan die Coninck, die op die tyt Burgemeesters van Utrecht waren, mit meer ander, ende hy bad myn Joncker om vergiffenis. Ende die Joncker van Brederoeden reet tot Vyanen mit syn vrienden, ende Heer Vincent reet tot Culenburch, ende reet voert opwaert. Als dan de Joncker van Brederoeden tegen den avont in Vyanen quam, so was die Geestelicheit mit crucen ende vanen voer der Leepoert mitter heelre Gemeenten, ende hee-

ten


739


ten horen lieven Heer seer vriendelick wellecom, ende leyden hem so doer de straet langes tot in de kerck toe, ende daer dancten sy Gode, van dat sy weder by een waren gecomen.


Hoe dat Joncker Walraven van Brederoeden Ridder is geworden.


76.   D A T   L X X V I.   C A P I T T E L.


Int jaer ons Heeren CID. CCCC. LXXXVI. in de maent Februario so quam tot Franckenvoert die Keyser van Roem Fredericus Tertius metten seven Keurvorsten, ende ander veel Biscopen, Abten, Hertogen, Graven, Bannerheeren, Ridderen, ende knechten. Mede so was daer gekomen Keyser Frederics soon Maximiliaen genoemt, de Deurluchtige Hertoch van Oestenryck, Burgondien, Brabant, ende Grave van Hollant etc. Ende by hem so waren die Bisscop van Camerick, de Bisscop van Sibinicen, Christoffel de Marckgraeff van Baden, Karel de Prins van Gelre, Adulff de Graef van Nassou, Karel de Graeff van Crinoy, Walraven de Joncker van Brederoeden, Joncker Cornelis van Bergen, Frederick die Heer van Yselsteyn, Karel van Lalleyng, Philips de Bastert van Bourgongen, Joncker Florys van Yselsteyn mit noch meer ander Ridderen en de knechten. Op den XIV. dach in Februario so syn dese Heeren in Sinte Bartolomeus kerck binnen Franckenvoert gekomen, ende daer wert een misse gesongen van den Heyligen Geest. Ende na die mis so gingen die Coervorsten kiesen een Roomsche Coninck mit content ende goede wil des Keysers, ende daer wert doe gecoren des Keysers soon Maximiliaen de Hertoch van Oostenryck voersz. Ende als dese elexi mit grooter feesten gedaen was, so syn alle dese Heeren gereyst tot Aken om desen gecoren Coninck daer te cronen. Sy hebben hem dan aldaer na ouder gewoenten gecroent op den IX. dach in April, dat was doe de anderde Sondach na Paschen in dat voersz jaer. Als dan de Roomsche Coninck was sittende tot Aken, en syn Coninclike croen hebbende op syn hooft, Coninck Karels de Grooten croen, ende in syn hant de selfde Coninck Karels

sweert,


740


sweert, so heeft hy dat swaert uytgetogen om daer mede Ridderen te slaen alle die geen, die daer bereyt stonden om Ridder te werden. Hy heeft dan daer tot twie hondert Edelen gemaict Ridders, daer die Overste of waren Philips de Palsgraef van den Ryn Koervorst, Arnest die Hertoch van Beyeren, Karel die Prins van Gelre, Willem de Lantgraeff van Hessen in Cassel, Walraven die Heer van brederoeden, Gysbert die Heer van Bronchorst, Willem van Egmont Heer van Haeps, ende noch meer ander groote Heeren, die nu al te veel waren te schryven.

- - - - - - - - - -

Copyright © 2016-2017 Rob Hubert, Alle rechten voorbehouden.
Joomla templates by a4joomla